Feministische archeologie: Maurycy Gottlieb en de Grote Verdwijntruc

Het leven van voorlopers gaat niet altijd over rozen. Zo bracht Rachel Carson al in de jaren zestig het onverantwoorde gebruik van pesticiden in haar boek Silent Spring onder de aandacht. Het boek kreeg veel lezers maar het duurde nog lang voordat haar gelijk doordrong tot in de vezels van de samenleving. We zijn meer dan vijftig jaar  verder en ondertussen is de schade niet te overzien en wordt er krachtig actie gevoerd om het tij van vernietiging, snel gewin en de macht van de farmaceutische gifboeren te keren. Zo gaat het altijd. Er bestaan geen uit het niets komende revoluties, alles wordt al lang ervoor voorbereid zoals ook de status quo ooit is begonnen als revolutie. Pesticiden die grotere oogsten beloofden en dat waarmaakten maar zonder dat wij de echte prijs wilden/willen betalen en waarover de Cassandra’s de mond werd gesnoerd .  

Terecht klaagt Karin Spaink in haar column van 10 oktober over de stelling dat #metoo een recente openbaring zou zijn. Veertig jaar geleden was Spaink betrokken bij het mee ontwikkelen van beleid tegen seksueel geweld. De PSP vroeg de regering toendertijd  een samenhangend beleid te ontwikkelen, en dat tot prioriteit te verheffen. Die motie werd met grote meerderheid aangenomen. Nee, niet alleen veertig jaar geleden, je kunt rustig zeggen meer dan bijna vijftig jaar geleden was seksueel geweld al een van de speerpunten in de Tweede Golf. Vrouwen spraken onder elkaar over wat zij hadden ervaren, er werden belangrijke onderzoeken gedaan, er werd gestudeerd en geanalyseerd en er werden artikelen geschreven over dit verzwegen gigantische probleem. 

We waren voorlopers en nu is dan eindelijk de bom gebarsten en is er een wereldwijde gifbelt opgegraven. Zo gaat het altijd en daar kun je zoals Spaink moe van worden (ik zelf heb er ook wel eens last van), maar het is ook verheugend dat wij nog meemaken dat er zo’n enorme golf van bewustzijn over dit onderwerp gaande is en dat ook meer mannen dan voorheen zich op een goede manier in de strijd werpen.  

Vrouwen een rol toekennen of in het gunstigste geval drie: moeder, maagd of hoer, lijkt in onze samenleving niet meer van toepassing, maar wie wat nauwkeuriger kijkt en zeker elders in de wereld, ziet dit drietal nog overal, ook al werkt een vrouw. De hardnekkige beelden zijn in ons collectief geheugen opgeslagen en door middel van cultuur, politiek en religie worden die beelden meestal in stand gehouden. Die beelden zijn soms mooi, inspirerend maar nog vaker normerend. Zij geven weer hoe wij (vrouwen en mannen) naar vrouwen kijken en behoren te kijken. Door de eeuwen heen is die blik vrijwel exclusief een mannelijke geweest. Daarom zit alles zo diep, zowel bij vrouwen als mannen, en is er een gestage revolutie van voorlopers en feministische archeologen nodig om uiteindelijk iets te veranderen. 

Een mooi voorbeeld van hoe stuitend en ingewikkeld het blootleggen van de mannelijke blik kan zijn, vond ik in een artikel uit 2006 van Pnina Lahav, ‘A Chandelier for Women. A tale about the Diaspora Museum and Maurycy Gottlieb’s ‘Day of Atonement’ – Jews praying on Yom Kippoer’ dat ik van een vriendin kreeg. 

Maurycy_Gottlieb_-_Jews_Praying_in_the_Synagogue_on_Yom_Kippur

Ah, ik zie het al, zal de oplettende beschouwer opmerken, vrouwen op het balkon in de synagoge. Maar dat laten we even rusten want er is meer te vertellen. 

