Blog

Kill the Widow

images-3Op 17 november 2015 was er in de Rode Hoed een Hommage aan Andreas Burnier vanwege het verschijnen van Burniers biografie, Metselaar van de wereld, door Elisabeth Lockhorn en Ruiter in de wolken. Joodse essays 1990-2002 door Andreas Burnier en bezorgd uit haar nalatenschap door Manja Ressler en Daniel van Mourik. Op die avond sprak Daniel van Mourik de volgende column uit.

 

 

Kill the Widow

Wij, weduwvrouwen van beroemde en bekende mensen zijn niet populair en als je leest wat Jeroen Brouwers ooit over Mieke Vestdijk, de weduwe van de grote Vestdijk, schreef dan gaat er een put van seksisme en ronduit vunzige praat open. Als er iets is dat de benepenheid en kleinheid van een groot schrijver illustreert dan zijn het wel deze uitspraken.

Ondertussen is MiekeVestdijk wel in ere hersteld o.a. door Martin van Amerongen (De Groene 5 juli 1996) , maar toch blijft dit beeld nazinderen:

De kunstenaarsweduwe slaapt in en staat op met het rode potlood achter haar oortjes. Daarmee schrapt zij elke verwijzing naar mogelijke buitenechtelijke verhoudingen of vergelijkbaar wangedrag uit de biografieën. Wat waren zij lastig, de weduwe Orwell, de weduwe Tucholsky, de weduwe Vian, de weduwe Van Randwijk en de weduwe Achterberg!, schrijft Van Amerongen. Zij zaten met hun onbestorven achterwerk op de documenten en weerden zich vrouwmoedig tegen de boze buitenwereld. Jammer (dachten de biografen) dat zij met alle geweld hun echtgenoot wensten te overleven. ‘Kill the widow’, sprak Wam de Moor, sprekend over de biografische problemen, terwijl de weduwe Vestdijk op de eerste rij zat.

Ja, schrijft Van Amerongen, na Vestdijks overlijden bleek Mieke Vestdijk een lastig mens te zijn: voor de Vestdijkvlooien die geen grenzen kenden. Ondertussen stimuleerde zij de heruitgave van de romans, stelde zij een bundel poëzie samen, bezorgde zij een boek over de opera Merlijn en schreef zij een deelbiografie over Vestdijks laatste jaren. Haar credo staat op de laatste bladzijde: ‘Laat mij me maar bezighouden met een goede verzorging van de diverse uitgaven en de bevordering van de bekendheid van Simons werk.’
Dit zijn de woorden, zegt Van Amerongen van een vrouw die besloten heeft een artistieke erfenis zo gewetensvol mogelijk te beheren, niet meer en niet minder.

Van Amerongen had gelijk. Daar gaat het over: het gewetensvol beheren van een artistieke nalatenschap.

Leve de biograaf!

Waarde biograaf, lieve Elisabeth, de biografie die je hebt geschreven over Andreas is vers van de pers en jarenlang hebben wij met elkaar gesproken over alle aspecten van haar leven. Juist het spreken over iemand die er niet meer is, is een gewetensvolle aangelegenheid.

Als partner ging ik vervolgens zelf ook door proces van introspectie op het moment dat je mij je vragen stelde. Ik was betrokken bij een groot deel van Andreas’ leven. Dertig jaar waarvan ik twintig jaar met haar samen was.

Hoe vaak heb jij niet te horen gekregen: ‘als het maar geen hagiografie wordt’. Want schaduw moet er zijn, anders word je al voordat er een woord is geschreven niet serieus genomen. En dat is terecht. Er is geen mens die geen schaduw heeft, maar dat is niet het punt. Het punt is hoe je erover schrijft. Hoe beschrijf je pijnlijke en moeilijke periodes of karaktereigenschappen, de dynamiek tussen partners, ouders en kinderen. Hoe liefdevol en meedogend ben je als je je in het leven van iemand anders verdiept. Hoe oordelend, veroordelend, genadeloos, of sensatiebelust. Daarom is het schrijven van een biografie zo buitengewoon moeilijk. Als schrijver van fictie heb je de vrijheid om meedogenloos autobiografisch te zijn en je hele hebben en houwen op je romanpersonages te projecteren, maar een biograaf moet worstelen met het leven van haar onderwerp en met haar eigen leven. Zij bewandelt de dunne lijn van afstand en betrokkenheid.

