Feministische archeologie: Maurycy Gottlieb en de Grote Verdwijntruc

Het leven van voorlopers gaat niet altijd over rozen. Zo bracht Rachel Carson al in de jaren zestig het onverantwoorde gebruik van pesticiden in haar boek Silent Spring onder de aandacht. Het boek kreeg veel lezers maar het duurde nog lang voordat haar gelijk doordrong tot in de vezels van de samenleving. We zijn meer dan vijftig jaar  verder en ondertussen is de schade niet te overzien en wordt er krachtig actie gevoerd om het tij van vernietiging, snel gewin en de macht van de farmaceutische gifboeren te keren. Zo gaat het altijd. Er bestaan geen uit het niets komende revoluties, alles wordt al lang ervoor voorbereid zoals ook de status quo ooit is begonnen als revolutie. Pesticiden die grotere oogsten beloofden en dat waarmaakten maar zonder dat wij de echte prijs wilden/willen betalen en waarover de Cassandra’s de mond werd gesnoerd .  

Terecht klaagt Karin Spaink in haar column van 10 oktober over de stelling dat #metoo een recente openbaring zou zijn. Veertig jaar geleden was Spaink betrokken bij het mee ontwikkelen van beleid tegen seksueel geweld. De PSP vroeg de regering toendertijd  een samenhangend beleid te ontwikkelen, en dat tot prioriteit te verheffen. Die motie werd met grote meerderheid aangenomen. Nee, niet alleen veertig jaar geleden, je kunt rustig zeggen meer dan bijna vijftig jaar geleden was seksueel geweld al een van de speerpunten in de Tweede Golf. Vrouwen spraken onder elkaar over wat zij hadden ervaren, er werden belangrijke onderzoeken gedaan, er werd gestudeerd en geanalyseerd en er werden artikelen geschreven over dit verzwegen gigantische probleem. 

We waren voorlopers en nu is dan eindelijk de bom gebarsten en is er een wereldwijde gifbelt opgegraven. Zo gaat het altijd en daar kun je zoals Spaink moe van worden (ik zelf heb er ook wel eens last van), maar het is ook verheugend dat wij nog meemaken dat er zo’n enorme golf van bewustzijn over dit onderwerp gaande is en dat ook meer mannen dan voorheen zich op een goede manier in de strijd werpen.  

Vrouwen een rol toekennen of in het gunstigste geval drie: moeder, maagd of hoer, lijkt in onze samenleving niet meer van toepassing, maar wie wat nauwkeuriger kijkt en zeker elders in de wereld, ziet dit drietal nog overal, ook al werkt een vrouw. De hardnekkige beelden zijn in ons collectief geheugen opgeslagen en door middel van cultuur, politiek en religie worden die beelden meestal in stand gehouden. Die beelden zijn soms mooi, inspirerend maar nog vaker normerend. Zij geven weer hoe wij (vrouwen en mannen) naar vrouwen kijken en behoren te kijken. Door de eeuwen heen is die blik vrijwel exclusief een mannelijke geweest. Daarom zit alles zo diep, zowel bij vrouwen als mannen, en is er een gestage revolutie van voorlopers en feministische archeologen nodig om uiteindelijk iets te veranderen. 

Een mooi voorbeeld van hoe stuitend en ingewikkeld het blootleggen van de mannelijke blik kan zijn, vond ik in een artikel uit 2006 van Pnina Lahav, ‘A Chandelier for Women. A tale about the Diaspora Museum and Maurycy Gottlieb’s ‘Day of Atonement’ – Jews praying on Yom Kippoer’ dat ik van een vriendin kreeg. 

Maurycy_Gottlieb_-_Jews_Praying_in_the_Synagogue_on_Yom_Kippur

Ah, ik zie het al, zal de oplettende beschouwer opmerken, vrouwen op het balkon in de synagoge. Maar dat laten we even rusten want er is meer te vertellen. 

Dit schilderij is heel bekend in de Joodse wereld. Het geeft een blik in de Joodse wereld in Polen in de late negentiende eeuw. Mannen, vrouwen en kinderen in de synagoge op Grote Verzoendag. Zo modern zag die joodse wereld van de 19e eeuw er toen ook uit en vrouwen nemen op dit schilderij een prominente plaats in zoals zij dat  deden in die gemeenschappen. We weten zelfs enkele namen van de vrouwen die model stonden. O.a. de toenmalige verloofde van Gottlieb (Laura Rosenfeld) en haar moeder (rechtsboven). Ook al zitten de vrouwen op het balkon, zij maken substantieel deel uit van het schilderij. Zij zien er voor die tijd modern uit en hebben het gebedenboek in de hand. 

