Chronische voyeurs en zachte moordenaars: Susan Sontag over fotografie

Recycling

Deze week (maandag 16 september 2019) verschijnt van Benjamin Moser, Sontag – Haar leven en werk, bij de Arbeiderspers. Susan Sontag (1933-2004) is een Amerikaanse filosoof, politieke activist, essayist en schrijver van romans. Haar leven en werk komt dankzij de biografie van Moser opnieuw in de aandacht. In 1980 verschijnt haar essay Over fotografie in een Nederlandse vertaling en ik schreef er een uitgebreide recensie over in LOVER (driemaandelijks overzicht van de vrouwenbeweging. 7e jrg. Nr.1 1980). Hier een ingekorte versie ervan.

Over fotografie Sontag

Over fotografie

‘Niet degene die niet kan lezen en schrijven, maar degene die niets weet van fotografie’, zo is wel eens opgemerkt, ‘zal de analfabeet van de toekomst zijn.’

(Walter Benjamin, Kleine geschiedenis van de fotografie)

Er zijn boeken die je moet lezen omdat de opleiding die je volgt dat vereist. Andere lees je omdat ze passen in het gebied van je eigen interesses. Weer andere worden je aangeraden door mensen in je omgeving. Maar er zijn er altijd een paar die op het juiste moment en schijnbaar toevallig op je weg komen. Een van die laatste boeken was voor mij het boek van Susan Sontag, Over fotografie.

Mijn ervaringen met fotografie dateren van 1976, het jaar waarin ik besloot een belastingteruggaaf van 900 gulden te besteden aan een camera met toebehoren. Een gevolg van drie jaar ervaring met fotografie, is dat ik een bloedhekel heb gekregen aan negentig procent van de zich fotografen noemende aasgieren en chronische voyeurs. Maar tegelijkertijd is mijn interesse en alles wat er mee samenhangt alleen maar toegenomen, dankzij ervaringen en conflicten, maar vooral door inspirerende gesprekken en door lezen over fotografie. Mijn oorspronkelijke gefascineerdheid door elk beeld dat weer oprees uit de ontwikkelaar heeft zich drastisch uitgebreid naar de wereld buiten de donkere kamer en de betekenis die fotografie daar heeft. Over dit laatste gaat het boek van Susan Sontag vooral. In een interview in Vrij Nederland (december 1979) zegt Sontag: 

Ik ben gek op foto’s. Ik fotografeer zelf niet, maar ik houd van foto’s, ik heb een hele collectie, ze fascineren me … ik ben er al heel lang bezeten van. Maar ik wilde er pas over gaan schrijven toen ik besefte hoeveel verschillende kanten er aan zitten: de verwikkelingen, tegenstrijdigheden en dubbelzinnigheid waaruit onze maatschappij bestaat vind je allemaal in die ene activiteit: “fotograferen” terug.’

Ook binnen de vrouwenbeweging geniet fotografie een ongekende populariteit. Vrouwenbladen wijden aandacht aan verschenen fotoboeken (in LOVER 78/4 verscheen een overzicht van Hennie van der Zande over fotoboeken van vrouwen), uitgevers zien er een goede markt in en de vrouwenboekhandels bieden een keur van prachtige boeken met werk van beroemde damesfotografen zoals Margaret Freund, Imogen Cunningham, Diane Arbus, Gisèle Freund, Margaret Bourke-White en anderen, en soms een enkele heer als Lewis Carroll die schandelijk mooie, brutale en arrogante meisjes fotografeerde. In de roes van de herontdekking worden de damesfotografen zonder onderscheid op grond van sekse door de vrouwenbeweging in het zonnetje gezet, terwijl hun werk van zeer uiteenlopende aard is. Het zal mij een zorg zijn dat wij ons beperken tot éen sekse, want daarbinnen is sprake van evenveel variëteit als bij de mensheid in haar geheel. Maar wij moeten niet blijven steken in het prille stadium van keuze en waardering alleen op grond van sekse. Het is belangrijk de aandacht te richten op onderlinge verschillen en op de fotografie in haar algemeenheid. Ik beperk mij in deze bespreking tot de fotografie in haar algemeenheid, hoewel Sontag ook veel interessants te zeggen heeft over individuele fotografen, zoals onder andere Diane Arbus.

Fotografie en kunst

On Photography 1De uitvinding van de fotografie dateert van 1826. De uitvinder Nicéphore Niépce stak al zijn geld in onderzoekingen op het gebied van fotografie en stierf arm en roemloos. De Fransman Daguerre, die vaak ten onrecht als dè uitvinder wordt bestempeld, bouwde voort  op de resultaten van Niépce en maakte de uitvinding algemeen bruikbaar. Pas op 19 augustus 1839 werd de uitvinding in het openbaar gepresenteerd tijdens een zitting van de Académie des Sciences, waarbij de hele intellectuele elite van Parijs aanwezig was. 

 

Vrijwel onmiddellijk barstte het gekrakeel en gedabatteer los over de vraag of fotografie nu wel of niet tot de kunst behoort. Susan Sontag gaat uitgebreid op deze discussie in en wijst in dit verband op een aantal interessante aspecten. Fotografie verleent schoonheid en belangrijkheid aan onderwerpen die dat voorheen niet hadden: ‘Fotografisch kijken kwam gelijk te staan met een talent om schoonheid te ontdekken in de dingen die iedereen ziet, maar verontachtzaamt, omdat hij ze te gewoon vindt.’ 

De schoonheid van een afgebladderde deur, een damesschoen in de goot, een serie sigarettenpeukjes. De fotografie heeft veel gedaan om de kunst los te weken van haar ouderwetse relatie met verheven en schone onderwerpen, juist door het banale en alledaagse als onderwerp te nemen. Maar de ironie van deze democratiserende tendens is dat het esthetiserende effect niet is verdwenen maar zich heeft uitgebreid.

Ik heb onze wc-pot gefotografeerd, die glanzend geëmailleerde bak met zijn bijzondere schoonheid […] Iedere sensuele welving van de “goddelijke menselijke gestalte”  was hier aanwezig, maar zonder de onvolmaaktheden ervan. Nooit hebben de Grieken een belangrijker vervulling van hun cultuur beleefd: met zijn voorwaartse golving van subtiel voortschrijdende contouren deed het me op de een of andere manier denken aan de Nikè van Samothrake.’  (Edward Weston)

Maar ook op andere wijze heeft de fotografie invloed gehad op de kunst zegt Sontag:

Aangezien de meeste kunstwerken (foto’s incluis) thans bekend zijn van fotoreproducties, heeft de fotografie – met de kunstzinnige activiteiten die daarvan zijn afgeleid, en het soort smaak die van de fotografische smaak is afgeleid  – een ingrijpende verandering teweeggebracht in de traditionele normen van smaak, waartoe we ook het begrip “kunstwerk” moeten rekenen.’

Het criterium of het een uniek object is, een origineel, wint het in de musea van criteria als kwaliteit, originaliteit of schoonheid als het op publieke belangstelling aankomt. Deze belangstelling is van hetzelfde soort dat jaren geleden honderden Nederlanders naar het plaatsje Dongen dreef om daar een lelijke, kaalgevreten maar echte vale gier te aanschouwen.