De weduwe speelt een belangrijke rol, want zij zit inderdaad met haar onbestorven achterwerk op de documenten, en zij kan met het rode pennetje correcties aanbrengen. Wat opvalt in de verhalen over de weduwe (bestaan er eigenlijk wel weduwnaren behalve Ted Hughes?) dat er nooit gesproken wordt over het feit dat de weduwe ook de biograaf moet verdragen. Een publieke persoon heeft haar of zijn werk aan de wereld geschonken, maar een biograaf die meent recht te hebben op het hele leven van die persoon, of haar of zijn interpretaties van dat leven dwingend oplegt aan de lezers, gedraagt zich eigenlijk net zo als de door, meestal hem, verguisde weduwe. Kill the biographer als variant zou in het geval van Mieke Vestdijk misschien niet zo gek zijn geweest.

Lieve Elisabeth, ik hoop dat ik voor jou niet de persoon ben geweest die als een brok graniet voor het leven van Andreas ben gaan staan, maar iemand die zelfs in de schaduw het positieve kan zien, of in het positieve de schaduw. Zoals de zwarte en witte punt in het Yin-Yang teken. En ja, het is de taak van de weduwvrouw om lastig te zijn, daar is niets mis mee. Ik dank je dat je mijn heftigheid in het allerlaatste moment van het proces terwijl je zelf ook op je tandvlees liep, hebt kunnen verdragen.

Ik heb gedurende het hele proces gezien dat je met een kritische blik maar altijd met liefde en mededogen het leven van Andreas hebt beschreven. Dat je over toppen en door dalen bent gegaan. Dat je als een terriër hebt volgehouden deze toch eenzame arbeid (ondanks alle hulp) te volbrengen. Je was meer dan een te verdragen biograaf.

Dat je Andreas een leven na haar dood hebt gegeven in de vorm van deze prachtige biografie, daar ben ik je oneindig dankbaar voor.

Leve de biograaf!

Lechaim op Andreas in de Hemelse Academie!

Locks of Love

Gepubliceerd op 10 februari 2015 op de blogsite van Atria door de voormalige bibliothecaris Ineke (Daniel) van Mourik.

images

Op 14 februari a.s. is het Valentijnsdag, de dag waarop de commercie (vooral de Amerikaanse) heeft bedacht, dat wij onze geliefden verrassen met liefdesbetuigingen maar vooral met geschenken. Een oorspronkelijk religieuze feestdag ingenieus omgetoverd tot dag van de aardse liefde.

Liefde: schreeuw het van de daken, schreeuw tegen de wind in, schreeuw met John Lennon mee. Maar als er iets moeilijk is dan is het liefde. Maar daar heeft de commercie geen boodschap aan. En de verliefden? Die hebben daar ook nog geen boodschap aan. Ik moest daaraan denken toen ik over de brug  naar het Leidseplein reed en zag dat aan de schaarse ringetjes trosjes hangsloten hingen en ik herinnerde me dat ik vorig jaar over dat fenomeen een stukje had geschreven in Parijs.

Voor alle geliefden deze overpeinzing:

Locks of Love

Het is stralend weer in Parijs. Lente 2015. Weer om verliefd te zijn, te worden of te blijven. Het is warm en tegelijkertijd streelt een lichte wind de vermoeide toerist of slenteraar. Ik ben een flaneur langs de Seine en de bouquinisten. Dierbare sjacheraars met hun antiquarische boeken, oude prenten en goedkope prullaria die al van oudsher vanuit hun groene opklapbare kisten hun handel tentoonspreiden. Zij zijn mij nu nog dierbaarder omdat zij tegen de tijdgeest in hun handel drijven.