Wat Gottlieb niet kon bevroeden is hoe zijn schilderij onderwerp zou worden van een heftige controverse tussen het Diaspora Museum van Tel-Aviv en een aantal feministen onder wie Dafna Izraeli, professor in de sociologie aan de Bar-Ilan Universiteit. Izraeli is gestorven maar Pnina Lahav heeft het hele verhaal in een uitgebreid artikel beschreven.* 

We spreken over de jaren tachtig en negentig en in de Israëlische maatschappij is de gelijkheid van vrouwen ook een onderwerp waarover wordt gesproken. Het Diaspora Museum stelde in die tijd een collectie samen rond zes thema’s en Izraeli constateerde dat het Museum in zijn presentaties de rol van vrouwen in de cultuur en geschiedenis marginaliseerde. Het meest bijzondere was de creatie van een bijzondere audio-visuele ervaring in een donkere ruimte die uiting moest geven aan het gevoel van de ‘Days of Awe’, de Hoge Feestdagen, waaronder Yom Kippoer. Op een van de muren was een reproductie te zien, een grisaille (schildering in grauwtinten), van Gottlieb’s beroemde schilderij. Tot verbijstering van Izraeli waren de vrouwen op het balkon verdwenen en in plaats daarvan hing er een kroonluchter. Het artikel van Pnina Lahav over de strijd die er vervolgens werd gevoerd en de argumenten die ter verdediging werden aangedragen door de verantwoordelijke personen en het museum zijn even verbijsterend als de verdwijning van de vrouwen zelf. 

Een kleine greep uit de argumenten: 

‘We hadden nog geen kennis en bewustzijn van feministische ontwikkelingen.’  Dat lijkt me sterk en alsof dat je vrij pleit van zomaar een kunstwerk verminken. 

‘We hebben een nieuw kunstwerk gemaakt met de grisaille.’ Alsof je zomaar een kunstwerk mag veranderen. 

‘We wilden de personen op de voorgrond vanwege hun kavana (vroomheid en de heiligheid van het gebed) beter laten uitkomen.’ Dus daarvoor mag je een kunstwerk verminken en de vrouwen die ongetwijfeld ook kavana bezitten verwijderen. 

‘Het schilderij was niet representatief genoeg.’ Lees: voor een nostalgische shtetl visie. Gottlieb zou niet de realiteit hebben geschilderd. Dus passen wij het aan aan onze realiteit. Daarom mag je een modern schilderij gebruiken en de ongewenste elementen verwijderen. Dat heet citeren in het artistieke jargon. 

O ja, en nog wat: ‘die vrouwen zitten waarschijnlijk te roddelen. Er kijkt er maar een in het gebedenboek.’ Zij zijn bezig met onspirituele zaken terwijl de mannen met het hogere bezig zijn. Het is dus niet meer dan normaal dat die lage wezens worden  verwijderd.

Diverse belangrijke feministen worden ingeschakeld om hun visie te geven, maar in 1993 hangt het vermaledijde werk er nog steeds. Er worden zelfs vragen in het parlement gesteld en de conclusie was dat het museum een sectie van de tentoonstelling, waar de grisaille te zien was, sloot en uiteindelijk werd de grisaille verwijderd. Natuurlijk had het museum in een groots gebaar het origineel kunnen ophangen (eventueel naast de grisaille) maar dat zou niet stroken met hun visie en er was waarschijnlijk ook onwil om te buigen voor de ijzersterke argumenten van de feministen. 

De verontwaardiging bij het grote publiek betrof vooral de verminking van een kunstwerk en minder de verwijdering en marginalisering van de vrouwen. Maar dat was wel de essentie voor de feministen die dit onderzoek verrichten, en zij kunnen alleen maar geprezen worden in hun volharden om de waarheid boven tafel te krijgen en alle schijnargumenten (zowel van betrokken mannen en vrouwen van het Museum) in een grondige analyse te weerleggen. De kroonluchter die hoort te verlichten, heeft in dit geval vooral veel verduisterd.

De gerechtvaardigde conclusie kan alleen maar zijn dat het weglaten van de vrouwen in het schilderij van Gottlieb een aggressieve en gewelddadige handeling was en bovenal een uiting van verzet tegen verandering en modernisering. 