Door de invloed van de fotografie worden we met onze criteria over kunst het bos ingestuurd. Enerzijds leent de fotografie zich voor de opvatting van kunst dat Kunst uit de tijd is, anderzijds bezit zij de merkwaardige eigenschap dat ze al haar onderwerpen tot kunst maakt, zegt Sontag. Het voordeel van de democratiserende invloed van de fotografie is dat kunst niet alleen toegankelijk is voor een bepaalde elite, maar een grote verspreiding heeft gekregen. Het nadeel, merkt Sontag op, dat de verschillen in betekenis worden verdoezeld. Kunst wordt dan een inhoudsloos begrip als criteria zoals originaliteit, kwaliteit en diepzinnigheid niet meer worden gehanteerd.

Fotografie als moderne religie

Fotografie wordt als vorm van recreatie bijna even universeel bedreven als seks en dansen, zegt Susan Sontag in haar eerste hoofdstuk. Fotografie wordt hoofdzakelijk beoefend als sociale ritus, als afweerreactie tegen angst en als machtsmiddel.

Wat bedoelt zij met deze uitspraken? Zij beschouwt fotografie als een nieuwe religie, een middel om de werkelijkheid te doorgronden door het verzamelen van beelden van die werkelijkheid. Het werkelijkheidsbesef dat steeds gecompliceerder wordt, schept zijn eigen compensatiedrang en vereenvoudigingen; de meest verslavende daarvan is het fotograferen.

Als voorbeeld hiervan noemt zij toeristen, die van verschillende nationaliteit kunnen zijn, maar éen ding gemeen hebben, namelijk het fototoestel. Met hun toestel veroveren zij de ruimte waarin zij zich onzeker voelen en bovendien verschaffen de foto’s hun een denkbeeldig bezit. Reizen wordt zo een strategie om foto’s te verzamelen en het kijken naar foto’s maken komt in plaats van de beleving. Susan Sontag noemt dit soort gedrag de chronische voyeursrelatie tot het leven waarin de betekenis van de gebeurtenissen vervlakt. Zoals de oude religies alles in een groot kosmisch verband proberen te brengen, zo probeert de fotograaf hetzelfde te doen door losse stukken te verzamelen. De eenheid die zij/hij nastreeft, is echter een oppervlakkige die alleen maar berust op de compleetheid van de verzameling.

De zachte moordenaars

De fotograaf probeert de realiteit, die wordt gezien als iets weerspannigs en onbereikbaars, gevangen te zetten, in haar/zijn macht te krijgen. Daarom is elk fotograferen tevens een aggressieve daad, ook al is de fotograaf nog zo vervuld van goede bedoelingen. Sontag spreekt in dit verband niet voor niets over zachte moordenaars. Tegelijkertijd is het een daad van non-interventie, zegt Sontag, een manier om te bevorderen dat iets, dat bezig is te gebeuren, doorgang vindt. 

[…] Opeens viel er naast me een jongetje op de grond. Toen besefte ik dat de politie geen waarschuwingsschoten vuurde. Ze schoten rechtstreeks op de menigte. Er vielen meer kinderen […]. Ik begon foto’s te maken van het jongetje dat vlak naast me lag te sterven. Er stroomde bloed uit zijn mond en een paar kinderen knielden naast hem neer en probeerden de bloedstroom te stelpen. Toen begonnen een paar kinderen te schreeuwen dat ze me zouden vermoorden […] Ik smeekte hen om me met rust te laten. Ik zei dat ik een verslaggever was en daar was om verslag uit te brengen van wat er gebeurde. Een meisje raakte me aan het hoofd met een steen. Ik was duizelig, maar stond nog op beide benen. Toen werden ze redelijk en een paar leidden me weg. Al die tijd cirkelden er helikopters boven ons en klonk het geluid van schieten. Het was net een droom. Een droom die ik nooit zal vergeten.’

(Uit het verslag van Alf Khumalo, een zwarte reporter van de Johannesburg Sunday Times, over het uitbreken van relllen in Soweto, Zuid Afrika, gepubliceerd in The Observer (Londen), zondag 20 juni 1976).

Over fotografie

Persfotografen die snot in elkaars lenzen deponeren om een primeur te halen, paparazzi die met telelenzen beroemdheden in hun privéleven proberen te betrappen, daar hebben we al snel een oordeel over klaar. Maar dat het ‘gewone’ huis-, tuin- en keukengefotografeer evengoed agressief kan zijn, dat kwam pas later in mijn hoofd op. De twijfelachtige eer om gefotografeerd te worden is vaak ter meerdere eer en glorie van de fotograaf in kwestie. Wat dat betreft staat de huidige fotograaf niet ver van de magische activiteiten van zogenaamde primitieve samenlevingen. Susan Sontag zegt hier in haar hoofdstuk ‘De Beeldwereld’ behartenswaardige dingen over. De oorsprong van het maken van afbeeldingen is een magische activiteit om jezelf macht toe te eigenen. In primitieve samenlevingen waren ding en beeltenis eenvoudig twee verschillende, althans fysiek verschillende, manifestaties van eenzelfde geest. Hieruit kan de angst van bepaalde zogenaamde primitieven worden verklaard om gefotografeerd te worden. Maar ook nu nog kun je mensen horen zeggen dat zij het gevoel hebben dat er iets van hen wordt afgenomen, met name als zij zonder toestemming te geven, worden gefotografeerd. De fotografie heeft de primitiefste relatie waarbij beeld en object samenvallen in ere hersteld, zegt Susan Sontag. Maar er is wel verschil met het primitieve besef. Nù bestaat de neiging om aan werkelijke dingen de eigenschappen van de afbeelding toe te schrijven. ‘Het was net een film”, is een uitspraak die moet bevestigen hoe realistisch iets wel was. En als een zonsondergang niet die van een foto evenaart dan zij wij gemakkelijk teleurgesteld.

Het almachtige beeld

Het beeld, de fotografische afbeelding, heeft een ongekend ontzag in onze samenleving. Verbied de fotografie en bijna elke toerist zal krankzinnig worden, de pornobusiness zal kelderen, de meeste kranten en tijdschriften zullen verdwijnen, en we hebben een belangrijk politiek controle- en manipulatiemiddel minder. De invloed en de agressiviteit van de fotografie is enorm, maar wat betekenen die beelden nu eigenlijk? 

Susan Sontag: ‘De hoogste wijsheid die je over een fotobeeld kunt zeggen, is: Hier heb je de oppervlakte. […] Strikt genomen kun je via een foto nooit iets begrijpen. […] De beperktheid van een fotografische kennis van de wereld ligt hierin dat zij nooit ethisch of politiek kan worden, al is zij in staat het geweten te prikkelen. De kennis die via foto’s wordt vergaard, zal altijd een soort sentimentalisme zijn, of het nu cynisch is of humanistisch. Het zal kennis voor een koopje zijn, een schijnkennis, een schijnwijshied, zoals de daad van fotografie een schijnovermeestering, een schijnverkrachting is.’ 