Ik zou ze willen toeroepen: volhouden, niet opgeven want er komt een tijd dat iedereen de buik vol heeft van virtuele boeken en prenten en dat handen weer willen voelen, neuzen willen ruiken, en dat zij naast hun e-reader een rijk gevulde boekenkast willen hebben met tastbare schoonheden.

Locks of love

Bij veel van de bouquinisten zijn tegenwoordig ook slotjes te koop. Hangsloten die door geliefden aan een brug worden vastgeklonken en vervolgens wordt het sleuteltje in de Seine gegooid. ‘Pauvre Pont’, zeg ik tegen de bouquiniste die mij meewarig aankijkt. Maar het is waar, de Pont de L’Archevêché gaat zwaar gebukt onder het gewicht van de slotjes. De hele brug schittert en glanst van de sloten. Het is indrukwekkend en tegelijkertijd beklemmend. Locks of Love heten ze in het Engels. De geschiedenis van het ontstaan van dit gebruik kun je lezen bij Wikipedia, de onvolprezen internet encyclopedie.

Maar dit gebruik heeft ook een schaduwzijde. De liefdesuitingen zijn zo groot dat de brug er bijna onder bezwijkt, maar geen enkel liefdespaar dat zich daar om bekommert. Hun liefde verdient het om bezegeld te worden ook al stort de brug ervan in. En de vernietigende kracht van de liefde gaat nog verder. Locks of Love: hangsloten.  Wat is dat is voor een symbool? Met het vuur van hartstocht bezegelen duizenden toeristen hun liefde, zetten die liefde vervolgens op slot en gooien de sleutel weg.

Maar wat zal er gebeuren als al die liefdesparen hun liefde willen verlossen uit de beklemming van het hangslot? Zien we dan de komende jaren eindeloos veel mensen duiken naar hun sleuteltje in de Seine?

Dat zou pas een spektakel zijn.

Parijse miniatuur

Geschreven in 2014 in Parijs.

Het oude Chinese echtpaar

In het parkje voor de Mairie van het 3e arrondisement in Parijs, zit een oud Chinees echtpaar op een bankje. De vrouw en de man kijken recht voor zich uit met onbewogen gezichten, geplooid door de tijd. Er is een kleine afstand tussen hen maar zij lijken met elkaar vergroeid. De vrouw opent haar tas en haalt er twee lollies uit. Zwijgend geeft zij er een aan haar man. In een gelijk ritme zuigen zij op de rode bol, voorzichtig houden zij het groene stokje in de rechterhand. Soms zijn hun handen in hun schoot en steekt minutenlang alleen het groene stokje uit hun mond. Dan, als op afspraak, staan beiden op en lopen enkele meters. De vrouw stopt en haalt het stokje uit haar mond. Bovenaan het groene stokje is nog maar een minuscuul rood bolletje te zien. De man doet hetzelfde en laat haar zijn onooglijk bolletje zien. Ze zijn even groot. Ze lopen door en zuigen op de laatste resten.

 

Afscheid Maaike Meyer hoogleraar

Essay geschreven in 2014 voor de essaybundel bij het afscheid van Maaike Meijer.

images-1

Met jouw mond bij mijn oor

De orale traditie in het leven en werk van Maaike Meijer

‘In an oral culture, words are supported by the presence, the energy and the reputation of the speaker, they are the extension of his or her power and they exact attention from the listeners as measured against the eminence of the speaker’ (Derrick de Kerckhove, Oral versus Literate Listening) (1)

Het is in de tweede helft van de jaren zeventig, de heftige bloeitijd van het feminisme, als ik vanuit Nijmegen Maaike in Amsterdam bezoek. Maaike studeerde mediaevistiek en gaf tegelijkertijd les aan een middelbare school. Zij was gepassioneerd in haar studie en het lesgeven zat haar in het bloed. Met de wind in de haren, geliefde voor op stang van haar herenfiets tussen haar stevige armen, hond in een kistje achterop, fietsten we langs de Amstel. (2)

Met haar mond dicht bij mijn oor kreeg ik de regels van de retorica uitgelegd, werd het raadsel van de jonkvrouw die nooit lachte in de Graalromans uitgeplozen en tussendoor werden gedichten geciteerd.  Als het al te verheven werd, barstte Maaike los in de onvervalst Amsterdamse smartlap: ‘Wordt nooit verliefd’, een lied dat tot op heden nog regelmatig door haar wordt aangeheven op feesten, partijen of gewoon op straat.