Op de vrouwengalerij van het schilderij speelt zich nog een ander verhaal af. Want wie zijn die 19e eeuwse vrouwen? In ieder geval zit er mevrouw Gottlieb, Maurycy’s moeder en Laura Rosenfeld en haar moeder.

Laura Rosenfeld heeft uiteindelijk haar verloving met Gottlieb verbroken en zijn hart gebroken. Hij stierf op 23 jarige leeftijd. Laura trouwde met de rijke bankier Henschel. Na zijn dood (zij was dertig jaar met hem getrouwd en had vier dochters) heeft zij een geheel eigen carrière opgebouwd. Zij ging in de zorg voor armen en had contact met de feministen van haar tijd en hield zich bezig met de opvoeding van jonge meisjes. Weliswaar om hen krachtig, bewust en dienstbaar te maken voor het gezinsleven, maar in ieder geval niet om hen tot huissloof en huisslavin op te voeden. Zij werd bekend onder de naam Mutter Henschel. Zij is de overgrootmoeder van moederszijde van Christine Cornelius (haar achterkleinkind), die mij het artikel over Gottlieb’s schilderij gaf. Haar ouders boden Andreas Burnier in Eindhoven haar eerste onderduikadres. Een cultureel en intellectueel geïnteresseerd gezin (de vader, Peter Cornelius zat in het verzet) waarin zij zich als een vis in het water voelde en waarin zij helaas maar kort kon verkeren. In 1951 zal de echtgenoot van Andreas Burnier, Emanuel Zeylmans van Emmichoven, lid van Castrum en uitgever van het tijdschrift Castrum Peregrini* een nummer wijden aan Mutter Henschel. Hoe wonderlijk zijn de wegen van de geschiedenis!

Het opgraven van verborgen schoonheid en ellende en alles in het licht brengen is een taak die zich eindeloos zal herhalen en die we onvermoeibaar moeten voortzetten omdat het scheppen van een nieuwe cultuur niet kan zonder feministische archeologie. Je kunt niet voortbouwen zonder fundament. Een fundament dat is gelegd door diverse vrouwenbewegingen maar ook door veel individuele vrouwen als Rachel Carson, elke vrouw die haar mond opent voor #metoo, Els Kloek met haar twee monumentale werken 1001 vrouwen en de individuele 2002 vrouwen die zij heeft opgegraven uit de Nederlandse geschiedenis*, Karin Spaink die samen met anderen in de PSP beleid heeft ontwikkeld tegen seksueel geweld. Pnina Lahav en Dafna Izraeli die zo veel tijd en energie hebben gestoken in het analyseren van wat ook afgedaan had kunnen worden als een onbeduidend incident, of in het geheel niet zou zijn opgemerkt in een andere tijd. Maar ook werk verricht door minder voor de hand liggende vrouwen als Mutter Henschel, die de vrouwen in haar familie en daarbuiten, weliswaar in de geest van de tijd, krachtig en zelfbewust heeft gemaakt, en zo iemand als Maurycy Gottlieb die de wereld heeft weergegeven zoals hij die heeft gezien, een voorbode van moderniteit. 

Vele stappen, het gestaag doorploegen maakt de grond rijp voor nieuwe ontwikkelingen en voor een rechtvaardigere wereld. Onze argumenten en analyses kunnen het denken beïnvloeden maar de meeste mensen worden gedreven door emoties en daar kan de rede vaak niet tegenop. We zullen ook de harten moeten winnen en daar is veel tijd en uithoudingsvermogen voor nodig. 

  • De historische mannenclub van Castrum Peregrini en hun leermeeester Wolfgang Frommel worden, na vele getuigenissen die er niet om liegen, in een kwalijk daglicht gesteld wegens seksueel misbruik door met name Frommel onder het mom van ‘pedagogische eros’. Destijds was Castrum een gerespecteerd cultureel gezelschap met een eigen tijdschrift waarvan Emanuel Zeylmans van Emmichoven de uitgever was.
  • Pnina Lahav, ‘A Chandelier for Women. A Tale About the Diaspora Museum and Maurycy Gottlieb’s ‘Day of Atonement’ – Jews Praying on Yom Kippur.’ Project Muse. Israel Studies 11,1 (2006) 108-142.
  • Recent verscheen het tweede deel en naar aanleiding van deze publicatie is er een tentoonstelling in het Amsterdam Museum die vorige week werd geopend door Koning Willem Alexander. Dat onderstreept het belang van deze uitgave.