Gisèle Freund, zelf fotografe, drukt zich in haar boek Photographie und Gesellschaft wat minder fel uit. De objectiviteit van een foto is een illusie, zegt zij. De macht van het beeld ligt in de directheid en daarin schuilt tevens het gevaar. Zij komt dan met het voorbeeld uit L’Express waarin éen fotoserie over de Hongaarse opstand twee keer, met verschillende onderschriften, werd afgedrukt om te laten zien hoe je een volslagen tegengesteld beeld kunt oproepen. Als je eenmaal oog voor dit soort manipulaties krijgt dan zie het gevaar en de nep overal.

Tegengif en ziekte

Maar deugt er dan werkelijk niets? Natuurlijk wel, maar fotografie blijft altijd iets dubbelzinnigs houden. Zij is tegelijkertijd tegengif en ziekte. Neem nu de geëngageerde fotografie en de reportagefotografie.

Susan Sontag: ‘Foto’s kunnen geen morele standpuntbepaling creëren, maar ze kunnen die wel versterken, en ze kunnen meehelpen een ontkiemende mening verder te ontwikkelen.’ Wat een foto je doet, staat of valt met de aanwezigheid van een relevant politiek bewustzijn, maar ook met de mate waarin je met die beelden vertrouwd bent. 

On photography

Met betrekking tot dit laatste wijst Susan Sontag op het immuniserende effect van foto’s.  Zij trekt dan ook de volgende conclusie waarmee de ellende-fotografie wel wat van haar humaniserende karakter moet inleveren: ‘In de laatste decennia heeft de geëngageerde fotografie minstens zoveel gedaan om het geweten af te stompen als om wakker te schudden.’  Maar niet alleen het immuniserende effect is daar schuldig aan maar ook het esthetiserende effect van foto’s, waar ik in het begin al op heb gewezen. ‘[…] de esthetiserende tendens van de fotografie is zo sterk dat hetzelfde medium dat verontrusting teweegbrengt, die ook weer neutraliseert.’

Susan Sontag geeft een tamelijk zwartgallige kijk op fotografie, in ieder geval op wat er in de loop van jaren met de fotografie is gebeurd. Zij wil laten zien dat een revolutionaire uitvinding die gevolgen had voor onze opvattingen over kunst en wijze van kijken en die nu door een gigantische industrie wordt opgeklopt, met het nodige voorbehoud moet worden bekeken. Met haar intelligente boek is zij erin geslaagd om in ieder geval bij mij dat nodige voorbehoud op te wekken.

(1980)

In Memoriam: Nicoline Meiners 1942 – 2017

Rede uitgesproken op de afscheidsbijeenkomst van Nicoline Meiners op 4 maart 2017 in Schuilkerk de Hoop in Diemen door Ineke van Mourik. 

Meiners 2Als ik aan Nicoline denk, denk ik aan boeken. Veel boeken en overal: in haar kelder, haar huis, haar winkel en in andere voor het publieke oog verborgen opslagruimten. Door haar kwam ik in een rijke antiquarische vrouwenboekenwereld.

Ik weet niet meer precies wanneer ik haar voor het eerst ontmoette, de vrouw die door Ischa Meijer in een interview met haar ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van Lorelei in 1991, de antiquarioniste werd genoemd. Ik denk eind jaren zeventig begin jaren tachtig toen ik vanuit Nijmegen en werkzaam in boekhandel de Feeks vanwege de liefde en feminisme vaak in Amsterdam kwam. Nicoline’s winkel op de Prinsengracht was behalve een schatkamer van bekende en onbekende werken een ontmoetingsplaats. Nicoline troonde achter een tafel met haar kaartenbakken en op de tafel stond een ouderwetse theepot op een lichtje. De theepot, een  leunstoel en tafeltje met schemerlamp in de hoek, kwamen uit de erfenis van haar tante Annie. Daardoor kreeg de winkel een nog groter antiquarisch cachet.

Lorelei

Nicolione’s gehechtheid aan haar boeken was groot, zeker als het een bijzonder exemplaar betrof. Zo was ik begin jaren tachtig op zoek naar het subversieve S.C.U.M – manifest van Valerie Solanas en zij bleek dat thuis te hebben. Op een middag bracht ik haar een bezoek en we zaten op haar balkon thee en daarna wijn te drinken. Elke keer probeerde ik het gesprek op het S.C.U.M-manifest te brengen maar handig ontweek zij het onderwerp door enthousiast over andere boeken te vertellen. De aanhouder wint: uiteindelijk haalde zij het beruchte boekje tevoorschijn en heeft zij het met frisse tegenzin aan me verkocht.

Later toen ik werkzaam was als bibliothecaris bij het IIAV (nu Atria) gingen we een aantal keren samen haar opslagruimten in (op diverse plekken in de stad) om uit de door haar verzamelde schatten een selectie te maken voor onze collectie. Dat ging altijd gepaard met enorm (terecht) gemopper over de catalogus. Zo werd zij ook enigszins de schrik van diverse medewerksters toen ik haar had gevraagd de noodzakelijke correcties in de catalogus aan te brengen. Zij was een dwarse perfectionist, maar met een vurig feministisch hart. Zij heeft prachtige oude boeken, tijdschriften en pamfletten verkocht en geschonken aan het instituut.

In het interview met de soms treiterige Ischa (ze waren duidelijk aan elkaar gewaagd want zij heeft hem onder de tafel ook nog geschopt) zegt zij na een vraag van Ischa over hoe het eigenlijk met de vrouwenbeweging gaat: ‘Zolang ik er ben, is er niets aan de hand.’

De antiquarioniste is er niet meer en ook haar winkel is verdwenen, maar zo lang wij haar gedenken is zij er en leeft haar boekenziel voort.

Meiners

Elk mens sterft twee maal

Als we ter hoogte van Xantippe fietsen over de zonnige of regenachtige Prinsengracht

denken wij aan haar.

Als de geur van oude boeken en vochtige pamfletten onze neuzen prikkelt

denken wij aan haar.

Als de Lorelei in onze oren zingt

denken wij aan haar

Als we strijden voor rechtvaardigheid voor vrouwen wereldwijd

denken wij aan haar.

Als we de vrolijkheid in de rondborstige kunst van Nikki de St. Phalle zien

denken wij aan haar.

Als we denken aan de literaire salons waar onze geest werd geprikkeld

denken wij aan haar.

Als we iets goed kunnen doen door wat zij ons leerde

denken wij aan haar

Zolang wij leven blijft zij leven,

Zij is een deel van ons, zolang wij haar herdenken

 

Bij zonsopgang en zonsondergang

denken wij aan haar.

Bij het waaien van de wind, in de kou van de winter

denken wij aan haar.

Bij het openspringen van de knoppen in de lente,

denken wij aan haar.

Onder de blauwe hemel, in de hitte van de zomer

denken wij aan haar.

Bij het ritselen van de bladeren, in de schoonheid van de herfst,

denken wij aan haar.

Wanneer het jaar begint en wanneer het eindigt

denken wij aan haar.