Zoals een Initialtraum bij Freud wordt in dit lied de hele levensloop en levensbeschouwing van Maaike reeds aangekondigd. Natuurlijk is zijzelf de beste persoon om hier een analyse op los te laten, maar ik zal een bescheiden poging doen geïnspireerd door Maaike’s oratie bij het aanvaarden van de Opzij leerstoel in 1999.(3)

9056810553

Even terzijde dient nog vermeld te worden dat ik nog nooit zoveel lachende hoogleraren bij een oratie heb gezien als bij deze. Niet alleen door de komst van Corry Brokken aan het einde, maar ook omdat de kersverse hoogleraar haar betoog illustreerde door zelf fragmenten van de liederen te zingen.

Maar nu eerst de tekst van het lied. Voor degenen die het willen horen of willen meezingen, verwijs ik naar Youtube. (4)

Wordt nooit verliefd
(Louis Davids/Margie Morris 1920)

Zoodra ik zestien jaren werd,
Heeft moeder me gezegd:
‘Mijn kind, vertrouw het manvolk niet,
Die kerels zijn zoo slecht,
Ze maken al de meisjes gek,
Alleen voor tijdverdrijf,
Ze hebben allemaal het zelfde
Smoessie an d’r lijf.’
En hoe meer ik het bekijk,
Mijn moeder had gelijk.

Refrein:
Wordt nooit verliefd, want dan ben je verloren,
Je zeilt er in tot allebei je ooren.
Wordt nooit verliefd, meisjes, wat ik zeg is waar,
Als je verliefd wordt, dan ben je de sigaar.

Mijn moeder zei: ‘De man houdt eerst
Een meisje aan de praat.
Je krijgt een advocaatje en
Een stukkie chocolaad.
Je zegt op alles ja en je
Bent veilig en vertrouwd,
Wanneer je ‘m vijftig centimeter
Van je lijf af houdt.’
En hoe meer ik het bekijk,
Mijn moeder had gelijk.

Ik heb mijn moeder eens gevraagd:
‘Mijn vrijer houdt zo aan,
Die wil bij avond altijd in ‘t
Plantsoentje wand’len gaan.’
Toen zei mijn moeder: ‘Ga je gang,
Dat wand’len kan geen kwaad,
Als het maar altijd wandelen blijft
En je nooit zitten gaat.’
En hoe meer ik het bekijk,
Mijn moeder had gelijk.

In haar oratie spreekt Maaike over teksten uit de jaren vijftig en zestig en hoe deze teksten en beelden bemiddelen in het tot stand komen van nieuwe identiteiten, nieuwe zelfbeelden. Maar zou je dat ook al kunnen zeggen over een lied uit de jaren twintig? Het is een ironisch, realistisch lied en tegelijkertijd een tragisch lied. Want de pil was nog ver weg, seksualiteit eerder een kwaad dan een goed, wandelen nog onschuldig vermaak zolang je maar niet ging zitten, en de dochter neemt de raad van de moeder ter harte. Mannen worden afgeschilderd als schobbejakken die maar op een ding uit zijn en ook daar lijkt de dochter de moeder gelijk in te geven. Zo is de wereld en je kunt er maar het beste rekening mee houden, want anders ben je de sigaar. Tegelijkertijd weten zowel de moeder als de dochter dat je uiteindelijk toch de sigaar bent (als je in het huwelijk treedt) en dat je er maar het beste van kunt maken en zo’n lied helpt daarbij. Het lied zou je als de eerste stap kunnen zien uit het moralisme van de cultuur en religie naar een wat ironischere benadering, lachen om de ellende die je ten deel kan vallen. Zingen tegen de verdrukking in.