Dit schilderij is heel bekend in de Joodse wereld. Het geeft een blik in de Joodse wereld in Polen in de late negentiende eeuw. Mannen, vrouwen en kinderen in de synagoge op Grote Verzoendag. Zo modern zag die joodse wereld van de 19e eeuw er toen ook uit en vrouwen nemen op dit schilderij een prominente plaats in zoals zij dat  deden in die gemeenschappen. We weten zelfs enkele namen van de vrouwen die model stonden. O.a. de toenmalige verloofde van Gottlieb (Laura Rosenfeld) en haar moeder (rechtsboven). Ook al zitten de vrouwen op het balkon, zij maken substantieel deel uit van het schilderij. Zij zien er voor die tijd modern uit en hebben het gebedenboek in de hand. 

Wat Gottlieb niet kon bevroeden is hoe zijn schilderij onderwerp zou worden van een heftige controverse tussen het Diaspora Museum van Tel-Aviv en een aantal feministen onder wie Dafna Izraeli, professor in de sociologie aan de Bar-Ilan Universiteit. Izraeli is gestorven maar Pnina Lahav heeft het hele verhaal in een uitgebreid artikel beschreven.* 

We spreken over de jaren tachtig en negentig en in de Israëlische maatschappij is de gelijkheid van vrouwen ook een onderwerp waarover wordt gesproken. Het Diaspora Museum stelde in die tijd een collectie samen rond zes thema’s en Izraeli constateerde dat het Museum in zijn presentaties de rol van vrouwen in de cultuur en geschiedenis marginaliseerde. Het meest bijzondere was de creatie van een bijzondere audio-visuele ervaring in een donkere ruimte die uiting moest geven aan het gevoel van de ‘Days of Awe’, de Hoge Feestdagen, waaronder Yom Kippoer. Op een van de muren was een reproductie te zien, een grisaille (schildering in grauwtinten), van Gottlieb’s beroemde schilderij. Tot verbijstering van Izraeli waren de vrouwen op het balkon verdwenen en in plaats daarvan hing er een kroonluchter. Het artikel van Pnina Lahav over de strijd die er vervolgens werd gevoerd en de argumenten die ter verdediging werden aangedragen door de verantwoordelijke personen en het museum zijn even verbijsterend als de verdwijning van de vrouwen zelf. 

Een kleine greep uit de argumenten: 

‘We hadden nog geen kennis en bewustzijn van feministische ontwikkelingen.’  Dat lijkt me sterk en alsof dat je vrij pleit van zomaar een kunstwerk verminken. 

‘We hebben een nieuw kunstwerk gemaakt met de grisaille.’ Alsof je zomaar een kunstwerk mag veranderen. 

‘We wilden de personen op de voorgrond vanwege hun kavana (vroomheid en de heiligheid van het gebed) beter laten uitkomen.’ Dus daarvoor mag je een kunstwerk verminken en de vrouwen die ongetwijfeld ook kavana bezitten verwijderen. 

‘Het schilderij was niet representatief genoeg.’ Lees: voor een nostalgische shtetl visie. Gottlieb zou niet de realiteit hebben geschilderd. Dus passen wij het aan aan onze realiteit. Daarom mag je een modern schilderij gebruiken en de ongewenste elementen verwijderen. Dat heet citeren in het artistieke jargon. 

O ja, en nog wat: ‘die vrouwen zitten waarschijnlijk te roddelen. Er kijkt er maar een in het gebedenboek.’ Zij zijn bezig met onspirituele zaken terwijl de mannen met het hogere bezig zijn. Het is dus niet meer dan normaal dat die lage wezens worden  verwijderd.

Diverse belangrijke feministen worden ingeschakeld om hun visie te geven, maar in 1993 hangt het vermaledijde werk er nog steeds. Er worden zelfs vragen in het parlement gesteld en de conclusie was dat het museum een sectie van de tentoonstelling, waar de grisaille te zien was, sloot en uiteindelijk werd de grisaille verwijderd. Natuurlijk had het museum in een groots gebaar het origineel kunnen ophangen (eventueel naast de grisaille) maar dat zou niet stroken met hun visie en er was waarschijnlijk ook onwil om te buigen voor de ijzersterke argumenten van de feministen. 