Zolang wij leven blijft zij leven,

Zij is een deel van ons, zolang wij haar herdenken

(Variant van joods gedicht)

Zie ook: De getijden van Nicoline Meiners, een boekje dat gemaakt is na haar overlijden met de speeches op de afscheidsbijeenkomst en meer informatie over Nicoline en haar antiquariaat Lorelei. Aanwezig in de collectie van Atria www.atria.nl

 

 

LOVER 40 jaar: van papieren tijger tot online journalistiek

Toespraak bij het 40-jarig jubileum van LOVER op 26 oktober 2014 in de Vondelbunker te Amsterdam door Ineke van Mourik (oud redactielid).

Terwijl niet zo ver van ons vandaan een heftige oorlog woedt die je ook zou kunnen omschrijven als een oorlog van het ‘vrouwelijke’ principe dat leven heet (democratie, autonomie van vrouwen – de Koerden) tegen een doorgeslagen ‘mannelijk’ principe dat dood heet (IS en hun fascistische totalitaire ideologie), bevinden wij ons in een land dat sinds 1945 vrede kent, en vieren wij feest in een bunker, de Vondelbunker. Hoe ironisch. Oorspronkelijk een schuilkelder, later in de jaren zestig was dit een vrijplaats voor softdrugs en alles wat maar alternatief was.  Het siert Lover dat wij hier op deze grassroot plek ons historisch feest vieren.

Lover bestaat 40 jaar en het was geen tocht door de woestijn die nu is geëindigd in het beloofde land, want we zijn nog steeds op weg naar samenlevingen die vrouwen wereldwijd gelijke kansen, waardigheid en autonomie moeten bieden.

Lover bestaat 40 jaar en ik ben trots op deze mijlpaal en ik ben trots op al die vrouwen en mannen die het tijdschrift en nu de website tot een belangrijk podium van de feministische beweging hebben gemaakt.

In het begin van de jaren zeventig en in de daaropvolgende jaren verschenen talloze tijdschriften en tijdschriftjes, er waren vrouwenboekhandels, café’s, vrouwenhuizen en het feministische actiewezen en de feministische cultuur van vrouwenvoetbal tot vrolijke vrouwenfestivals bloeide. Er bestond een uitgebreide subcultuur die eind jaren tachtig, begin jaren negentig langzaam verdampte of werd opgenomen in de zogenaamde mainstream van politiek en instituties.

Was dit het teken van ‘de dood van de feminist’? De ironische titel van deze feestelijke gebeurtenis. De tegenstanders van het feminisme hoopte daar al lang op maar met het feminisme gaat het net zo als met God. De atheïsten willen wel dat hij dood is of gaat, maar het bestaan ervan is hardnekkiger dan zij hoopten. God is onsterfelijk omdat mensen hem in leven houden of in leven willen houden. Het feminisme is hetzelfde lot beschoren en heeft de wonderlijke eigenschap om na een periode van inkeer weer met hernieuwde energie te reïncarneren.

LOver2

In 1974 verschijn de eerste Lover. Het was de bedoeling om door middel van samenvattingen en besprekingen van publicaties uit alle hoeken van de vrouwenbeweging een breed overzicht te geven van de feministische cultuur. Lover, sloeg op LiteratuurOVERzicht en was niet een nieuw pornoblad zoals menigeen dacht en hoopte.

Van korte signaleringen ontwikkelde Lover zich naar een tijdschrift met meer artikelen en analyse. Ik woonde in die tijd in Nijmegen, studeerde er ortho-pedagogiek maar verdiepte mij toen al enthousiast in de feministische literatuur. Ik was een echte bureau-feministe maar al snel ontstond het eerste initiatief: de oprichting van een vrouwenavond (dat werden de beruchte woensdagavonden bij Dien) in ons stamcafé La Paix. Daar dronken we (teveel), we discussieerden (veel), er werd geflipperd en nieuwe liefdes bloeiden en verwelkten. Pas een aantal jaren later, in 1977, zou ik samen met andere vrouwen de vrouwenboekhandel, café en documentatiecentrum De Feeks oprichten.

In 1974, ten tijde van de oprichting van Lover waren we nog pril en onbezonnen en bezochten homocafé’s omdat die de vrijhavens waren voor onaangepast gedrag. De feministen waren op een hand te tellen en er was er een die mijn geliefde was. Zij was journaliste en had contact met de Loverredactie en door haar belandde ik bij Lover waar ik in het begin de Tijdschriftenoverzichten samenstelde. Spoedig belandde ik in de tekstredactie, ging zelf ook schrijven (met veel bloed zweet en tranen en de hulp van Ria van Hengel, een mederedactielid) en maakte tot 1981 deel uit van de redactie. Later zat ik nog tot in de jaren negentig in de redactie van Lust & Gratie.

De redactieleden van het eerste uur waren vrouwen uit het hele land en een man, Jeroen de Wildt, medeoprichter van Lover (voortgekomen uit een initiatief van MVM). Wij vergaderden een keer per maand in Utrecht in de Heksenkelder. Deze vergaderingen waren voor mij altijd nauw verbonden met bezoek aan de boekhandel en café (de Heksenkelder was de eerste feministische boekhandel annex café in Nederland) Na de vergadering bleef ik meestal tot ver in de nacht aan de bar hangen. Ik geloof dat ik daar in de boekhandel en aan de bar mijn inspiratie heb opgedaan om later in 1977 ook in Nijmegen zoiets dergelijks op te richten.

De eerste jaren werd Lover nog ambachtelijk in het Vrouwenhuis te Amsterdam in elkaar geplakt en ik weet nog dat ik dat een keer omdat degene die dat normaal deed, Robertine Romeny, ziek was, deze taak kreeg toebedeeld. De verlokkingen van het Vrouwenhuis waren erg groot en ik zie mij nog aangeschoten en bloednerveus het blad in elkaar plakken.

Op de vergaderingen verdeelden we de taken en vervolgens werd er thuis gewerkt. Ik woonde op een kamer en de telefoon op de gang was mijn poort naar buiten. Staande, met de telefoon in de hand en mijn papieren op een schuin plankje moest ik de stukken met auteurs doornemen. Later kwam er een eigen telefoon. Those were the days .

Ik begon te schrijven en dat waren in het begin vooral stukken, artikelen over verkrachting, incest, en pornografie. Daarvoor moest ik veel lezen en ik ontdekte op een gegeven moment dat dat mij langzamerhand begon te vergiftigen. Ik kon aan niets anders meer denken en zag overal seksueel misbruik. Vanaf het moment dat ik in elke vader met kind op schoot in de trein een perverseling ging zien, begon ik het roer om te gooien.

Lover3Ik wilde de nadruk leggen op het positieve in de vrouwenbeweging, wijzen op interessante boeken of personen die ons verder zouden brengen. Kortom ik werd meer een culturele feministe dan een politieke of activistische ook al deed ik wel mee aan demonstraties en ondersteunde ik acties.

Lover bood een goed podium om vrouwen uit te nodigen ook te gaan schrijven over onderwerpen die niet alleen maar kommer en kwel waren. Omdat we zo breed georiënteerd waren, was er zelden onenigheid over de artikelen. Ik herinner me maar een onaangename aanvaring toen de redactie besloot om bij een interview met Andreas Burnier een waarschuwend commentaar te zetten en te wijzen op een komende reactie.