In de jaren zeventig krijgt dit oude lied een heel andere kleur. Een kleine groep lesbisch-feministen zingt het uit volle borst als strijdlied. Het lied weerspiegelt nog steeds een realiteit maar de tekst die meezingt, die als boventonen boven de melodie en de woorden uitstijgt, is dat dochters zich aan dat noodlot kunnen ontrekken en hun eigen identiteit kunnen verwerven zonder zich te hoeven overgeven aan heteronormen. Een radicale visie die elke keer werd onderstreept als we het lied zongen. We vergaten daarbij dat wij ook met het refrein te maken zouden krijgen, dat was van later zorg.

images-2

Feit is dat het populaire lied ‘Wordt nooit verliefd’ uit de Jantjes zich door middel van de orale cultuur een plaats heeft verworven in de lesbische vrouwencultuur. Er is in de loop van de geschiedenis betekenis aan toegevoegd die er niet door de schrijvers Louis Davids en Margie Morris in is gelegd.

Voordat Maaike bij de universiteit ging werken was zij activiste, publiceerde, vertaalde en gaf lezingen. Door haar werk bij de universiteit heeft haar talent zich verdiept en hebben de twee werelden van binnen en buiten de universiteit zich verenigd in wat ik als het hoogtepunt beschouw van haar  carrière tot nu toe: de biografie van Vasalis.

Een van de leukste, meest creatieve, speelse, feministische hoogleraren neemt nu afscheid van het wetenschappelijke bedrijf. Een hoogleraar die ook trouw bleef aan haar hartstocht voor de orale cultuur en die combineerde met haar wetenschappelijke status.

Het leven houdt niet op na je pensioen. Er zal worden geschreven, gelezen en herlezen, gezongen, gedanst en gestreden. En we zullen gedichten aan elkaar voorlezen. Zoals dit gedicht van Adrienne Rich dat Maaike vertaalde en dat geen enkele analyse nodig heeft:

I

In deze stad waar bioscoopreclames flikkeren

vol pornografie, science-fictionvampieren,

gehuurde slachtoffers gebukt onder de zweep,

moeten ook wij lopen … zo gewoon

als door verregende vuilnis, langs de alledaagse

wreedheden van onze eigen buurt.

We moeten ons leven pakken midden in

die ranzige dromen, die schroothoop, die afgang

en de rode begonia die gevaarlijk flitst

op de vensterbank van een huurkazerne, zes verdiepingen hoog,

of de jonge meisjes met lange benen die een balspel doen

op de speelplaats van de junior highschool.

Niemand heeft ons bedacht. We willen leven als bomen,

wilde vijgebomen, lichtend in de bezwavelde lucht

met littekens bedekt, toch overdadig in de knop,

onze hevige hartstocht in de stad geworteld.

 

Noten:

1 Don Campbell (red.), Music: Physician for Times to Come. Quest Books Theosophical Publishing House, Wheaton (Ill.) 2000.

2 Dit is een typisch beeld uit de jaren zeventig. Daartoe behoorde in bepaalde kringen het toeëigenen van herenfietsen door (meestal) lesbisch-feministen, het roken van sigaren en pijp in mannencafé’s, het dragen van geheime jongensnamen in navolging van beroemde schrijvers als Andreas Burnier, George Sand en George Eliot, en een niet-feministisch politiek-correcte bewondering voor de geschriften van G.K. van het Reve.

3 MaaikeMeijer, Machtige melodieën. Populaire teksten uit de jaren vijftig en zestig als bron voor cultuurgeschiedenis. Universiteit Maastricht, 1999.

