De zee zingt eindelijk haar protestsong (1986)

Al eeuwen rol ik af en aan

met de getijden van de maan

volgens de natuurlijke orde

mijn golven woest, een galopperende horde

bezongen word ik tot mijn laatste molecuul

door grote dichters en het laagst crapuul

 

Want wie smelt niet

bij de aanblik van de zee

het strand, de schelpen

zelfs het afval voert je mee:

een schoentje met gebroken hak

een roestig blik met resten lak

lege schelpen, een krabbekarkas

gebleekte vogelschedels in een plas

 

Elke nieuwe liefde die wordt geboren

moet ik bekoren

en telkenmale

moet ik die hartstocht verhalen

Zie ze lopen hand in hand

langs mijn eigen strand

Ah, zie ik daar een fris liefdespaar

ik verzwelg ze met huid en haar

en daar een eenzame dichteres

die lees ik haar eigen les:

 

De zee is wreed, de zee is kil

De zee is woest, de zee is stil

De zee is blauw, de zee is geel

De zee is zwart, zij is teveel

Zij is het einde, het begin

Zij is het al en toch zonder zin

 

Weg met eb en hoge vloed

ik pak zo’n meisje als het moet

ik ben het zat, ik ben het moe

laat geen gedicht meer toe

Want op zee

rijmt enkel: nee, mee en kwee

en op strand

Weer die hand en liefdesbrand

Met mijn ruwe tong

lik ik de woorden uit het zand

totdat ik ben beland

bij mijn eigen liefde

het lege strand

 

© Daniel van Mourik

Geschreven in de nacht na een bezoek aan vrouwencafé Saarein en een gesprek met Sjuul Deckwitz waarin wij ons afvroegen of de zee nooit genoeg kreeg van al die liefdesparen op het strand. Dat wij maar eens moesten spreken namens de zee.

Webdesign & development: www.silicium.nl