Weer later kreeg Lover een meer wetenschappelijke kleur naarmate er meer vrouwen van vrouwenstudies in de redactie kwamen. Maar daarover kan Christine Franken meer vertellen.

Toen ik dit praatje aan het voorbereiden bespeurde ik bij mijzelf een lichte weerzin om 40 jaar terug te gaan. Niet omdat het niet belangrijk is, maar het is voor mij, zij het op een iets andere manier, verleden. Ik heb ervan geleerd, ik heb geen nostalgische gevoelens ook al vertel ik af en toe graag een anekdote uit die tijd. Het heeft te maken met hoe ik naar mijzelf kijk. Ik ben weliswaar gevormd door de Tweede Golf, ik heb er zelf deel van uitgemaakt, maar de ontwikkeling gaat door. Ik ben evengoed deel van de Derde Golf omdat ik in deze tijd leef. Dit heeft ook te maken met een sterk gevoel voor continuïteit dat ik in mij draag.

Wij staan op de schouders van eigenzinnige individuen die ondanks tegenwerking en niet gesteund door een vrouwenbeweging de weg hebben bereid. Kunstenaars als Berthe Morisot, Camille Claudel en Georgia O’Keefe. Schrijfsters als Kate Chopin, George Elliot, denkers als Mary Wollstonecraft, Simone de Beauvoir en nog vele anderen.

We staan op de schouders van het collectief van vrouwen van de Eerste Golf en Tweede Golf en bouwen zo voort aan een wereldwijde, globale beweging van rechtvaardigheid, gelijkwaardigheid, gelijkheid en autonomie.

LOVER

Het verleden is om van te leren, om de verhalen te kennen, om te behouden wat goed was, om te laten sterven wat nu niet meer bruikbaar is, te veranderen wat niet meer in de tijd past en nieuwe visies te ontwikkelen. Het is een eeuwige evolutie, een geweldloze revolutie. Daarom is het zo bijzonder dat Lover zo lang bestaat en zich van papieren tijger heeft ontwikkeld tot online journalistiek podium.

De feminist is dood, leve de feminist, leve Lover!

Kill the Widow

images-3Op 17 november 2015 was er in de Rode Hoed een Hommage aan Andreas Burnier vanwege het verschijnen van Burniers biografie, Metselaar van de wereld, door Elisabeth Lockhorn en Ruiter in de wolken. Joodse essays 1990-2002 door Andreas Burnier en bezorgd uit haar nalatenschap door Manja Ressler en Daniel van Mourik. Op die avond sprak Daniel van Mourik de volgende column uit.

 

 

Kill the Widow

Wij, weduwvrouwen van beroemde en bekende mensen zijn niet populair en als je leest wat Jeroen Brouwers ooit over Mieke Vestdijk, de weduwe van de grote Vestdijk, schreef dan gaat er een put van seksisme en ronduit vunzige praat open. Als er iets is dat de benepenheid en kleinheid van een groot schrijver illustreert dan zijn het wel deze uitspraken.

Ondertussen is MiekeVestdijk wel in ere hersteld o.a. door Martin van Amerongen (De Groene 5 juli 1996) , maar toch blijft dit beeld nazinderen:

De kunstenaarsweduwe slaapt in en staat op met het rode potlood achter haar oortjes. Daarmee schrapt zij elke verwijzing naar mogelijke buitenechtelijke verhoudingen of vergelijkbaar wangedrag uit de biografieën. Wat waren zij lastig, de weduwe Orwell, de weduwe Tucholsky, de weduwe Vian, de weduwe Van Randwijk en de weduwe Achterberg!, schrijft Van Amerongen. Zij zaten met hun onbestorven achterwerk op de documenten en weerden zich vrouwmoedig tegen de boze buitenwereld. Jammer (dachten de biografen) dat zij met alle geweld hun echtgenoot wensten te overleven. ‘Kill the widow’, sprak Wam de Moor, sprekend over de biografische problemen, terwijl de weduwe Vestdijk op de eerste rij zat.

Ja, schrijft Van Amerongen, na Vestdijks overlijden bleek Mieke Vestdijk een lastig mens te zijn: voor de Vestdijkvlooien die geen grenzen kenden. Ondertussen stimuleerde zij de heruitgave van de romans, stelde zij een bundel poëzie samen, bezorgde zij een boek over de opera Merlijn en schreef zij een deelbiografie over Vestdijks laatste jaren. Haar credo staat op de laatste bladzijde: ‘Laat mij me maar bezighouden met een goede verzorging van de diverse uitgaven en de bevordering van de bekendheid van Simons werk.’
Dit zijn de woorden, zegt Van Amerongen van een vrouw die besloten heeft een artistieke erfenis zo gewetensvol mogelijk te beheren, niet meer en niet minder.

Van Amerongen had gelijk. Daar gaat het over: het gewetensvol beheren van een artistieke nalatenschap.

Leve de biograaf!

Waarde biograaf, lieve Elisabeth, de biografie die je hebt geschreven over Andreas is vers van de pers en jarenlang hebben wij met elkaar gesproken over alle aspecten van haar leven. Juist het spreken over iemand die er niet meer is, is een gewetensvolle aangelegenheid.

Als partner ging ik vervolgens zelf ook door proces van introspectie op het moment dat je mij je vragen stelde. Ik was betrokken bij een groot deel van Andreas’ leven. Dertig jaar waarvan ik twintig jaar met haar samen was.

Hoe vaak heb jij niet te horen gekregen: ‘als het maar geen hagiografie wordt’. Want schaduw moet er zijn, anders word je al voordat er een woord is geschreven niet serieus genomen. En dat is terecht. Er is geen mens die geen schaduw heeft, maar dat is niet het punt. Het punt is hoe je erover schrijft. Hoe beschrijf je pijnlijke en moeilijke periodes of karaktereigenschappen, de dynamiek tussen partners, ouders en kinderen. Hoe liefdevol en meedogend ben je als je je in het leven van iemand anders verdiept. Hoe oordelend, veroordelend, genadeloos, of sensatiebelust. Daarom is het schrijven van een biografie zo buitengewoon moeilijk. Als schrijver van fictie heb je de vrijheid om meedogenloos autobiografisch te zijn en je hele hebben en houwen op je romanpersonages te projecteren, maar een biograaf moet worstelen met het leven van haar onderwerp en met haar eigen leven. Zij bewandelt de dunne lijn van afstand en betrokkenheid.

De weduwe speelt een belangrijke rol, want zij zit inderdaad met haar onbestorven achterwerk op de documenten, en zij kan met het rode pennetje correcties aanbrengen. Wat opvalt in de verhalen over de weduwe (bestaan er eigenlijk wel weduwnaren behalve Ted Hughes?) dat er nooit gesproken wordt over het feit dat de weduwe ook de biograaf moet verdragen. Een publieke persoon heeft haar of zijn werk aan de wereld geschonken, maar een biograaf die meent recht te hebben op het hele leven van die persoon, of haar of zijn interpretaties van dat leven dwingend oplegt aan de lezers, gedraagt zich eigenlijk net zo als de door, meestal hem, verguisde weduwe. Kill the biographer als variant zou in het geval van Mieke Vestdijk misschien niet zo gek zijn geweest.