4 Adrienne Rich,Eénentwintig liefdesgedichten. Vertaald door Maaike Meijer, Uitgeverij Vrouw Holle, Utrecht 1980.

 

Lezen: Wat de verbeelding niet vermag! Essays bij het afscheid van Maaike Meyer. Redactie Agnes Andeweg en Lies Wesseling. Uitgeverij Vantilt, Nijmegen 2014 Opgenomen in de collectie van Atria, kennisinstituut van emancipatie en vrouwengeschiedenis te Amsterdam

 

Vrouwencultuur in de Valeriusstraat: honderd jaar Fontainehofje

Geschreven in 2013 voor de jubileumpublicatie van het Fontainehofje

images

Toen ik samen met mijn partner Andreas Burnier (literair pseudoniem van C.I. Dessaur, voorloopster in de jaren zestig van de vrouwenbeweging en overleden in 2002) in 1989 in de Valeriusstraat ging wonen, duurde het niet lang of ik ontdekte dat wij tegenover een hofje woonde. Boven de voordeur prijkte in steen uitgehouwen de naam: Fontainehofje.

Elke Amsterdammer kent de hofjes in de Jordaan en op de grachten en het beroemdste hofje, het Begijnhof, maar weinigen kennen het Fontainehofje. Gesticht in 1754 en sinds 1913 gevestigd aan de Valeriusstraat. Het deed mijn feministische hart goed dat dit hofje niet alleen voor vrouwen was maar ook nog eens door een vrouw was gesticht: Petronella Calkoen. Haar bejaarde (vrouwelijk) personeel kon er de oude dag in rust en zekerheid slijten. Later kwamen andere oudere vrouwen ook in aanmerking om er te wonen, mits protestant en van onbesproken gedrag.

Het hofje bestaat honderd jaar in onze straat en nog steeds wonen er alleenstaande vrouwen en in het regentenhuis woont een nazaat Calkoen met haar gezin. Een keer per jaar wordt het hofje opengesteld en wie op oudjaar langskomt ziet de bewoners op de stoep zitten bij een vuurmand met een glas wijn in de hand. Iets dat waarschijnlijk honderd jaar geleden geen onbesproken gedrag zou zijn.

Honderd jaar Fontainehofje in de Valeriusstraat is ook deel van de vrouwengeschiedenis en ik vroeg me af of de vrouwen van het hofje ook op een andere manier betrokken waren bij, of kennis namen van belangrijke gebeurtenissen die zich in de afgelopen jaar honderd jaar op het gebied van vrouwenemancipatie hebben afgespeeld? Spraken zij erover of was dat iets voor andere vrouwen? Want wat is er allemaal gebeurd de afgelopen honderd jaar.

In 1913 was Aletta Jacobs al een bekende feministe en voorvechtster van het vrouwenkiesrecht uit Eerste Feministische Golf. Zij was in 1871 de eerste vrouw die tot de universiteit werd toegelaten. In 1919 kregen vrouwen actief kiesrecht. Wat hebben de vrouwen van het hofje toen gedaan? Hebben ze het gevierd? Maakten zij er gebruik van? En werd er in 1929 gerouwd toen Aletta Jacobs overleed?

In 1898 was de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid en werd de Nationale Vrouwenraad van Nederland opgericht. Gingen de dienstbodes van de familie Calkoen naar de tentoonstelling? In 1900 richtte Roosje Vos de eerste Nederlandse vakvereniging voor vrouwen op, de cooperatie Samenwerkende Linnennaaisters. Binnen de SDAP voerde zij ook strijd voor het vrouwenkiesrecht. Zou aansluiting hierbij voor de christelijke vrouwen van het hofje hebben geleid tot gedrag dat niet zou worden getolereerd?

In 1912 werd de eerste Internationale Vrouwendag in Nederland gevierd en in 1917 werd Suze Groeneweg (SDAP) de eerste vrouw in de Tweede Kamer. Mijlpalen in de geschiedenis van de emancipatie van vrouwen. Waren de vrouwen in het hofje zich hiervan bewust?

In 1935 wordt in Amsterdam het internationaal Archief voor de Vrouwenbeweging opgericht. Waren de dames van het hofje hiervan op de hoogte?

Wat kregen zij mee van de oorlog en de wonden die dit sloeg in Amsterdam? In 1945 wordt de verzetstrijdster Hannie Schaft door de Duitse besetter opgepakt en vermoord.