Berthe Morisot (1841 – 1895) schilder van licht

In het najaar van 2017 breng ik een bezoek aan Musée Marmottan Monet in Parijs. Een niet al te groot sfeervol museum met veel werken van Monet. Maar wat velen niet weten, is dat daar ook een grote collectie schilderijen en tekeningen hangt van Berthe Morisot, een van de weinige vrouwelijke impressionisten*. Na afloop lopen we het winkeltje binnen en daar bevindt zich een schat aan boeken over Monet. Grote, kleine, dikke, dunne, het kan niet op. En alsof dat nog niet genoeg is, op een grote hoeveelheid mokken, schriften, potloden, kaarten en andere prullaria teisteren de waterlelies je ogen. Maar niets over Morisot en zelfs als ik vraag naar documentatie over haar kijkt de vrouw achter de toonbank mij wazig aan. Het is om gek van te worden. Als er al aandacht is voor het werk van een vrouw dan is het risico groot dat er een vloedgolf van heren overheen gaat. Monet is een product geworden en Morisot blijft in de schaduw ondanks dat er aardig wat over haar is geschreven. De ervaring leert dat het meestal vrouwen zijn (biografen, kunsthistorici) die het werk van hun seksegenoten aan de vergetelheid ontrukken.*

Zelportret Morisot

Zelfportret

Tot mijn grote vreugde zag ik, terug in Amsterdam, een documentaire over haar aangekondigd: Berthe Morisot: Moed, Storm en Liefde. De regisseur Klaas Bense kocht een aantal jaren geleden online een schilderij, een portret van een vrouw. Thuis ontdekte Bense een naam op de achterkant van het schilderij: ‘Berthe Morisot, 1871’. Hij kende wel haar naam, maar wie was Berthe Morisot? En hoe kwam het dat hij zo weinig van haar wist? Met het schilderij onder zijn arm trekt hij naar Parijs om meer te weten te komen over Morisot. Mooie opzet voor een documentaire maar uiteindelijk toch teleurstellend zoals ook Joke de Wolf in haar Atria-blog* beschrijft: ‘Het lijkt alsof Bense zo vol is van zijn eigen Morisot-schilderij dat hij vergeet naar Morisots andere werk te kijken.’

Verder ontdekte ik nog een film over Morisot uit 2012 waarvan de recensies in ieder geval niet juichend waren. Maar beter iets dan niets. Als het helpt om haar werk onder de aandacht brengen, moet je soms niet al te kritisch zijn. Als Morisot’s naam in je gaat rondzingen dan ga je vanzelf op zoek naar plekken waar haar schilderijen en tekeningen hangen en naar deskundige publicaties over haar (o.a. van de kunstcriticus Linda Lochlin, die al in 1988 aandacht besteedde aan haar werk). In het onvolprezen Atria vond ik een uitgebreide catalogus van haar werk uit 2012. Notabene mede uitgegeven door het Musée Marmottan Monet, maar blijkbaar niet meer in druk. Maar het zal beter gaan: in 2019 komt er een grote tentoonstelling van haar werk in het Musée D’Orsay in Parijs.

berthe-morisot-4

Ik word wakker in een huisje in Egmond en kijk uit over de tuin en het daarachterliggende landschap: weiden en in de verte enkele boerderijen. Het is nog vroeg en er is een vage oranje gloed in de lucht. Wat later hangt er een voile van glanzende mist over de tuin en het landschap. Het zijn momenten in de ochtend die heel snel veranderen en die ik zou willen vasthouden. Het zijn ervaringen van pregeboortelijke schoonheid. Van een ontroerende puurheid voordat het leven eroverheen raast. Zo stel ik me voor dat Morisot schilderde: zij wilde die visuele ervaringen vastleggen en daarin is zij vaak wonderwel geslaagd.

Tuin in Bougival

In de inleiding van Jean-Marie Rouart (Berthe Morisot: from Wound to Light) in de catalogus vond ik hierover een interessante opmerking. Haar schilderijen ademen een sfeer van rust, elegantie, harmonie en paradijselijk geluk maar: ‘The paradox of this work that comes across as spontaneous, cheerful, gentle and harmonious is that it was born of suffering, of a doggedness and despair that would be difficult to imagine were they not attested by so many pages in the notebooks and letters written by this artist who was always dissatisfied by herself .’