De verontwaardiging bij het grote publiek betrof vooral de verminking van een kunstwerk en minder de verwijdering en marginalisering van de vrouwen. Maar dat was wel de essentie voor de feministen die dit onderzoek verrichten, en zij kunnen alleen maar geprezen worden in hun volharden om de waarheid boven tafel te krijgen en alle schijnargumenten (zowel van betrokken mannen en vrouwen van het Museum) in een grondige analyse te weerleggen. De kroonluchter die hoort te verlichten, heeft in dit geval vooral veel verduisterd.

De gerechtvaardigde conclusie kan alleen maar zijn dat het weglaten van de vrouwen in het schilderij van Gottlieb een aggressieve en gewelddadige handeling was en bovenal een uiting van verzet tegen verandering en modernisering. 

Op de vrouwengalerij van het schilderij speelt zich nog een ander verhaal af. Want wie zijn die 19e eeuwse vrouwen? In ieder geval zit er mevrouw Gottlieb, Maurycy’s moeder en Laura Rosenfeld en haar moeder.

Laura Rosenfeld heeft uiteindelijk haar verloving met Gottlieb verbroken en zijn hart gebroken. Hij stierf op 23 jarige leeftijd. Laura trouwde met de rijke bankier Henschel. Na zijn dood (zij was dertig jaar met hem getrouwd en had vier dochters) heeft zij een geheel eigen carrière opgebouwd. Zij ging in de zorg voor armen en had contact met de feministen van haar tijd en hield zich bezig met de opvoeding van jonge meisjes. Weliswaar om hen krachtig, bewust en dienstbaar te maken voor het gezinsleven, maar in ieder geval niet om hen tot huissloof en huisslavin op te voeden. Zij werd bekend onder de naam Mutter Henschel. Zij is de overgrootmoeder van moederszijde van Christine Cornelius (haar achterkleinkind), die mij het artikel over Gottlieb’s schilderij gaf. Haar ouders boden Andreas Burnier in Eindhoven haar eerste onderduikadres. Een cultureel en intellectueel geïnteresseerd gezin (de vader, Peter Cornelius zat in het verzet) waarin zij zich als een vis in het water voelde en waarin zij helaas maar kort kon verkeren. In 1951 zal de echtgenoot van Andreas Burnier, Emanuel Zeylmans van Emmichoven, lid van Castrum en uitgever van het tijdschrift Castrum Peregrini* een nummer wijden aan Mutter Henschel. Hoe wonderlijk zijn de wegen van de geschiedenis!

Het opgraven van verborgen schoonheid en ellende en alles in het licht brengen is een taak die zich eindeloos zal herhalen en die we onvermoeibaar moeten voortzetten omdat het scheppen van een nieuwe cultuur niet kan zonder feministische archeologie. Je kunt niet voortbouwen zonder fundament. Een fundament dat is gelegd door diverse vrouwenbewegingen maar ook door veel individuele vrouwen als Rachel Carson, elke vrouw die haar mond opent voor #metoo, Els Kloek met haar twee monumentale werken 1001 vrouwen en de individuele 2002 vrouwen die zij heeft opgegraven uit de Nederlandse geschiedenis*, Karin Spaink die samen met anderen in de PSP beleid heeft ontwikkeld tegen seksueel geweld. Pnina Lahav en Dafna Izraeli die zo veel tijd en energie hebben gestoken in het analyseren van wat ook afgedaan had kunnen worden als een onbeduidend incident, of in het geheel niet zou zijn opgemerkt in een andere tijd. Maar ook werk verricht door minder voor de hand liggende vrouwen als Mutter Henschel, die de vrouwen in haar familie en daarbuiten, weliswaar in de geest van de tijd, krachtig en zelfbewust heeft gemaakt, en zo iemand als Maurycy Gottlieb die de wereld heeft weergegeven zoals hij die heeft gezien, een voorbode van moderniteit. 

Vele stappen, het gestaag doorploegen maakt de grond rijp voor nieuwe ontwikkelingen en voor een rechtvaardigere wereld. Onze argumenten en analyses kunnen het denken beïnvloeden maar de meeste mensen worden gedreven door emoties en daar kan de rede vaak niet tegenop. We zullen ook de harten moeten winnen en daar is veel tijd en uithoudingsvermogen voor nodig. 

