Ischa Meijer en Andreas Burnier

Herinnering

Het is begin jaren tachtig als ik vanuit Nijmegen verhuis naar Amsterdam. Ik heb net een souterrain in onderhuur betrokken op de Weesperzijde en mijn verhouding met Andreas is nog zeer pril. Op een van de eerste ochtenden loop ik over de Nieuwe Amstelbrug richting de Pijp. Ik wil mijn nieuwe stad leren kennen en ik voel me opgewekt en nieuwsgierig. Een man loopt mij tegemoet en als vanzelfsprekend groet ik hem en hij groet vanzelfsprekend terug. Als ik verder loop, realiseer ik me dat ik die man alleen van een foto ken. Ik heb hem begroet zoals ik onbekende klanten, die ik alleen van gezicht kende uit de vrouwenboekhandel in Nijmegen waar ik jaren werkte en die ik op straat tegenkwam, begroette. Dat soort groeten kende ik al vanuit mijn jeugd. In de kleine plaats waar ik opgroeide, zei je iedereen gedag en ook met onbekenden knoopte je als je zin had een praatje aan. Amsterdam is een grote stad en ik liep daar die ochtend alsof elk mij tegemoet lopend persoon een halve bekende was. Die halve bekende bleek Ischa Meijer te zijn en pas veel later zou ik hem via Andreas en zijn boeken en programma’s leren kennen. Wat heet leren kennen? 

Iedereen die in Amsterdam op straat liep, kwam hem wel eens tegen. Carmiggelt was de melancholieke chroniqueur van de Amsterdamse kroegen en de gesprekken die daar plaatsvonden, maar Ischa was de brutale en onbeschaamde Joodse straatslijper die iedereen aansprak, overal naar binnen liep en daar dan vervolgens ook weer over schreef. Nee, je leerde hem nooit helemaal kennen want hij was als kwikzilver. Ik heb een keer met hem een half uur door de stad gelopen en in die korte tijd zag hij alles, becommentarieerde alles, dronken we koffie in een rare kroeg, vroeg hij mij de hemd van het lijf, sprak iedereen aan die we tegen kwamen en nodigde me genereus uit om eens soep bij hem te komen eten en als ik kwam dat ik dan niet moest schrikken want dat bereiden van soep deed hij altijd slechts gekleed in een onderbroek. Hij was voor mij degene die van Amsterdam een dorp maakte, de beste straatslijper en flaneur die ik ooit heb ontmoet. Onvermoeibaar rondstruinend alsof hij in zijn eentje de stad wilde terugveroveren op de gruwelijke geschiedenis van zijn vermoorde Joden. 

Op zijn begrafenis was de hele stad met al zijn verschillende bewoners uitgelopen en zaten wij na in het koffiehuis bij hem op de hoek. Ik herinner me dat de begrafenis op zaterdag was en dat Andreas en ik de dag erna met een aantal Joden terug zijn gegaan naar Zorgvlied om kaddisj te zeggen. Ischa heeft in zijn leven Andreas een aantal keren geïnterviewd en de laatste keer was in 1991. Nu 25 jaar na zijn dood in 1995 is dat interview te beluisteren in de serie podcasts over Ischa van de VPRO. Vandaag heb ik ernaar geluisterd en werd er door ontroerd. Ik ken het interview want we hebben het in geschreven vorm in 2003 (een jaar na Andreas’ overlijden) opgenomen in een bundeling van haar essays, brieven en interviews Een gevaar dat de ziel in wil. Andreas en Ischa mochten elkaar en dat is te horen in het interview. Hun beider toon is overwegend zacht, weloverwogen, soms bijna voorzichtig. Ronit Palache spreekt in het geval van Ischa over lieve brutaliteit. Van hun beider felheid, die van Ischa vooral verbaal en van Andreas in haar polemische geschriften, hun reputaties van ‘bad boy’ en ‘rebel’, krijgen we in dit interview de andere zijde te zien. Zij zijn zich in dit interview duidelijk bewust van hun beider kwetsbaarheid over de onderwerpen die ter sprake komen: oorlog, kampen, onderduik, jodendom, homoseksualiteit.  