Nu lijden de meeste kunstenaars onder een gevoel van ontevredenheid (bijna nooit lukt het om precies vast te leggen wat je wilt uitdrukken) maar ongetwijfeld speelde haar vrouw-zijn daarbij een rol. Ook al werd zij gesteund door haar familie en haar vrienden onder de impressionisten, zij moest vechten tegen de conventies van haar tijd. Haar zus Edma met wie zij tien jaar lang samen schilderde gaf haar schilderen op toen zij trouwde. Berthe trouwde met Eugène Manet, ook een schilder, maar bleef doorwerken en werd door haar echtgenoot gesteund. Een zeldzaamheid.

berthe-morisot-eugene-manet-and-his-daughter-in-the-garden

Eugène Manet en dochter Julie

Ik ben benieuwd naar haar dagboeken die nog in familiebezit zijn om meer inzicht te krijgen in haar hele leven. Het is ondenkbaar dat de Frans-Duitse oorlog en de maandenlange bezetting van Parijs in 1870/’71 niet tevens een rol in haar leven hebben gespeeld.

Waar dagboeken vaak de worstelingen en schaduwkanten van het bestaan vastleggen, wilde Morisot juist in haar kunst de vluchtige lichte momenten vastleggen en dat getuigt van een gezond realisme. Jean-Marie Rouart spreekt over de ‘happiness of the sad’. Dat is ook wat troost is. Dat betekent dat zolang je die vluchtige momenten kunt zien, ze kunt vastleggen en ervan kunt genieten, de wereld van lijden, negativiteit, je niet zal vergiftigen en zieldood maken.

Berthe Morisot’s werk is een ode aan de schoonheid van het leven.

Van Nachtwacht tot Wombtomb

Eerder gepubliceerd op 9-6-2013 op de blogsite van ATRIA – Kennisinstituut voor emancipatie en vrouwengeschiedenis door Ineke van Mourik (bibliothecaris).

Het Rijksmuseum ademt na een lange periode van inademing weer uit. Afgelopen zaterdag bracht ik een bezoek. Natuurlijk ga ik kijken naar Vermeer’s Brieflezende Vrouw en de Nachtwacht. Maar op de derde verdieping wacht mij een verrassing.

 

images-1

De onderdoorgang
Na jarenlange sluiting van Het Stedelijk Museum en het Rijksmuseum te Amsterdam werd het feest deze lente want de musea openden eindelijk hun deuren. Het weer was slecht maar het culturele leven ging bloeien. De fietsers die jarenlang de onderdoorgang van het Rijksmuseum moesten missen, konden eindelijk weer hun favoriete route gebruiken. Dit kan voor mensen buiten Amsterdam een futiel genoegen lijken, maar het is bijna zo groot als de opening van het museum zelf.
Vorige week fietste ik met twee vriendinnen midden in de nacht onder het museum door richting Zuid. Ik ging zingen om te kijken of de akoestiek nog steed zo mooi is. Ja dus. En toen gebeurde het: toen we onder het museum door waren, ontvouwde zich een nachtelijke ruimte, het brede Museumplein. Ik moest stoppen want het overviel me. Zo mooi. In een stad als Amsterdam heb je maar een klein aantal plekken waar de ruimte zich zo voor je opent. De pont naar Noord over het IJ en als je vanuit de onderdoorgang naar Zuid fietst hebben die kwaliteit. Voor deze laatste mogelijkheid is jarenlang gevochten en er wordt nog steeds over gevochten. Maar wie de schoonheid ervan ervaart, weet hoe belangrijk het is deze gelegenheid te blijven bieden. Dan wint gevoel het van efficiëntie.

De Nachtwacht en Vermeer
Een museumkaart biedt je de luxe om wat te slenteren door een museum. Je hoeft niet perse alles te zien. Toch ga ik als eerste naar de Nachtwacht. Het schilderij is indrukwekkend opgesteld en de meeste bezoekers klonteren samen rond het grote meesterwerk van licht en schaduw. Achter mij staat een vrouw die met een onvervalst Amsterdams accent zegt: ‘Eigenlijk is het maar een klein rot schilderijtje.’ Ik moet erover nadenken. Ik dacht ook dat het groter was. Wordt door de aandacht voor de Nachtwacht ons beeld ervan opgeblazen? Of zijn we door het moderne leven gewend geraakt aan enorme proporties waardoor de Nachtwacht ineenschrompelt? Een andere bezoeker merkt op dat het schilderij door de restauratie wel erg helder is geworden alsof het werk in zijn niet gerestaureerde staat, somberder en donkerder, eigenlijk authentieker was.