  • De historische mannenclub van Castrum Peregrini en hun leermeeester Wolfgang Frommel worden, na vele getuigenissen die er niet om liegen, in een kwalijk daglicht gesteld wegens seksueel misbruik door met name Frommel onder het mom van ‘pedagogische eros’. Destijds was Castrum een gerespecteerd cultureel gezelschap met een eigen tijdschrift waarvan Emanuel Zeylmans van Emmichoven de uitgever was.
  • Pnina Lahav, ‘A Chandelier for Women. A Tale About the Diaspora Museum and Maurycy Gottlieb’s ‘Day of Atonement’ – Jews Praying on Yom Kippur.’ Project Muse. Israel Studies 11,1 (2006) 108-142.
  • Recent verscheen het tweede deel en naar aanleiding van deze publicatie is er een tentoonstelling in het Amsterdam Museum die vorige week werd geopend door Koning Willem Alexander. Dat onderstreept het belang van deze uitgave.

Berthe Morisot (1841 – 1895) schilder van licht

In het najaar van 2017 breng ik een bezoek aan Musée Marmottan Monet in Parijs. Een niet al te groot sfeervol museum met veel werken van Monet. Maar wat velen niet weten, is dat daar ook een grote collectie schilderijen en tekeningen hangt van Berthe Morisot, een van de weinige vrouwelijke impressionisten*. Na afloop lopen we het winkeltje binnen en daar bevindt zich een schat aan boeken over Monet. Grote, kleine, dikke, dunne, het kan niet op. En alsof dat nog niet genoeg is, op een grote hoeveelheid mokken, schriften, potloden, kaarten en andere prullaria teisteren de waterlelies je ogen. Maar niets over Morisot en zelfs als ik vraag naar documentatie over haar kijkt de vrouw achter de toonbank mij wazig aan. Het is om gek van te worden. Als er al aandacht is voor het werk van een vrouw dan is het risico groot dat er een vloedgolf van heren overheen gaat. Monet is een product geworden en Morisot blijft in de schaduw ondanks dat er aardig wat over haar is geschreven. De ervaring leert dat het meestal vrouwen zijn (biografen, kunsthistorici) die het werk van hun seksegenoten aan de vergetelheid ontrukken.*

Zelportret Morisot

Zelfportret

Tot mijn grote vreugde zag ik, terug in Amsterdam, een documentaire over haar aangekondigd: Berthe Morisot: Moed, Storm en Liefde. De regisseur Klaas Bense kocht een aantal jaren geleden online een schilderij, een portret van een vrouw. Thuis ontdekte Bense een naam op de achterkant van het schilderij: ‘Berthe Morisot, 1871’. Hij kende wel haar naam, maar wie was Berthe Morisot? En hoe kwam het dat hij zo weinig van haar wist? Met het schilderij onder zijn arm trekt hij naar Parijs om meer te weten te komen over Morisot. Mooie opzet voor een documentaire maar uiteindelijk toch teleurstellend zoals ook Joke de Wolf in haar Atria-blog* beschrijft: ‘Het lijkt alsof Bense zo vol is van zijn eigen Morisot-schilderij dat hij vergeet naar Morisots andere werk te kijken.’

Verder ontdekte ik nog een film over Morisot uit 2012 waarvan de recensies in ieder geval niet juichend waren. Maar beter iets dan niets. Als het helpt om haar werk onder de aandacht brengen, moet je soms niet al te kritisch zijn. Als Morisot’s naam in je gaat rondzingen dan ga je vanzelf op zoek naar plekken waar haar schilderijen en tekeningen hangen en naar deskundige publicaties over haar (o.a. van de kunstcriticus Linda Lochlin, die al in 1988 aandacht besteedde aan haar werk). In het onvolprezen Atria vond ik een uitgebreide catalogus van haar werk uit 2012. Notabene mede uitgegeven door het Musée Marmottan Monet, maar blijkbaar niet meer in druk. Maar het zal beter gaan: in 2019 komt er een grote tentoonstelling van haar werk in het Musée D’Orsay in Parijs.

berthe-morisot-4

Ik word wakker in een huisje in Egmond en kijk uit over de tuin en het daarachterliggende landschap: weiden en in de verte enkele boerderijen. Het is nog vroeg en er is een vage oranje gloed in de lucht. Wat later hangt er een voile van glanzende mist over de tuin en het landschap. Het zijn momenten in de ochtend die heel snel veranderen en die ik zou willen vasthouden. Het zijn ervaringen van pregeboortelijke schoonheid. Van een ontroerende puurheid voordat het leven eroverheen raast. Zo stel ik me voor dat Morisot schilderde: zij wilde die visuele ervaringen vastleggen en daarin is zij vaak wonderwel geslaagd.