In het OBA Live programma van 14 februari maakte Ronit Palache, die een bundel met teksten van Ischa samenstelde, een interessante opmerking. Zij zei: ‘Kun je iets voelen zonder taal?’ Wat zowel voor Ischa als Andreas geldt, is dat zij via de taal gevoelens die niet werden benoemd, werden verzwegen of waarover werd gelogen, benoemden en de wortels ervan blootlegden en taboes doorbraken. Zij gingen ver daarin, zij het op verschillende manieren, en daarin zit ook hun beider verwantschap en waardering voor elkaar. Voor Andreas was het praten en schrijven over met name Joodse onderwerpen lang met angst en onderdrukte woede omgeven. In haar werk heeft dat een hele geschiedenis, van Het Jongensuur (1969), haar boek over de onderduik en daarna zwijgen tot 1986 als zij in De trein naar Tarascon opnieuw het thema aanroert. Eind jaren tachtig keert zij terug naar het (liberale) jodendom, haar harnas valt, en dan volgt een stroom van publicaties (essays, krantenstukken en een roman De wereld is van glas) over Joodse thema’s. Ik denk dat zij Ischa vooral bewonderde om zijn ogenschijnlijke angstloze onbeschaamdheid en om aandacht krijsende uitspraken en teksten. Iets wat zij op die manier niet durfde.   

Andreas die bijna nooit iemand thuis uitnodigde, had Ischa en Connie in 1991 genood om te komen eten. Halverwege de maaltijd vroeg Ischa half verontschuldigend of Connie en hij een sigaret konden roken. Andreas en ik leefden rookvrij maar Andreas zag dat Ischa en Connie wel moesten roken wilden zij de avond redelijk doorkomen en stemde ermee in. De stemming steeg meteen, ook door het overvloedige wijngebruik van ons allen. Bij het afscheid was de asbak boordevol en heeft het huis nog wekenlang gestonken. Bij het afscheid kregen we ieder een bundel met Dikke Man columns cadeau met voor elk een mooie opdracht. 

IMG_1746IMG_1747

 

In de podcast vraagt Anton de Goede aan het einde van het interview aan Ronit Palache of het interview nog relevantie heeft voor nu. Zij benadrukt het historische karakter maar ook dat we uit het gesprek van Ischa en Andreas kunnen leren waartoe uitsluiting kan leiden en hoe angst en ellende veel naoorlogse levens heeft getekend. Zij roept ook uit: ‘De stem van die vrouw, zo beschaafd, zo intelligent, zo schrijnend!’ Ja, die stem is uniek en warm en zeker als de aangever en vragensteller Ischa Meijer is. Het is bijzonder dat we dit gesprek weer kunnen beluisteren. Een mooie keuze van Ronit Palache en met dank aan de VPRO!

De Notre Dame en de Misérables

Het is dinsdag 16 april. Gisteren om 19.00 kwamen de berichten binnen over de brand van de Notre Dame in Parijs. Ik sta op het Gare du Nord en loop naar buiten richting de bus. Op straat het gewone drukke gedoe van auto’s en bussen die af en aan rijden, wat duistere types die voor de ingang van het station hangen, en zwervers met tandeloze monden die om geld vragen. In een zijstraat ligt in een portiek onderuit gezakt een man in zijn eigen pis met rondom zich heen een kartonnen beker, plastic afval en lege papieren zakken. Ik voel me beroerd omdat ik er zo langs loop.

