Al eeuwen rol ik af en aan
met de getijden van de maan
volgens de natuurlijke orde
mijn golven woest, een galopperende horde
bezongen word ik tot mijn laatste molecuul
door grote dichters en het laagst crapuul
Want wie smelt niet
bij de aanblik van de zee
het strand, de schelpen
zelfs het afval voert je mee:
een schoentje met gebroken hak
een roestig blik met resten lak
lege schelpen, een krabbekarkas
gebleekte vogelschedels in een plas
Elke nieuwe liefde die wordt geboren
moet ik bekoren
en telkenmale
moet ik die hartstocht verhalen
Zie ze lopen hand in hand
langs mijn eigen strand
Ah, zie ik daar een fris liefdespaar
ik verzwelg ze met huid en haar
en daar een eenzame dichteres
die lees ik haar eigen les:
De zee is wreed, de zee is kil
De zee is woest, de zee is stil
De zee is blauw, de zee is geel
De zee is zwart, zij is teveel
Zij is het einde, het begin
Zij is het al en toch zonder zin
Weg met eb en hoge vloed
ik pak zo’n meisje als het moet
ik ben het zat, ik ben het moe
laat geen gedicht meer toe
Want op zee
rijmt enkel: nee, mee en kwee
en op strand
Weer die hand en liefdesbrand
Met mijn ruwe tong
lik ik de woorden uit het zand
totdat ik ben beland
bij mijn eigen liefde
het lege strand
© Daniel van Mourik
Geschreven in de nacht na een bezoek aan vrouwencafé Saarein en een gesprek met Sjuul Deckwitz waarin wij ons afvroegen of de zee nooit genoeg kreeg van al die liefdesparen op het strand. Dat wij maar eens moesten spreken namens de zee.