Tuin in Bougival

In de inleiding van Jean-Marie Rouart (Berthe Morisot: from Wound to Light) in de catalogus vond ik hierover een interessante opmerking. Haar schilderijen ademen een sfeer van rust, elegantie, harmonie en paradijselijk geluk maar: ‘The paradox of this work that comes across as spontaneous, cheerful, gentle and harmonious is that it was born of suffering, of a doggedness and despair that would be difficult to imagine were they not attested by so many pages in the notebooks and letters written by this artist who was always dissatisfied by herself .’

Nu lijden de meeste kunstenaars onder een gevoel van ontevredenheid (bijna nooit lukt het om precies vast te leggen wat je wilt uitdrukken) maar ongetwijfeld speelde haar vrouw-zijn daarbij een rol. Ook al werd zij gesteund door haar familie en haar vrienden onder de impressionisten, zij moest vechten tegen de conventies van haar tijd. Haar zus Edma met wie zij tien jaar lang samen schilderde gaf haar schilderen op toen zij trouwde. Berthe trouwde met Eugène Manet, ook een schilder, maar bleef doorwerken en werd door haar echtgenoot gesteund. Een zeldzaamheid.

berthe-morisot-eugene-manet-and-his-daughter-in-the-garden

Eugène Manet en dochter Julie

Ik ben benieuwd naar haar dagboeken die nog in familiebezit zijn om meer inzicht te krijgen in haar hele leven. Het is ondenkbaar dat de Frans-Duitse oorlog en de maandenlange bezetting van Parijs in 1870/’71 niet tevens een rol in haar leven hebben gespeeld.

Waar dagboeken vaak de worstelingen en schaduwkanten van het bestaan vastleggen, wilde Morisot juist in haar kunst de vluchtige lichte momenten vastleggen en dat getuigt van een gezond realisme. Jean-Marie Rouart spreekt over de ‘happiness of the sad’. Dat is ook wat troost is. Dat betekent dat zolang je die vluchtige momenten kunt zien, ze kunt vastleggen en ervan kunt genieten, de wereld van lijden, negativiteit, je niet zal vergiftigen en zieldood maken.

Berthe Morisot’s werk is een ode aan de schoonheid van het leven.

Vrouwencultuur in de Valeriusstraat: honderd jaar Fontainehofje

Geschreven in 2013 voor de jubileumpublicatie van het Fontainehofje

images

Toen ik samen met mijn partner Andreas Burnier (literair pseudoniem van C.I. Dessaur, voorloopster in de jaren zestig van de vrouwenbeweging en overleden in 2002) in 1989 in de Valeriusstraat ging wonen, duurde het niet lang of ik ontdekte dat wij tegenover een hofje woonde. Boven de voordeur prijkte in steen uitgehouwen de naam: Fontainehofje.

Elke Amsterdammer kent de hofjes in de Jordaan en op de grachten en het beroemdste hofje, het Begijnhof, maar weinigen kennen het Fontainehofje. Gesticht in 1754 en sinds 1913 gevestigd aan de Valeriusstraat. Het deed mijn feministische hart goed dat dit hofje niet alleen voor vrouwen was maar ook nog eens door een vrouw was gesticht: Petronella Calkoen. Haar bejaarde (vrouwelijk) personeel kon er de oude dag in rust en zekerheid slijten. Later kwamen andere oudere vrouwen ook in aanmerking om er te wonen, mits protestant en van onbesproken gedrag.