Even later kijk ik op de computer naar beelden van gisteren. In de straten en op de kades rond de Notre Dame wordt gehuild, gebeden, verbijsterend, gefascineerd gekeken, er wordt woede geuit. De hele stad is uitgelopen en ook alle hoogwaardigheidsbekleders (o.a. Macron en Hidalgo, de burgemeester van Parijs)  bevinden zich op straat om de Notre Dame die in brand staat met eigen ogen te zien. Met eigen ogen te zien of zij blijft staan, zeker nadat de spitse toren is ingestort, of nog zal staan nadat de brandweerlieden het vuur hebben bedwongen. Een groot deel van de kathedraal heeft het overleefd, o.a. de twee karakteristieke klokkentorens. 

De Notre Dame is het symbool en het hart van Parijs, de 800-jarige Oude Dame, symbool van het onverwoestbare christendom, zij behoort tot het werelderfgoed en miljoenen touristen bezoeken haar. Schrijvers en kunstenaars brachten haar in beeld en geschrift onder onze aandacht en zij is deel van de Europese geschiedenis. 

Maar zij is meer. Zij is ook gevoel, emotie. In Le Parisien van vandaag (17 april) komt een deskundige op het gebied van emoties aan het woord: ‘Dit wordt ervaren als een intiem drama, het is niet zomaar een gebouw dat in brand staat. De Notre Dame wordt als onverwoestbaar ervaren. Als de Notre Dame zou verdwijnen, dan kan alles verdwijnen. Deze brand confronteert ons met onze kwetsbaarheid.’ 

Maar dat willen we niet, is blijkbaar onverteerbaar, dus komt er binnen 24 uur een bedrag van 750 miljoen op tafel om de Notre Dame te redden. Liever gezegd er komt 750 miljoen op tafel om onze eigen kwetsbaarheid toe te dekken. Het is prachtig om te zien hoe eensgezind mensen in actie kunnen komen en hoe deze brand ons met elkaar verbindt. Wij zijn op ons opperbest in, maar vooral na rampen. Maar de schaduw volgt ons of zoals de Franse Olivier Pourriol twitterde: (vertaling) Victor Hugo bedankt alle vrijgevige donateurs die bereid zijn de Notre-Dame de Paris (Franse titel van Hugo’s boek) te redden, en stelt hen voor hetzelfde te doen voor Les Misérables (ander boek van Hugo). 8,8 miljoen armen in Frankrijk. Zie ook de tijdlijn op FaceBook van Virginie Sanders voor commentaar op deze giften (het grootste deel van miljardairs) en verwijzing naar Le Monde. Ik denk aan die honderden mensen in de portieken en in kartonnen behuizingen langs de ring van de stad.

Zelf ben ik helemaal niet dol op kathedralen maar toch ben ik er binnen geweest en ben ik onder de indruk van die enorme kolos en vooral van de invloed op gelovigen die zich uit in de talloze kaarsen die worden aangestoken bij de diverse heiligen. Zelf doe ik dat ook in naam van mijn moeder bij de Heilige Antonius van Padua, de heilige van de gevonden voorwerpen (H. Antonius, beste vrind, zorg dat ik mijn sleutels vind) voor wie mijn moeder een hartstochtelijke liefde koesterde. Vaak loop ik over het plein aan de voorkant om op de linkeroever naar de historische boekhandel Shakespeare & Company te gaan. Als ik dan in gezelschap ben, sta ik stil bij het westelijk voorportaal en wijs op het beeld van Synagoga en daarnaast het beeld van Ecclesia. De twee vrouwenfiguren symboliseren het jodendom en de kerk. Synagoga’s ogen zijn geblinddoekt door een slang, haar staf is gebroken en haar kroon ligt op de grond. Ecclesia is majestueus met een kroon op haar hoofd, staf en een kelk in haar hand. De kerk als triomfator over het vertrapte en door de kerk vernederde en vervolgde jodendom.  