Door naar de Brieflezende Vrouw van Vermeer. Ook hier is het aantal bezoekers groter dan elders en je begrijpt waarom. Wat een mooi verstild beeld! Een kunsthistorica vergruizelt het verstilde beeld door een rationeel betoog over de compositie en de horizontale lijnen uit te storten over een braaf luisterende groep. O, ik wens een bank en daar te mogen zitten met mensen die alleen maar zwijgend willen genieten of van binnen een beetje willen huilen van ontroering.

Ferdi, Marlene Dumas en Bas Jan Ader
Op de derde verdieping waar het aanmerkelijk rustiger is, wacht mij een drievoudige verrassing.
Ik zie eerst een merkwaardig kunstwerk uit 1969 van Ferdi dat doet me denken aan Judy Chicago. Het heet Wombtomb, een van kunstbont gemaakt werk, een soort doodskist met bovenop een onmisbaar vorm die aan een vagina doet denken. Dood en leven samengebracht in een nogal opmerkelijk werk.

images
Wie is deze Ferdi? Thuis doe ik naspeuringen via het internet. Zij is een Nederlandse kunstenares, Ferdi Jansen, haar echtgenoot was de beroemde Japanse kunstenaarTajiri. Waarom heb ik nooit van haar gehoord? Net zoals ik jaren geleden ook nog nooit van de beeldhouwer Pearl Perlmutter de echtgenote van Wessel Couzijn had gehoord. Bij mij in de buurt op het Emmaplein staat een werk van haar en zo ben ik erachter gekomen wie zij was. Twee vrouwen in de schaduw van hun mannen maar die hun sporen wel nalaten voor degenen die het willen zien.
Het Laatste Avondmaal (1985-1991) van Marlene Dumas (zij is zeer bekend en gelukkig niet ondergesneeuwd door een huwelijk of de geschiedenis) is ook een opmerkelijk werk. Het is door een anonieme gever geschonken aan het Rijksmuseum. Een eenzame Jezus zit alleen aan het laatste avondmaal (de avond voor zijn kruisdood) en boven zijn hoofd zweven talrijke foetussen. Dood en leven in een beeld gevat.
In dezelfde ruimte is een filmpje te zien van een huilende man: ‘I am too sad to tell you’ (1971). Het is werk van Bas Jan Ader (1941-1975), de kunstenaar die in 1975 op 33- jarige leeftijd de Atlantische oceaan wilde oversteken met een te klein zeilbootje en na een tijd werd vermist. Tien maanden daarna werd zijn bootje gevonden voor de kust van Ierland.

Wat is de ontroering en het verband tussen Het Laatste Avondmaal van Marlene Dumas, Tombwomb van Ferdi (Jansen) en ‘I am too sad to tell you’ van Bas Jan Ader?
Het Rijksmuseum laat ons de rijke geschiedenis van de Nederlandse kunst zien. Beroemde werken geschilderd door grote mannen. Maar op de derde verdieping (1900-2000) zie je een andere wereld ontstaan: een kunstwereld die zich opent voor nieuwe visies. De wereld van Cobra, Rietveld, Appel, Art Nouveau en Yves Saint Laurent.. Nog meest mannen maar ook vrouwelijke kunstenaars worden meer zichtbaar. We zien Ferdi Jansen en Marlene Dumas die oude thema’s van dood en leven nieuw leven inblazen en een onconventionele man, Bas Jan Ader, die huilt en zichzelf tot subject van zijn kunst maakt. Een heftiger contrast met de zelfverzekerde mannen en traditionele vrouwen die zijn afgebeeld door mannelijke kunstenaars op de andere verdiepingen van het Rijksmuseum, is nauwelijks denkbaar.
Those were the days, maar onze tijd is een andere.

Ik loop naar buiten, door de onderdoorgang richting Zuid. In mijn hart heeft zich de schoonheid van het Rijksmuseum en de ruimte van de derde verdieping geopend, voor mijn oog opent zich de ruimte van het Museumplein.

In Memoriam: Phil van der Linden (1941-2013)

Eerder gepubliceerd op 6-6-2013 op de blogsite van ATRIA – Kennisinstituut voor emancipatie en vrouwengeschiedenis door Ineke van Mourik (bibliothecaris).

Afgelopen zaterdag 1 juni is Phil van de Linden op 72-jarige leeftijd overleden. Zij was de mede-initiatiefneemster van het begin jaren zeventig opgerichte feministische filmkollektief Cinemien. Cinemien ontwikkelde zich door de jaren heen als de gerespecteerde, onafhankelijke filmdistributeur ABC-Cinemien onder de bezielende leiding van Phil van der Linden en mede-oprichtster Nicolaine den Breejen.