Het hofje bestaat honderd jaar in onze straat en nog steeds wonen er alleenstaande vrouwen en in het regentenhuis woont een nazaat Calkoen met haar gezin. Een keer per jaar wordt het hofje opengesteld en wie op oudjaar langskomt ziet de bewoners op de stoep zitten bij een vuurmand met een glas wijn in de hand. Iets dat waarschijnlijk honderd jaar geleden geen onbesproken gedrag zou zijn.

Honderd jaar Fontainehofje in de Valeriusstraat is ook deel van de vrouwengeschiedenis en ik vroeg me af of de vrouwen van het hofje ook op een andere manier betrokken waren bij, of kennis namen van belangrijke gebeurtenissen die zich in de afgelopen jaar honderd jaar op het gebied van vrouwenemancipatie hebben afgespeeld? Spraken zij erover of was dat iets voor andere vrouwen? Want wat is er allemaal gebeurd de afgelopen honderd jaar.

In 1913 was Aletta Jacobs al een bekende feministe en voorvechtster van het vrouwenkiesrecht uit Eerste Feministische Golf. Zij was in 1871 de eerste vrouw die tot de universiteit werd toegelaten. In 1919 kregen vrouwen actief kiesrecht. Wat hebben de vrouwen van het hofje toen gedaan? Hebben ze het gevierd? Maakten zij er gebruik van? En werd er in 1929 gerouwd toen Aletta Jacobs overleed?

In 1898 was de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid en werd de Nationale Vrouwenraad van Nederland opgericht. Gingen de dienstbodes van de familie Calkoen naar de tentoonstelling? In 1900 richtte Roosje Vos de eerste Nederlandse vakvereniging voor vrouwen op, de cooperatie Samenwerkende Linnennaaisters. Binnen de SDAP voerde zij ook strijd voor het vrouwenkiesrecht. Zou aansluiting hierbij voor de christelijke vrouwen van het hofje hebben geleid tot gedrag dat niet zou worden getolereerd?

In 1912 werd de eerste Internationale Vrouwendag in Nederland gevierd en in 1917 werd Suze Groeneweg (SDAP) de eerste vrouw in de Tweede Kamer. Mijlpalen in de geschiedenis van de emancipatie van vrouwen. Waren de vrouwen in het hofje zich hiervan bewust?

In 1935 wordt in Amsterdam het internationaal Archief voor de Vrouwenbeweging opgericht. Waren de dames van het hofje hiervan op de hoogte?

Wat kregen zij mee van de oorlog en de wonden die dit sloeg in Amsterdam? In 1945 wordt de verzetstrijdster Hannie Schaft door de Duitse besetter opgepakt en vermoord.

Na de oorlog waren er veel ontwikkelingen: in 1956 werd Marga Klompé (KVP) de eerste vrouwelijke minister en werd de handelingsonbekwaamheid van gehuwde vrouwen opgeheven. In 1958 wordt Liesbeth Ribbius Pelletier (SDAP) het eerste vrouwelijk lid van de Raad van Staten.

Langzamerhand worden allerlei ontwikkelingen in de vrouwenbeweging meer en duidelijk zichtbaar en het lijkt bijna onvermijdelijk dat de vrouwen van het hofje daar kennis van hebben genomen. De introductie van de anticonceptiepil in 1964 zal ongetwijfeld veel deining hebben veroorzaakt en misschien heeft een van de vrouwen ook wel de Nederlandse vertaling van de tweede sekse van Simone de Beauvoir in 1965 gelezen.

In ieder geval weet ik dat de vrouwen die er nu wonen vaak goed op de hoogte zijn van al de ontwikkelingen van na de oorlog op het gebied van vrouwenemancipatie. Zo zijn het artikel van Joke Kool-Smit, Het onbehagen bij de vrouw (het begin van de Tweede Feministische Golf), de opkomst van MVM en Dolle Mina, het tijdschrift Opzij, Blijf van m’n Lijfhuizen, De schaamte voorbij van Anja Meulenbelt en het grote aantal vrouwenboekhandels en cafe’s in de jaren zeventig en tachtig, bij bijna iedereen bekend.

De vrouwen van het hofje zijn met hun tijd meegegroeid. Zij zijn  op een of andere manier deel gaan uitmaken van een vrouwengeschiedenis die is begonnen bij de liefdadigheid en de sociale verantwoordelijkheid van een deel van de hogere klassen en die is uitgemond in de emancipatie van vrouwen van alle klassen en een samenlevingsvorm die nu na honderd jaar nog steeds levensvatbaar is: sociaal en modern .