Ecclesia_et_synagoga_RTL-640x400

De tijd van de jodenvervolgingen zijn voorbij en de Notre Dame mag wat mij betreft eeuwig blijven bestaan mede als getuige van een geschiedenis die haar enorme schaduwzijden heeft. Maar ik vrees dat de meeste mensen die de kathedraal bewonderen daar geen boodschap aan hebben. Die zijn liever blind dan ziende. Dat geldt ook voor de grote gulle gevers die hun naam op een plaquette zullen zien staan in de gerestaureerde Notre Dame, en die zich ongetwijfeld per taxi of privé-chauffeur door hun mooie stad laten vervoeren terwijl ondertussen de Misérables in hun eigen pis in de portieken liggen. 

Als we ons door deze brand realiseren dat niets eeuwig bestaat, dat we altijd kwetsbaar zijn, dat we onze blinddoeken moeten afgooien, dat schoonheid tijdelijk is, en we ook als er geen ramp is we iets kunnen doen aan de wereld om die voor zoveel mogelijk mensen een betere plek te maken, dan heeft de brand werkelijk zin gehad. 

  

Feministische archeologie: Maurycy Gottlieb en de Grote Verdwijntruc

Het leven van voorlopers gaat niet altijd over rozen. Zo bracht Rachel Carson al in de jaren zestig het onverantwoorde gebruik van pesticiden in haar boek Silent Spring onder de aandacht. Het boek kreeg veel lezers maar het duurde nog lang voordat haar gelijk doordrong tot in de vezels van de samenleving. We zijn meer dan vijftig jaar  verder en ondertussen is de schade niet te overzien en wordt er krachtig actie gevoerd om het tij van vernietiging, snel gewin en de macht van de farmaceutische gifboeren te keren. Zo gaat het altijd. Er bestaan geen uit het niets komende revoluties, alles wordt al lang ervoor voorbereid zoals ook de status quo ooit is begonnen als revolutie. Pesticiden die grotere oogsten beloofden en dat waarmaakten maar zonder dat wij de echte prijs wilden/willen betalen en waarover de Cassandra’s de mond werd gesnoerd .  

Terecht klaagt Karin Spaink in haar column van 10 oktober over de stelling dat #metoo een recente openbaring zou zijn. Veertig jaar geleden was Spaink betrokken bij het mee ontwikkelen van beleid tegen seksueel geweld. De PSP vroeg de regering toendertijd  een samenhangend beleid te ontwikkelen, en dat tot prioriteit te verheffen. Die motie werd met grote meerderheid aangenomen. Nee, niet alleen veertig jaar geleden, je kunt rustig zeggen meer dan bijna vijftig jaar geleden was seksueel geweld al een van de speerpunten in de Tweede Golf. Vrouwen spraken onder elkaar over wat zij hadden ervaren, er werden belangrijke onderzoeken gedaan, er werd gestudeerd en geanalyseerd en er werden artikelen geschreven over dit verzwegen gigantische probleem. 

We waren voorlopers en nu is dan eindelijk de bom gebarsten en is er een wereldwijde gifbelt opgegraven. Zo gaat het altijd en daar kun je zoals Spaink moe van worden (ik zelf heb er ook wel eens last van), maar het is ook verheugend dat wij nog meemaken dat er zo’n enorme golf van bewustzijn over dit onderwerp gaande is en dat ook meer mannen dan voorheen zich op een goede manier in de strijd werpen.  

Vrouwen een rol toekennen of in het gunstigste geval drie: moeder, maagd of hoer, lijkt in onze samenleving niet meer van toepassing, maar wie wat nauwkeuriger kijkt en zeker elders in de wereld, ziet dit drietal nog overal, ook al werkt een vrouw. De hardnekkige beelden zijn in ons collectief geheugen opgeslagen en door middel van cultuur, politiek en religie worden die beelden meestal in stand gehouden. Die beelden zijn soms mooi, inspirerend maar nog vaker normerend. Zij geven weer hoe wij (vrouwen en mannen) naar vrouwen kijken en behoren te kijken. Door de eeuwen heen is die blik vrijwel exclusief een mannelijke geweest. Daarom zit alles zo diep, zowel bij vrouwen als mannen, en is er een gestage revolutie van voorlopers en feministische archeologen nodig om uiteindelijk iets te veranderen. 