Lieve Elisabeth, ik hoop dat ik voor jou niet de persoon ben geweest die als een brok graniet voor het leven van Andreas ben gaan staan, maar iemand die zelfs in de schaduw het positieve kan zien, of in het positieve de schaduw. Zoals de zwarte en witte punt in het Yin-Yang teken. En ja, het is de taak van de weduwvrouw om lastig te zijn, daar is niets mis mee. Ik dank je dat je mijn heftigheid in het allerlaatste moment van het proces terwijl je zelf ook op je tandvlees liep, hebt kunnen verdragen.

Ik heb gedurende het hele proces gezien dat je met een kritische blik maar altijd met liefde en mededogen het leven van Andreas hebt beschreven. Dat je over toppen en door dalen bent gegaan. Dat je als een terriër hebt volgehouden deze toch eenzame arbeid (ondanks alle hulp) te volbrengen. Je was meer dan een te verdragen biograaf.

Dat je Andreas een leven na haar dood hebt gegeven in de vorm van deze prachtige biografie, daar ben ik je oneindig dankbaar voor.

Leve de biograaf!

Lechaim op Andreas in de Hemelse Academie!

De erotiek van Anna Blaman

Eerder gepubliceerd op 12-7-2010 op de blogsite van Aletta door Ineke van Mourik (bibliothecaris).

images-8

‘Haar benen lang en glad – zij lacht en ligt
loom achterover – ik zie hoe diep en ver de lijnen
van haar benen zijn en denk eraan met afgewend gezicht’

In 1948 verschijnt Anna Blaman’s roman Eenzaam avontuur en ogenblikkelijk breekt een literaire rel uit vanwege de (weliswaar schaarse) homo-erotische passages. Wie nu in de romans van Blaman op zoek gaat naar deze homo-erotiek zal zwaar worden teleurgesteld, maar destijds was Nederland nog zwaar doortrokken van religieus moralisme en het is altijd verbazingwekkend om te zien hoe moralisten zelfs subtiele literaire passages kunnen opblazen tot uitingen van decadentie en verderf.

In het oeuvre van Blaman vinden we ook lesbische gedichten zoals bovenstaande regels uit het gedicht ‘Vrouwen’. Maaike Meijer schrijft hierover in het hoofdstuk ‘Lezen als lesbo’ in haar proefschrift De lust tot lezen:
‘Vanwege het grote taboe op het lesbische, de uitsluitend negatieve beeldvorming, en het ontbreken van ontmoetingsplaatsen was de meest fundamentele ervaring van elke lesbienne er een van diepe eenzaamheid. Het vinden van een partner was zeer moeilijk en vele vrouwen hebben geleefd in verhoudingen zonder seks. Lesbisch zijn was bijna synoniem aan voortdurend afgewezen worden: dat is de context van Blamans lesbische gedichten.’

 

Maar dat Blaman in deze context dit soort gedichten schreef is al balsem voor elke lesbo-ziel. En wie (ho of he) deze zomer haar briefwisseling met Emmy van Lokhorst en Sonja Witstein, Ik schrijf het je grof-eerlijk, gaat lezen, leest brieven van een vrouw die interessant, erudiet en inderdaad grof-eerlijk is in haar ontboezemingen over de liefde. Enkele passages:
‘In wezen heb ik zo’n smachtende natuur dat ik me al zou kunnen branden aan een vrouw als ik haar ternauwernood zou aanraken – Daartegenover heb ik een soort vrijgezellen-instelling van waaruit ik mijn eenzame vrijheid evenwichtig handhaaf en geestelijk probeer uit te buiten.’

images-9

Ook over haar verhouding met Marie Louise Doudart de la Grée en de worsteling om hiermee om te gaan schrijft zij openhartig in een brief aan Emmy van Lokhorst:
‘Als ik je schrijf dat ik in feite zo weinig liefde heb gehad bedoel ik zeker niet dat ik te weinig genegenheid zou hebben ondervonden; in dat opzicht voel ik me soms een zondagskind. Maar wat de erotiek in z’n sensuele vorm betreft, weinig heb ik gekregen en veel heb ik afgewezen. Hierin vind ik mezelf nogal gecompliceerd. Het kansje in Zeist (Marie Louise Doudart de le Grée – IvM) heeft dus zuiver betrekking op mijn verlangen naar sensuele erotiek. Het eigenaardige is echter, en dat heb ik je weleens, geloof ik, gezegd of geschreven, een erotische zwelgpartij vindt ogenblikkelijk zijn reactie in een verlangen naar ascese. Misschien berust toch wel mijn homosexualiteit op een sterke moederbinding, zodat de wellust die een vrouw in mij kan opwekken een symbolische bloedschennigheid betekent – Maar ik weet het werkelijk niet, Emmy, ik voel mijn diepste driften heel mijn leven al als zoveel raadsels. Ik hoop dat oud genoeg word om me daarin nog eens meedogend te verdiepen.’

O, had Anna maar langer geleefd, dan hadden we ons in die Freudiaanse bloedschennige moederbinding en de raadselen nog eens meedogend kunnen verdiepen. Anna Blaman stierf op 13 juli 1960 op 55 jarige leeftijd. Vandaag is haar vijftigste sterfdag en het hele verdere jaar wordt dat herdacht in Rotterdam waar zij woonde en werkte. Het huis waar zij woonde met haar moeder, zus en zwager krijgt een gedenkplaat en elders in de stad komt een beeld van een Harley Davidson waar zij altijd op reed. Op de site annablaman.com kun je meer vinden over de activiteiten en ook Blamans stem horen.
Andreas Burnier merkte ooit op, dat een sterfdag eigenlijk de geboortedag aan de andere zijde is. Dat vind ik mooi opgemerkt. Want dat betekent dat 13 juli ook een feestdag is.

Selectie uit de collectie van Aletta/Atria
Anna Blaman, Over zichzelf en anderen ; poëzie, artikelen en lezingen
Corrie Lühr, Mijn zuster Anna Blamanboek
Henk Struyker Boudier, Speurtocht naar een onbekende : Anna Blaman en haar ‘Eenzaam avontuur’
Aad Meinderts (red)/Anna Blaman, Ik schrijf het je grof-eerlijk : briefwisseling met Emmy van Lokhorst en Sonja Witstein
Anna Blaman, Ontmoeting met Selma (1943) in: Xandra Schutte (red) Damesliefde

Lees ook mijn andere blog over Anna Blaman: Anna Blaman en haar Harley-Davidson

Sites
www.annablaman.com
http://nl.wikipedia.org/wiki/Anna_Blaman
http://www.dbnl.org/auteurs/auteur.php?id=blam001
Maaike Meijer, Lezen als lesbo Hoofdstuk 8 uit De lust tot lezen
http://www.dbnl.org/tekst/meij017lust01_01/meij017lust01_01_0011.php

Violette: een woestijn in monologen

Eerder gepubliceerd op 21-1-2014 op de blogsite van ATRIA – Kennisinstituut voor emancipatie en vrouwengeschiedenis door Ineke van Mourik (bibliothecaris).

images-6

‘Ik ben een woestijn die alleen in monologen kan spreken’, zegt Violette Leduc tegen Simone de Beauvoir in de film ‘Violette’. Een film over een unieke en complexe vrouwenvriendschap in een literaire, door mannen gedomineerde wereld in het Parijs van voor en na de Tweede Wereldoorlog.