CInemien

Vaak als ik een mooie en bijzondere film zie (o. a. Hannah Arendt, Festen, Desert Hearts, La Pianiste, Das Leben der Anderen) in een van de filmhuizen in Amsterdam en op de aftiteling Cinemien als distributeur wordt vermeld, ben ik verheugd dat een deel van de initiatieven die hun oorsprong vonden in de jaren zeventig, nu 40 jaar later nog steeds bloeien.

Cinemien
Het begon allemaal in 1972 toen Phil samen met andere Amsterdamse vrouwen een leegstaand pand aan de Nieuwe Herengracht 95 kraakte. Het Amsterdams Vrouwenhuis was geboren en het werd een broednest van feministische actiegroepen: de werkgroep vrouwen COC, uitgeverij de Bonte Was, De Vrouwenkrant, Vrouw en Werk, Meidentoneel, Vrouwen-gezondheids-kollektief Zelfhulp, Actiegroep Vrouwen Tegen Seksueel Geweld, VOS Vrouwen Oriënteren zich op de Samenleving, ABVA-vrouwen, Vrouwen en Universiteit en het Fem-Soc sekretariaat Amsterdam, de redacties van de talrijke onafhankelijke feministische tijdschriften, waaronder De Vrouwenkrant, Blad Vrouwen, Surplus vrouwen literatuurblad, Socialistisch feministisch tijdschrift Katijf, Vrouwenweekblad, muziekblad Thea Tuba en het meidentijdschrift Meidenwijs, èn het feministisch filmkollektief Cinemien. Een naam geheel in de ludieke stijl van de jaren zeventig en die het tot mijn verbazing nog heeft volgehouden tot op de dag van heden.

Op de site van Cinemien wordt in het bericht over het overlijden van Phil vermeldt:
‘Het bedrijf (toen nog feministisch filmkollektief Cinemien gevestigd in het Vrouwenhuis te Amsterdam) werd geboren uit het idealisme en de strijdbaarheid die zo kenmerkend zijn voor die periode. Deze waarden, evenals een gevoel van rechtvaardigheid en maatschappelijke betrokkenheid, kwamen rechtstreeks uit Phils hart en zijn kenmerkend voor de bedrijfscultuur van distributeur ABC-Cinemien.
Zonder aan oorspronkelijkheid en vooruitstrevendheid in te boeten is Cinemien in meer dan vier decennia uitgegroeid tot een toonaangevend instituut dat niet meer weg te denken is uit de hedendaagse filmcultuur in Nederland en België.
Gedurende deze ruim 40 jaar stond de gedreven, markante en idealistische Phil van der Linden, samen met Nicolaine den Breejen, aan het roer van Cinemien.
Zij werd in binnen- en buitenland geroemd om haar superieure gevoel voor tijdgeest en vernieuwing: als ware visionair voelde zij maatschappelijke en technologische veranderingen, zoals digitale distributie (waaronder VOD) ver van te voren aan. Dit, gecombineerd met haar nooit aflatende gevoel voor kwaliteit en haar charismatische, onorthodoxe manier van zakendoen, heeft mede geleid tot het succes van ABC-Cinemien.
Nicolaine den Breejen:
‘Phils werk, visie en ambitie zijn van onschatbare waarde geweest voor ons bedrijf en voor de filmcultuur in Nederland en België.’

In het tijdschrift Homologie uit 1992 vond ik een interview met Phil en daar citeer en parafraseer ik het volgende uit:
Cinemien werd door haar en anderen opgericht omdat en nauwelijks films met vrouwenthema’s en lesbische thema’s te zien waren. Zij wilden een tegenwicht bieden tegen het aanbod van rolbevestigende films en al spoedig werden ze groot en kregen subsidie om films aan te kopen. In 1992 hebben ze al 500 titels in huis waaronder veel klassieken. In de jaren negentig voeren zij een belangrijke beleidswijziging door: er worden niet alleen films aangeschaft die door vrouwen gemaakt zijn, maar Cinemien wil distributeur zijn van kwaliteitsfilms die van maatschappelijk engagement getuigen. Daarnaast houdt Phil zich bezig met een stichting die documentaires produceert en zij wil lesbische projecten ontwikkelen. Phil vindt dat er ook meer aandacht besteed moet worden aan erotiek binnen de film: ‘Er zijn zo weinig films waarin erotiek op een open, eerlijke en speelse manier behandeld wordt. De vrouwenfilm gaat zo truttig met seksualiteit om. Het wordt kennelijk nooit al normaal gezien. Dat zou toch kunnen veranderen. Seksualiteit moet gewoon meer gezien worden als iets leuks. Iets waar je mee kunt spelen, niet ernstig, niet zwaar. Misschien iets voor jongere generatie lesbiennes. Ik ben benieuwd.’