Een mooi voorbeeld van hoe stuitend en ingewikkeld het blootleggen van de mannelijke blik kan zijn, vond ik in een artikel uit 2006 van Pnina Lahav, ‘A Chandelier for Women. A tale about the Diaspora Museum and Maurycy Gottlieb’s ‘Day of Atonement’ – Jews praying on Yom Kippoer’ dat ik van een vriendin kreeg. 

Maurycy_Gottlieb_-_Jews_Praying_in_the_Synagogue_on_Yom_Kippur

Ah, ik zie het al, zal de oplettende beschouwer opmerken, vrouwen op het balkon in de synagoge. Maar dat laten we even rusten want er is meer te vertellen. 

Dit schilderij is heel bekend in de Joodse wereld. Het geeft een blik in de Joodse wereld in Polen in de late negentiende eeuw. Mannen, vrouwen en kinderen in de synagoge op Grote Verzoendag. Zo modern zag die joodse wereld van de 19e eeuw er toen ook uit en vrouwen nemen op dit schilderij een prominente plaats in zoals zij dat  deden in die gemeenschappen. We weten zelfs enkele namen van de vrouwen die model stonden. O.a. de toenmalige verloofde van Gottlieb (Laura Rosenfeld) en haar moeder (rechtsboven). Ook al zitten de vrouwen op het balkon, zij maken substantieel deel uit van het schilderij. Zij zien er voor die tijd modern uit en hebben het gebedenboek in de hand. 

Wat Gottlieb niet kon bevroeden is hoe zijn schilderij onderwerp zou worden van een heftige controverse tussen het Diaspora Museum van Tel-Aviv en een aantal feministen onder wie Dafna Izraeli, professor in de sociologie aan de Bar-Ilan Universiteit. Izraeli is gestorven maar Pnina Lahav heeft het hele verhaal in een uitgebreid artikel beschreven.* 

We spreken over de jaren tachtig en negentig en in de Israëlische maatschappij is de gelijkheid van vrouwen ook een onderwerp waarover wordt gesproken. Het Diaspora Museum stelde in die tijd een collectie samen rond zes thema’s en Izraeli constateerde dat het Museum in zijn presentaties de rol van vrouwen in de cultuur en geschiedenis marginaliseerde. Het meest bijzondere was de creatie van een bijzondere audio-visuele ervaring in een donkere ruimte die uiting moest geven aan het gevoel van de ‘Days of Awe’, de Hoge Feestdagen, waaronder Yom Kippoer. Op een van de muren was een reproductie te zien, een grisaille (schildering in grauwtinten), van Gottlieb’s beroemde schilderij. Tot verbijstering van Izraeli waren de vrouwen op het balkon verdwenen en in plaats daarvan hing er een kroonluchter. Het artikel van Pnina Lahav over de strijd die er vervolgens werd gevoerd en de argumenten die ter verdediging werden aangedragen door de verantwoordelijke personen en het museum zijn even verbijsterend als de verdwijning van de vrouwen zelf. 

Een kleine greep uit de argumenten: 

‘We hadden nog geen kennis en bewustzijn van feministische ontwikkelingen.’  Dat lijkt me sterk en alsof dat je vrij pleit van zomaar een kunstwerk verminken. 

‘We hebben een nieuw kunstwerk gemaakt met de grisaille.’ Alsof je zomaar een kunstwerk mag veranderen. 

‘We wilden de personen op de voorgrond vanwege hun kavana (vroomheid en de heiligheid van het gebed) beter laten uitkomen.’ Dus daarvoor mag je een kunstwerk verminken en de vrouwen die ongetwijfeld ook kavana bezitten verwijderen. 

‘Het schilderij was niet representatief genoeg.’ Lees: voor een nostalgische shtetl visie. Gottlieb zou niet de realiteit hebben geschilderd. Dus passen wij het aan aan onze realiteit. Daarom mag je een modern schilderij gebruiken en de ongewenste elementen verwijderen. Dat heet citeren in het artistieke jargon. 