Violette Leduc en Simone de Beauvoir
Vorige week heb ik na het zien van de film ‘Violette’ een kaars aangestoken om Violette Leduc te eren en te herinneren zoals je dat doet bij een dierbare overledene. Leduc behoort voor mij bij de grote Franse schrijvers. Zij maakte met haar boeken ‘ De bastaard’ en ‘Thérèse en Isabelle’ al in de jaren zeventig van de vorige eeuw een onuitwisbare indruk op mij door haar geheel eigen, onverbloemde en prachtige wijze van schrijven. Violette Leduc had een uniek talent dat onmiddellijk door de toen al beroemde Simone De Beauvoir werd gezien. Zij stimuleerde het schrijverschap van Leduc, deed buitengewoon veel moeite om haar werk onder de aandacht van uitgevers te brengen en hielp haar financieel.

In de film ‘Violette’ laat de regisseur Martin Provost dit mentorschap van de Beauvoir op indrukwekkende wijze zien. ‘De Beauvoir is vaak veroordeeld, maar ik wilde nu eens die formidabele kant van haar laten zien; hoe zij een andere vrouw min of meer geschapen heeft. Buitengewoon is het. Violette was heel erg alleen. Die eenzaamheid zocht ze ook deels, maar als ze echt alleen was gelaten, was ze nooit tot schrijven in staat geweest, denk ik. Ik denk dat De Beauvoir voor Violette als een vader was. Ze hield precies de juiste afstand. Ze bleef haar stimuleren. Niemand doet dat meer nu. Terwijl zo’n mentor voor een kunstenaar heel belangrijk is; de uitgever, de verzamelaar. En over die relatie wordt zelden gesproken. Dat wilde ik laten zien.’ (interview Volkskrant 8/1/2014)
Maar de film is meer: Provost vlecht in zijn verhaal ook de verhouding van Violette en haar moeder.

‘De tweede sekse’ van De Beauvoir is een mijlpaal in de geschiedenis van de vrouwenbeweging, maar als De Beauvoir alleen bekend was geworden vanwege het feit dat zij de drijvende kracht achter het succes van Leduc was dan was dat voor mij al voldoende geweest om haar de hemel in te prijzen.

Thérèse en Isabelle

images-7In 1985 verschijnt bij de feministische uitgeverij Sara te Amsterdam in de Serie Moderne Klassieken ‘Thérèse en Isabelle’. Een boekje dat in 1965 voor het eerst verscheen in Frankrijk, en in 1969 voor het eerst in Nederland verscheen bij Bruna. De tekst maakte oorspronkelijk deel uit van het boek ‘Ravages’ dat in 1955 geamputeerd verscheen. De erotische passages die Leduc schreef werden gecensureerd door de uitgever. Leduc zelf voelde zich mishandeld en dat wordt in de film op een heftige wijze in beeld gebracht. Opmerkelijk was deze censuur in het Parijs van die dagen waar mannen zich literair erotisch konden uitleven op een voordien ongekende manier.

O, la, la, les femmes, maar zij moesten zich wel aanpassen aan de geest van de tijd. Of zoals Leducs uitgever Gaston Gallimard opmerkte: ‘Men zal het haar niet vergeven dat zij een vrouw is en over mannen en de liefde spreekt zoals tot nu toe alleen mannen over vrouwen spreken.’
Maar dat was het niet alleen want de bi-seksuele Leduc had nog meer noten op haar zang. In ‘Thérèse en Isabelle’ beschrijft zij op onnavolgbare wijze de liefde tussen twee meisjes op een kostschool. Ineens weet ik waarom ik weerstand voel om naar de film ‘La Vie D’Adèle’ te gaan. De lange film met zijn langdurende expliciete seksscènes die menigeen verrukken of waarvoor mensen de zaal uitlopen. Is het zo onverdraaglijk te zien dat seksualiteit tussen vrouwen in zichzelf voldoende kan zijn? Dat die seksualiteit geen gemankeerde seks is zoals het volksgeloof graag wil zien? Ik zou zeker niet de zaal uitlopen, maar wat weerhoudt mij dan? Ik houd van observeren maar in mij schuilt geen voyeur van het expliciet tussenbeense. Ik houd van de parallelle wereld die door taal of beeld wordt opgeroepen, of waar die parallelle wereld een verwijzing naar is. Een wereld die alle zintuigen aanspreekt. Deze wereld blijft verborgen bij expliciete seksscènes.

In Thérèse en Isabelle weet Violette Leduc die zinnelijke wereld en parallelle wereld op te roepen in een weergaloze taal. Je wordt meegenomen, blijft geen afstandelijke voyeur, maar verdwijnt zelf in het verhaal, in de taal. In de film zegt Leduc ‘ Ik ben een woestijn die alleen in monologen kan spreken.’ Maar het wonderlijke is dat zij door die monologen met mij de lezer, een verbinding aangaat. Hoe paradoxaal kan het leven zijn.

In 1985 schreef ik een inleiding bij het boekje ‘Thérèse en Isabelle’ dat toen bij uitgeverij Sara verscheen. Ik herlees de inleiding en passages uit het boek. Leduc was een eenzame voorloopster, een unieke vrouw met een pen van laaiend vuur. ‘Haar openheid was een schandaal’, vertelt de regisseur van de film, Martin Provost, in het interview in de Volkskrant.
Ik steek een kaars voor haar aan en bedank haar postuum voor haar oeuvre waarmee zij mede dankzij de steun en vriendschap met De Beauvoir de wereld verrijkte.

Scan

Van Bron van eenzaamheid tot Gay Canal Parade

Eerder gepubliceerd op 4-8-2013 op de blogsite van ATRIA – Kennisinstituut voor emancipatie en vrouwengeschiedenis door Ineke van Mourik (bibliothecaris).

images-3

In 1928 verschijnt het beroemde, beruchte, verboden, verguisde, en bewonderde boek The Well of Loneliness (Bron van eenzaamheid). Het boek werd dankzij rechtszaken in Engeland en de Verenigde Staten in Nederland en vele andere landen vertaald, veel gelezen en op salontafeltjes gelegd als stilzwijgende code om de bezoekster duidelijk te maken dat de gastvrouw wellicht lesbische belangstelling had. De schrijfster: Marguerite Radclyffe Hall of kortweg Radclyffe Hall.