Na de oorlog waren er veel ontwikkelingen: in 1956 werd Marga Klompé (KVP) de eerste vrouwelijke minister en werd de handelingsonbekwaamheid van gehuwde vrouwen opgeheven. In 1958 wordt Liesbeth Ribbius Pelletier (SDAP) het eerste vrouwelijk lid van de Raad van Staten.

Langzamerhand worden allerlei ontwikkelingen in de vrouwenbeweging meer en duidelijk zichtbaar en het lijkt bijna onvermijdelijk dat de vrouwen van het hofje daar kennis van hebben genomen. De introductie van de anticonceptiepil in 1964 zal ongetwijfeld veel deining hebben veroorzaakt en misschien heeft een van de vrouwen ook wel de Nederlandse vertaling van de tweede sekse van Simone de Beauvoir in 1965 gelezen.

In ieder geval weet ik dat de vrouwen die er nu wonen vaak goed op de hoogte zijn van al de ontwikkelingen van na de oorlog op het gebied van vrouwenemancipatie. Zo zijn het artikel van Joke Kool-Smit, Het onbehagen bij de vrouw (het begin van de Tweede Feministische Golf), de opkomst van MVM en Dolle Mina, het tijdschrift Opzij, Blijf van m’n Lijfhuizen, De schaamte voorbij van Anja Meulenbelt en het grote aantal vrouwenboekhandels en cafe’s in de jaren zeventig en tachtig, bij bijna iedereen bekend.

De vrouwen van het hofje zijn met hun tijd meegegroeid. Zij zijn  op een of andere manier deel gaan uitmaken van een vrouwengeschiedenis die is begonnen bij de liefdadigheid en de sociale verantwoordelijkheid van een deel van de hogere klassen en die is uitgemond in de emancipatie van vrouwen van alle klassen en een samenlevingsvorm die nu na honderd jaar nog steeds levensvatbaar is: sociaal en modern .

Ik prijs mij gelukkig om tegenover al deze sterke vrouwen te wonen en door de gesprekken met hen deelgenoot te zijn van een kostbare geschiedenis.

Lezen: Honderd jaar hofje in Zuid. ‘In het velden ligt het heden en het nu wat worden zal’. Gwen van Gelder, Stichting Het Fontainehofje. Jubileumuitgave over de geschiedenis van het Fontainehofje (1913-2013) en haar oprichtster, patriciërsvrouw Petronella Fontaine-Calkoen. Marianne Tielemans (tekstredactie).

Opgenomen in de collectie van Atria, Kennisinstituut voor emancipatie en vrouwengeschiedenis, Amsterdam. http://www.atria.nl

Barsten in het paradijs

Column geschreven voor OPZIJ oktober 2012

Tot mijn 11de levensjaar was mijn leven een paradijs en deed ik alles wat mijn jongens- en meisjeshart begeerde. Maar met het klimmen der jaren kwamen er barsten in dat paradijs. Het bleek te zijn opgedeeld in gebieden die je als meisje niet meer mocht of kon betreden. Me daarbij neerleggen zit niet in onze genen of, zoals mijn zusje altijd zegt: ‘Als ik een hek zie wil ik eroverheen.’ Het feminisme kwam als geroepen en toen ik door veel lezen ontdekte dat een wereld van wetenschappelijk, religieus en patriarchaal geblaat het fundament vormde van deze wereldwijde discriminatie was ik wakker.

Al tijdens mijn studie nam ik een radicale beslissing en begon met een aantal vrouwen in 1977 een vrouwenboekhandel/documentatiecentrum en café in Nijmegen, De Feeks. Zonder noemenswaardige PR stroomden de vrouwen toe en wij droegen bij aan een levendige landelijke feministische subcultuur. De innerlijke noodzaak was hoog, de tijd was rijp en er voltrok zich een wonderbaarlijke revolutie die ik als de succesvolste van de twintigste eeuw beschouw. Er was nauwelijks geld, maar veel inspiratie, inzet en energie brachten in een relatief korte tijd enorme veranderingen teweeg.