O ja, en nog wat: ‘die vrouwen zitten waarschijnlijk te roddelen. Er kijkt er maar een in het gebedenboek.’ Zij zijn bezig met onspirituele zaken terwijl de mannen met het hogere bezig zijn. Het is dus niet meer dan normaal dat die lage wezens worden  verwijderd.

Diverse belangrijke feministen worden ingeschakeld om hun visie te geven, maar in 1993 hangt het vermaledijde werk er nog steeds. Er worden zelfs vragen in het parlement gesteld en de conclusie was dat het museum een sectie van de tentoonstelling, waar de grisaille te zien was, sloot en uiteindelijk werd de grisaille verwijderd. Natuurlijk had het museum in een groots gebaar het origineel kunnen ophangen (eventueel naast de grisaille) maar dat zou niet stroken met hun visie en er was waarschijnlijk ook onwil om te buigen voor de ijzersterke argumenten van de feministen. 

De verontwaardiging bij het grote publiek betrof vooral de verminking van een kunstwerk en minder de verwijdering en marginalisering van de vrouwen. Maar dat was wel de essentie voor de feministen die dit onderzoek verrichten, en zij kunnen alleen maar geprezen worden in hun volharden om de waarheid boven tafel te krijgen en alle schijnargumenten (zowel van betrokken mannen en vrouwen van het Museum) in een grondige analyse te weerleggen. De kroonluchter die hoort te verlichten, heeft in dit geval vooral veel verduisterd.

De gerechtvaardigde conclusie kan alleen maar zijn dat het weglaten van de vrouwen in het schilderij van Gottlieb een aggressieve en gewelddadige handeling was en bovenal een uiting van verzet tegen verandering en modernisering. 

Op de vrouwengalerij van het schilderij speelt zich nog een ander verhaal af. Want wie zijn die 19e eeuwse vrouwen? In ieder geval zit er mevrouw Gottlieb, Maurycy’s moeder en Laura Rosenfeld en haar moeder.

Laura Rosenfeld heeft uiteindelijk haar verloving met Gottlieb verbroken en zijn hart gebroken. Hij stierf op 23 jarige leeftijd. Laura trouwde met de rijke bankier Henschel. Na zijn dood (zij was dertig jaar met hem getrouwd en had vier dochters) heeft zij een geheel eigen carrière opgebouwd. Zij ging in de zorg voor armen en had contact met de feministen van haar tijd en hield zich bezig met de opvoeding van jonge meisjes. Weliswaar om hen krachtig, bewust en dienstbaar te maken voor het gezinsleven, maar in ieder geval niet om hen tot huissloof en huisslavin op te voeden. Zij werd bekend onder de naam Mutter Henschel. Zij is de overgrootmoeder van moederszijde van Christine Cornelius (haar achterkleinkind), die mij het artikel over Gottlieb’s schilderij gaf. Haar ouders boden Andreas Burnier in Eindhoven haar eerste onderduikadres. Een cultureel en intellectueel geïnteresseerd gezin (de vader, Peter Cornelius zat in het verzet) waarin zij zich als een vis in het water voelde en waarin zij helaas maar kort kon verkeren. In 1951 zal de echtgenoot van Andreas Burnier, Emanuel Zeylmans van Emmichoven, lid van Castrum en uitgever van het tijdschrift Castrum Peregrini* een nummer wijden aan Mutter Henschel. Hoe wonderlijk zijn de wegen van de geschiedenis!