We zijn nu twintig jaar verder in de tijd en Phil heeft haar bedrijf samen met anderen onmisbaar gemaakt in de nationale en internationale filmwereld. Deze week viert het Amsterdams Vrouwenhuis (inmiddels omgedoopt tot Akantes) haar veertigjarig bestaan. Een aantal feministes van het eerste uur gaat er heen. Phil van der Linden als kraakster van het eerste uur zal er niet bij zijn, maar we zullen het glas op haar heffen. Op haar strijdbaarheid, haar grote maatschappelijke betrokkenheid en op haar onschatbare waarde voor het feminisme en de filmwereld.

De jongen in het rode vest

Eerder gepubliceerd op 13-4-2012 op de blogsite van Aletta door Ineke van Mourik (bibliothecaris).

Cézanne

Het is vrijdag 13 april 2012 en op de voorpagina van de Volkskrant staat een indrukwekkende foto: twee zwaar bewapende mannen van de Servische criminele politie met bivakmutsen bewaken het zojuist terugvonden schilderij van Cézanne,  ‘Jeune garçon au gilet rouge’, dat vier jaar geleden is gestolen uit een museum in Zürich.

De kwetsbare jongen op het schilderij met zijn opvallende rode vest, leunend op een elleboog, en dromerig voor zich uitkijkend, staat in schril contrast tot de alerte anonieme in het zwart geklede en tot de tanden gewapende mannen die hem bewaken. Wat bewaken zij? Zij bewaken een schilderij dat 110 miljoen euro waard is. Het schilderij is teruggevonden in Servië en deze foto lijkt tevens een vertoon van macht. Op de achtergrond zien we Servische vlaggen. Tussen de twee macho’s met kogelvesten staat de kwetsbare jongen. Hij lijkt zich niets aan te trekken van deze show die zich rondom hem afspeelt. Waarom moeten deze mannen gemaskerd zijn? Waarom zwaar bewapend? Kijk ons eens, wij hebben het gestolen schilderij van 110 miljoen gevonden. Geweldig toch? Ja, geweldig dat het schilderij weer teruggebracht kan worden naar het museum in Zürich waar het door iedereen kan worden bewonderd. But what about the boy? Wat is dat voor een jongen die daar zo dromerig voor zich uit zit te kijken? Misschien is de jongen met het rode vest wel een jongen die droomt dat hij een meisje wil zijn, of een meisje dat zich heeft verkleed als een jongen. Met haar/zijn grote oor luistert zij/hij naar een wereld die niet de hare/zijne is en waar het zo moeilijk is om als jongensmeisje een plaats te vinden. Een jongen is nog geen man, hij kan een erotische uitstraling hebben die ergens zweeft tussen vrouw en man. Dat is zijn schoonheid die veelal wordt bezongen in de klassieke literatuur van Plato tot Kavafis en Abdul Nawas en zelfs door onze eigen Martinus Nijhoff in het gedicht Florentijns jongensportret.

Florentijns jongensportret

Olijf-ovaal, met van de olijf ook mee de
steenharde koelte, zijn gelaat; zijn ogen,
de twee juwelen, in hun dunne bogen
ver uit elkander glanzend losgesneden.

Zijn haar, aanhoudend als door wind bewogen,
vertrouwt zijn oor iets toe, iets waar beneden
zijn mond, zijn meisjesmond, om lacht; geen tweede
dauw heeft ooit druiven als zijn kin betogen.

Voor ú buigt de rivier zich door de stad;
voor ú, in wijn en brood, stremt de natuur
haar zware stroom; en ’t is alleen opdat

gij zorgloos zingt, een hand in uw ceintuur,
dat de ezel zwoegt langs ’t ongebaande pad
en de oude vrouw hurkt bij het houtskoolvuur.

Twee zwaar bewapende mannen bewaken een schilderij van 110 miljoen en zij zien eruit alsof zij dit schilderij met gevaar voor hun eigen leven willen beschermen. Maar zullen zij ook de kwetsbare meisjesjongens/jongensmeisjes die zich in hun land of waar dan ook bevinden op een zelfde manier met hun leven willen verdedigen en beschermen?