Ik prijs mij gelukkig om tegenover al deze sterke vrouwen te wonen en door de gesprekken met hen deelgenoot te zijn van een kostbare geschiedenis.

Lezen: Honderd jaar hofje in Zuid. ‘In het velden ligt het heden en het nu wat worden zal’. Gwen van Gelder, Stichting Het Fontainehofje. Jubileumuitgave over de geschiedenis van het Fontainehofje (1913-2013) en haar oprichtster, patriciërsvrouw Petronella Fontaine-Calkoen. Marianne Tielemans (tekstredactie).

Opgenomen in de collectie van Atria, Kennisinstituut voor emancipatie en vrouwengeschiedenis, Amsterdam. http://www.atria.nl

Mannen aan de keukentafel

Eerder gepubliceerd op 28-11-2010 op blogsite van Aletta door Ineke van Mourik (bibliothecaris)

images-2

Vorige week vertelde Inge de Wilde in de serie Kitchen Table Seminars bij Aletta over de boekencollectie van C.V. Gerritsen, de echtgenoot van Aletta Jacobs.

Bij tijd en wijle schuift er in de vrouwenbeweging een uitzonderlijke man aan om de gelederen te versterken. Een van die mannen is Carel V. Gerritsen (1850-1905). Inge de Wilde schreef een mooi en informatief boek (Lotgevallen van een bibliotheek) over Gerritsen en zijn boekencollectie (18.000 boeken, 13.000 pamfletten) die voor een deel bestond uit boeken, pamfletten en tijdschriften over de vrouw en de vrouwenbeweging uit diverse landen (totaal 3500 publicaties).

Aletta (het voormalige IIAV) bestaat deze week 75 jaar en Inge de Wilde vroeg zich af of dit wellicht de eerste keer was dat er een lezing over een man werd gehouden. Dat zou best kunnen. De wereld der mannelijke feministen is helaas dun gezaaid, maar als ze er zijn dan zijn ze ook zeer bijzonder.

Carel Victor Gerritsen was vrijmetselaar, lid van de Vrijdenkersbeweging, oprichter van de landelijke Radicale Bond en later van de Vrijzinnig-Democratische Bond, medeoprichter van de Nieuw Malthusiaanse Bond (voorloper van de NVSH – Nederlandse Vereiniging voor Seksuele Hervorming), pleitbezorger voor meisjesonderwijs en het vrouwenkiesrecht en voorstander van het vrije huwelijk (LAT-relatie zouden wij nu zeggen). Gerritsen is misschien ook wel beïnvloed door een andere bijzondere man, John Stuart Mill, die in 1869 zijn beroemde boek, The Subjection of Women (tot stand gekomen met de hulp en ideeën van zijn latere vrouw en zielsverwant Harriet Taylor-Hardy), publiceerde in Engeland.

Terug naar de bibliotheek van Gerritsen waar ongetwijfeld Aletta Jacobs ook aan heeft bijgedragen maar het onderzoek van o.a. Inge de Wilde laat duidelijk zien dat de collectie zijn grote verdienste was.
“ Zijn raad was: kennen, weten, studeeren. Kennen zoveel mogelijk de positie van de vrouw uit lang vervlogen eeuwen, weten die van de vrouw in het heden onder alle rassen en alle volken; bestudeeren wat moet, wat kan worden gedaan om haar te maken tot ‘s mans gelijke. Weten, grondig weten al datgene wat andere Feministen in gelijksoortige dagen van strijd hebben gesproken, gedaan, volbracht; in één woord: zich sterken tegenover den tegenstander als zoodanig.”
Dit schreef Wilhelmina Drucker (belangrijke feministe van de eerste golf) ter gelegenheid van het overlijden van Gerritsen.