Het opgraven van verborgen schoonheid en ellende en alles in het licht brengen is een taak die zich eindeloos zal herhalen en die we onvermoeibaar moeten voortzetten omdat het scheppen van een nieuwe cultuur niet kan zonder feministische archeologie. Je kunt niet voortbouwen zonder fundament. Een fundament dat is gelegd door diverse vrouwenbewegingen maar ook door veel individuele vrouwen als Rachel Carson, elke vrouw die haar mond opent voor #metoo, Els Kloek met haar twee monumentale werken 1001 vrouwen en de individuele 2002 vrouwen die zij heeft opgegraven uit de Nederlandse geschiedenis*, Karin Spaink die samen met anderen in de PSP beleid heeft ontwikkeld tegen seksueel geweld. Pnina Lahav en Dafna Izraeli die zo veel tijd en energie hebben gestoken in het analyseren van wat ook afgedaan had kunnen worden als een onbeduidend incident, of in het geheel niet zou zijn opgemerkt in een andere tijd. Maar ook werk verricht door minder voor de hand liggende vrouwen als Mutter Henschel, die de vrouwen in haar familie en daarbuiten, weliswaar in de geest van de tijd, krachtig en zelfbewust heeft gemaakt, en zo iemand als Maurycy Gottlieb die de wereld heeft weergegeven zoals hij die heeft gezien, een voorbode van moderniteit. 

Vele stappen, het gestaag doorploegen maakt de grond rijp voor nieuwe ontwikkelingen en voor een rechtvaardigere wereld. Onze argumenten en analyses kunnen het denken beïnvloeden maar de meeste mensen worden gedreven door emoties en daar kan de rede vaak niet tegenop. We zullen ook de harten moeten winnen en daar is veel tijd en uithoudingsvermogen voor nodig. 

  • De historische mannenclub van Castrum Peregrini en hun leermeeester Wolfgang Frommel worden, na vele getuigenissen die er niet om liegen, in een kwalijk daglicht gesteld wegens seksueel misbruik door met name Frommel onder het mom van ‘pedagogische eros’. Destijds was Castrum een gerespecteerd cultureel gezelschap met een eigen tijdschrift waarvan Emanuel Zeylmans van Emmichoven de uitgever was.
  • Pnina Lahav, ‘A Chandelier for Women. A Tale About the Diaspora Museum and Maurycy Gottlieb’s ‘Day of Atonement’ – Jews Praying on Yom Kippur.’ Project Muse. Israel Studies 11,1 (2006) 108-142.
  • Recent verscheen het tweede deel en naar aanleiding van deze publicatie is er een tentoonstelling in het Amsterdam Museum die vorige week werd geopend door Koning Willem Alexander. Dat onderstreept het belang van deze uitgave.

Is er dan niets meer heilig?

Recycling:

Elke week wordt er in de synagoge een deel uit Tora gelezen en wordt er commentaar op geleverd: klassieke interpretaties door geleerden en rabbijnen maar ook door anderen. In 1995 werd ik gevraagd om wat te schrijven over de sidra van die week die ook deze week (week van 12 februari 2018) weer wordt gelezen. 

Column gepubliceerd in NIW februari 1995 in de serie: Sidra van een leek. 

Over Troema (Sjemot-Exodus 25/26/27:1-19) 

‘Is er dan niets meer heilig?’

De minutieuze beschrijving van de voorbereidingen voor de Bouw van de Ark van het Verbond zijn een waar festijn voor de zinnen. Zoals een fraai recept je kan doen watertanden, zo wordt door de opsomming van Egyptisch linnen, allerlei kleuren wol, kleden van geitehaar, ramsvellen, dolfijnhuiden, fijn leer, koper, goud, zilver, brons, onyx, lapis lazuli, kruiden, olie en acaciahout, een beeld opgeroepen van rijkdom en esthetiek. En dit alles krijgt een bijzondere waarde omdat het giften zijn van ‘everyone whose heart so moves him’, het zijn uit het hart geschonken aardse goederen om het heiligste der heiligen een woonplaats te bieden, een geheiligde plek. Dat wat niet te vatten is, waarvan geen beeld kan bestaan, krijgt hierdoor een aardse omhulling waarbinnen zich het onuitsprekelijke, het uiteindelijke geheim bevindt. Het geheim is dus een lege ruimte, maar met een lading die sterker is dan die van welke energiebron ook. Hier is de aanwezigheid van de Eeuwige zelf. Door een ruimte te heiligen, als uitdrukking van iets dat niet waarneembaar is, werden primitieve voorstellingen voorgoed naar het rijk der afgodendienst verwezen. Er werd hiermee vooruitgelopen op moderne natuurwetenschappelijke bevindingen die ook over de oergrond van het bestaan in bijna religieuze termen spreken omdat normaal, alledaags spraakgebruik, laat staan het personifiëren of anderszins verbeelden, tekortschiet.