Ladies Almanack
In hetzelfde jaar schrijft en illustreert Djuna Barnes in Parijs, de toenmalige vrijstaat van vrijdenkende kunstenaars en schrijvers, haar Ladies Almanack dat in eigen beheer en onder een schuilnaam werd uitgegeven. Het verhaal leidde een ondergronds bestaan tot 1972. Toen gaf Barnes zelf toestemming tot herdruk. Ladies Almanac, geschreven in anachronistisch Engels verscheen in 1990 bij de feministische uitgeverij Furie in de prachtige vertaling en met een mooi en verhelderend nawoord van Martha Vooren.

images-5

Djuna Barnes, was van oorsprong Amerikaanse en woonde sinds de jaren twintig van de vorige eeuw in Parijs. Zij bestreed daar de censuur o.a. die tegen The Well of Loneliness was gericht. Waar de Well doordrenkt is van de medische (Havelock Ellis e.a.), psychologische en sociologische terminologie van die tijd waarin de homo’s congenitaal geïnverteerden werden genoemd, hanteerde Barnes een heel eigen speels taalgebruik. De spil van het lesbische leven in Parijs was Nathalie Barney met haar Temple de l’ Amitié in de tuin van de Rue Jacob 20. Hier geen getob en getheoretiseer over het lesbische als afwijking. Het lesbische leven was vol vreugdevolle creativiteit en de normale relatieperikelen van een geleefd lesbisch leven. In de Almanack is Barney dame Evangeline Musset en de diverse vriendinnen komen onder de meest fantasierijke namen de Almanak binnen wandelen:

‘Onder de Dames van wie wij schrijven waren twee Engelsen. De een was van Adel en heette Lady Buk-en-Balk, de ander niet en zij heette gewoon Tillie Tweed-in-’t-Bloed. Lady Buk-en-Balk was uitgerust met een Monocle en zij geloofde in geesten. Tilly Tweed-in-’t-Bloed was uitgerust met een Herenhoed en zij geloofde in het Huwelijk.’

Terug naar de Bron van eenzaamheid

Bron van eenzaamheid
Wie in 1928 probeerde een exemplaar van de Bron in handen te krijgen en daarbij dacht een hoogst erotische roman in handen te krijgen, heeft zich wellicht bekocht gevoeld. Voor de erotiek kon je je beter in de salon van Nathalie Barney en haar gezelschap wagen, maar de Radclyffe Halls boek is wel een monument in de lesbische literatuurgeschiedenis en in de geschiedenis van de censuur. Het boek is ook een pleidooi voor het dameshuwelijk. De hoofdpersoon, Stephen Gordon, is een mannelijke ‘congenital sexual invert’ uit de hogere klasse. Freud beschouwde homoseksualiteit als uiting van een gestagneerde ontwikkeling en de theorieën van de seksuologen zou je, in het licht van die tijd, kunnen zien als een kleine vooruitgang.
De ‘female invert’ had een masculine ziel, gesymboliseerd in de persoon van Stephen Gordon die veel trekken vertoont van de schrijfster zelf die door haar geliefde John werd genoemd. Hall gebruikte in haar boek niet alleen de voor die tijd progressieve theorieën van de seksuologen maar ook haar religieuze visie: God heeft de seksueel geïnverteerden geschapen en daarom moet de mensheid hen accepteren.

Van zo’n opmerking kan zelfs nu de katholieke kerk nog wat leren. In Frankrijk, waar grote oppositie is tegen het net toegestane homohuwelijk, heeft de aartsbisschop van Lyon en enorm staaltje van akelige retoriek tentoongespreid: homoseksualiteit zou leiden tot bestialiteit en incest bevorderen. Als hoge vertegenwoordiger van een Kerk die talloze zedenmisdrijven op zijn geweten heeft, zou het toch erg passend zijn voor hem om een aantal tonen lager te zingen en zich inhoudelijk op de hoogte stellen van nieuwe ontwikkelingen.
De geschiedenis van de homoseksualiteit en homoseksuelen staat bol van de misdrijven die in de naam van de wet en religie homoseksuelen is aangedaan. Daarom verdienen individuen als Radclyffe Hall, ook al maakte zij gebruik van verouderde ideeën over homoseksualiteit, een belangrijke plaats in onze geschiedenis.

images-2

Gay Canal Parade 2013
Afgelopen vrijdag was ik aanwezig bij een gay service (voor internationaal publiek) in de meest progressieve synagoge van Amsterdam Beit Ha‘ Chiddush (Huis van Vernieuwing). Aanwezig was een rabbijn uit Frankrijk die in een open brief heeft kenbaar gemaakt dat hij homo is. Hij is de eerste openlijk homoseksuele rabbijn in dat homophobe land. ‘Waarom moet u dat zo nodig van de daken schreeuwen?‘, kreeg hij als commentaar. Grappig, zo’n opmerking hoor je wel meer van zowel hetero als ho-zijde. Afgezien van het feit dat een open brief een uiterst beschaafd middel is om iets kenbaar te maken, wordt het minste of geringste geluid al als luid en bedreigend ervaren. Houd je stiller dan stil, koester dan koest, zwijg, verberg, dan overleef je misschien. Maar dat zwijgen heeft niets opgeleverd. In 7 landen staat de doodsstraf op homoseksualiteit en in 67 landen is het strafbaar en daarom werd er gisteren tijdens de Canal Parade weer met veel lawaai, muziek en vooral veel plezier onze aanwezigheid in de wereld kenbaar gemaakt.

Kom er maar eens om in die enge totalitaire landen dat defensie (en de minister), de politie, het kabinet, de belastingdienst, bedrijven, belangenorganisaties, de voetbalbond (heel voorzichtig), een aantal politieke partijen, ziekenhuizen, het Aidsfonds, drag queens, Human Right Watch, Youtube (die het direct uitzond), de Nederlandse Bank, uitgedoste vrienden- en vriendinnenclubs, internationale actievoerders, extravagante individuen, en hetero’s, meevaren in een Gay Canal Parade.
Moge het niet lang duren dat regeringsleiders als Poetin, Mugabe, religieuze leiders die hel en verdoemenis preken over homoseksualiteit en al hun talloze volgelingen overal de geschiedenis ingaan als barbaren en criminelen. Mensen met bloed aan hun handen omdat zij de menselijkheid en vrijheid van mensen hebben gedegradeerd en met geweld hebben proberen te beteugelen wat niet te beteugelen is.

Daarom moeten we het van de daken blijven schreeuwen want dan wordt het onmogelijk om ons terug in de kast te duwen en het zal anderen stimuleren en helpen om uit de kast te komen. Voor mij begon dat schreeuwen in de jaren zeventig toen de lesbo’s o.a. een belangrijke homodemonstratie in 1979 in Amsterdam organiseerde. Om na zoveel jaren nog steeds de kracht en de vitaliteit van de homobeweging te zien, was meer dan hartverwarmend.

Amsterdam baadde in een zonnig stralend licht. Langs de grachten was het één groot feest van omstanders die alle deelnemers aan de Parade toejuichten. Zo licht en vrolijk kan de homostrijd dus ook zijn. Radclyffe Hall en al die andere dames uit die tijd zouden hun oren en ogen niet kunnen geloven.
Aan de gevel van de Hermitage aan de Amstel hangt de regenboogvlag. Nu St. Petersburg nog.