In 1902 was er nog sprake van dat de hele collectie zou worden gelegateerd aan de Universteitsbibliotheek te Amsterdam. Maar in 1903 werd deze in zijn geheel verkocht aan de John Crerar Library te Chicago voor $ 30.000. Deze bibliotheek breidde de ‘vrouwencollectie’ uit met publicaties over de Amerikaanse vrouwenbeweging. In 1951 veranderde het beleid. Het grootste feministische gedeelte van de Gerritsencollectie werd verkocht aan de University of Kansas in Lawrence.
In 1973 werd de collectie op microfiche gezet (raadpleegbaar in de KB).
Het feministische deel van de collectie, dat in 2008 digitaal is aangekocht door Aletta (samen met de Universiteit Groningen) met financiële steun van de Stichting Wilhelmina Drucker Fundatie, is dus uiteindelijk na veel omzwervingen weer in Amsterdam beland.

In de periode van 1903 tot nu is er veel meer gebeurd met de collectie dan ik hier kan beschrijven. In het boek van Inge de Wilde kun je over alle lotgevallen lezen. En er is nog werk te doen want in de digitale versie zijn titels ‘verdwenen’. Bij voorbeeld elf titels over Sorcières (heksen). En af en toe duikt er weer eens een boek op met een stempel van Gerritsen er in. Zo kocht Myriam Everard bij het voormalige Antiquariaat Lorelei te Amsterdam (gespecialiseerd in boeken van en over vrouwen) het boek ‘Kentekens en waarde van den zuiveren maagddom uit volksbegrippen, natuurkennis en zedenkunde’, uit 1793. Zij schonk dit werk aan het IIAV op 3 december 2008 bij de presentatie van de Gerritsen Collectie op het IIAV.

In 1903 is de collectie vertrokken uit Amsterdam. Meer dan 100 jaar later is de collectie weer terug in Amsterdam, en zit Gerritsen dankzij het spannende verhaal van Inge de Wilde, eindelijk met ons aan de keukentafel.

Voor ‘weten, grondig weten’ raadpleeg de catalogus/website van Aletta (nu Atria):

Over C.V. Gerritsen:

Inge de Wilde, ‘Carel Victor Gerritsen. Feminist, vrijdenker en neomalthusiaan’, in : Myriam Everard en Ulla Jansz (red.), De minotaurus onzer zeden. Multatuli als heraut van het feminisme (Amsterdam/ Aksant 2010)

Inge de Wilde, Lotgevallen van een bibliotheek. De boekencollectie van C.V. Gerritsen, echtgenoot van Aletta Jacobs.
Universiteitsbibliotheek Groningen 2009

Digitale collectie: Gerritsen Collection of Aletta H. Jacobs. Inzage: via abonnement op de bibliotheek van Atria.

Mehler, H.J. , La femme et le féminisme : collection de livres, périodiques etc. sur la condition sociale de la femme et le mouvement féministe faisant partie de la bibliothèque de M. & Mme C.V.Gerritsen (dr. A.H.Jacobs) à Amsterdam
Paris: Giard 1900

In: Jaarboek voor Vrouwengeschiedenis (1982):
Inge de Wilde: De bibliotheek van C.V. Gerritsen, de echtgenoot van Aletta Jacobs
Els Kloek en Yvonne Scherf: De vrouwenbibliotheek van de man van Aletta Jacobs. Een bibliografie van de Nederlandstalige titels.

Mineke Bosch: Een onwrikbaar geloof in rechtvaardigheid: Aletta Jacobs 1854-1929 (Uitgeverij Balans, 2005)

Over John Stuart Mill:

Naema Tahir, Mill en het feminisme. In: Dirk Verhofstadt (samensteller), John Stuart Mill 15 jaar over vrijheid
Houtenkiet/Atlas, Antwerpen/Amsterdam 2010

Mill, John Stuart, De onderwerping van de vrouw boek. Vertaling: Eva Wolff. Uitgebreide inleiding: Maaike Meijer
Meppel: Boom 1981
(In de collectie bevinden zich de oorspronkelijke Engelse versie van dit boek en vertalingen in het Frans, Italiaans, en Spaans.)

Hayek, F.A , John Stuart Mill and Harriet Taylor
London: Routledge, 1951

Jacobs, Jo Ellen Payne, Paula Harms (ed), The complete works of Harriet Taylor
Bloomington: Indiana University Press, 1998