Maar onze woorden en gedachten willen zich toch ergens aan hechten. Wij gaan niet naar het graf van een van onze dierbaren omdat wij denken dat die persoon daar nog aanwezig is, maar omdat wij op die plek gemakkelijker verbinding kunnen leggen tussen het aardse en het onuitsprekelijke. Het geheim van de dood is daar beter te benaderen dan op de tramhalte van lijn 2. Doordat meerdere mensen dat daar doen, wordt de begraafplaats een plek met lading, een geheiligde plek.

Net zo is de Ark van het Verbond zowel een symbool van de Eeuwige en ook niet. Zij helpt ons door haar tastbaarheid. Zij is een omhulling gemaakt van het beste wat de aarde te bieden heeft: materie uit het hart geschonken, voor wat uiteindelijk onvoorstelbaar is.

Ark verbond1

Maar de Ark van het Verbond is er niet meer. Wij moeten het nu doen met de herinnering eraan en de zinnelijke beschrijving ervan in Sjemot of met de fantasie van Harry Mulisch in zijn boek De ontdekking van de hemel, of met wetenschappelijke en semi-wetenschappelijke verhalen over de mogelijke verblijfplaats van de Ark. Volgens een van die verhalen bevindt de Ark zich nu in Ethiopië. Op een televisie-documentaire hierover zag ik een oude man, de wachter van de Ark, voor een oud gebouwtje staan waarbinnen de Ark zich nog steeds zou bevinden. Zo geheim is de Ark dat wij zelfs haar omhulling niet mogen zien. De Ethiopische wachter stond, kwetsbaar en ongewapend ervoor. Ik stelde mij voor dat op een plek in Amsterdam een oude man voor een vervallen huisje zou staan waarbinnen zich een Geheim bevond. Hoelang zou de man zo kunnen staan? Een uur, een dag? Het moderne levensgevoel verdraagt geen geheimen. Het parasiteert op de permanente onthulling, het openbaar maken niet alleen van negatieve geheimen (wandaden), maar ook van geheimen die juist hun kracht onlenen aan het feit dat zij onuitsprekelijk zijn en omzichtig dienen te worden benaderd. Een oude man in Nederland zou, zodra men er lucht van zou hebben gekregen dat hij een geheim bewaakte, zijn leven niet meer zeker zijn. Bruut zou hij door onverlaten opzij worden geschoven, zijn sleutel zou hem worden ontfutseld en de heilige ruimte zou worden betreden. De bruten zouden verbaasd staan te kijken als zij, in plaats van eer schat, een tastbaar juweel of een som gelds, ‘niets’ zouden vinden. Uit woede zouden zij het huisje vernielen, de oude man mishandelen en misschien zelfs doden omdat zij zouden denken dat zij bedrogen zijn.

Ik maak mij zorgen over het geheim en de heiligheid. ‘Is er dan niets meer heilig?’, heette een lezing van Salman Rushdie. Ik ben bang van niet. De moderne westerse cultuur heeft geen boodschap aan geheim en heiligheid en dat zal het uiteindelijk de das omdoen. De redding zou kunnen liggen in de kunst van het abstraheren, het geheim en de heiliging in je ziel bewaren, de weinige plekken die lading hebben te bewaken, en het beeld van die man in Ethiopië in je hart te koesteren. Moge de Altijd Aanwezige hem beschermen.

Daniel van Mourik