En hoe ligt de wereld er nu bij? Ik beweeg mij tussen himmelhoch jauchzend und zu Tode betrübt: de meiden van het voetbalteam FC Twente krijgen een auto, kleding en geld om zich in het damesvoetbal waar te maken. Vrouwen aan de top stoten hun hoofd aan het glazen plafond of raken verdwaald in het labyrinth. Het aantal vrouwelijke hoogleraren is bedroevend laag. Vrouwen doen het goed in de studie en lijden aan keuzestress omdat alles mogelijk is.

Op straat fietsen vrouwen op herenfietsen. Wereldwijd zijn vrouwen slachtoffer van uitbuiting en geweld. Wereldwijd roeren vrouwen zich en wij kunnen ons nu via de sociale media makkelijker dan in de vorige eeuw met elkaar verbinden en acties voeren. Want de revolutie is niet ten einde, zij gaat door. Luid roepend en krijsend, bedachtzaam analyserend, in het persoonlijke en politieke, in huis en op straat en in de stilte van een gestage innerlijke ontwikkeling die de eeuwenlange indoctrinatie zal transformeren.

Innerlijke noodzaak, gevoel van rechtvaardigheid en ethisch handelen zijn mijn feminisme en ik voel me verwant met al degenen die vanuit eenzelfde visie het leven vorm willen geven.

De erotiek van Anna Blaman

Eerder gepubliceerd op 12-7-2010 op de blogsite van Aletta door Ineke van Mourik (bibliothecaris).

images-8

‘Haar benen lang en glad – zij lacht en ligt
loom achterover – ik zie hoe diep en ver de lijnen
van haar benen zijn en denk eraan met afgewend gezicht’

In 1948 verschijnt Anna Blaman’s roman Eenzaam avontuur en ogenblikkelijk breekt een literaire rel uit vanwege de (weliswaar schaarse) homo-erotische passages. Wie nu in de romans van Blaman op zoek gaat naar deze homo-erotiek zal zwaar worden teleurgesteld, maar destijds was Nederland nog zwaar doortrokken van religieus moralisme en het is altijd verbazingwekkend om te zien hoe moralisten zelfs subtiele literaire passages kunnen opblazen tot uitingen van decadentie en verderf.

In het oeuvre van Blaman vinden we ook lesbische gedichten zoals bovenstaande regels uit het gedicht ‘Vrouwen’. Maaike Meijer schrijft hierover in het hoofdstuk ‘Lezen als lesbo’ in haar proefschrift De lust tot lezen:
‘Vanwege het grote taboe op het lesbische, de uitsluitend negatieve beeldvorming, en het ontbreken van ontmoetingsplaatsen was de meest fundamentele ervaring van elke lesbienne er een van diepe eenzaamheid. Het vinden van een partner was zeer moeilijk en vele vrouwen hebben geleefd in verhoudingen zonder seks. Lesbisch zijn was bijna synoniem aan voortdurend afgewezen worden: dat is de context van Blamans lesbische gedichten.’

 

Maar dat Blaman in deze context dit soort gedichten schreef is al balsem voor elke lesbo-ziel. En wie (ho of he) deze zomer haar briefwisseling met Emmy van Lokhorst en Sonja Witstein, Ik schrijf het je grof-eerlijk, gaat lezen, leest brieven van een vrouw die interessant, erudiet en inderdaad grof-eerlijk is in haar ontboezemingen over de liefde. Enkele passages:
‘In wezen heb ik zo’n smachtende natuur dat ik me al zou kunnen branden aan een vrouw als ik haar ternauwernood zou aanraken – Daartegenover heb ik een soort vrijgezellen-instelling van waaruit ik mijn eenzame vrijheid evenwichtig handhaaf en geestelijk probeer uit te buiten.’

images-9

Ook over haar verhouding met Marie Louise Doudart de la Grée en de worsteling om hiermee om te gaan schrijft zij openhartig in een brief aan Emmy van Lokhorst:
‘Als ik je schrijf dat ik in feite zo weinig liefde heb gehad bedoel ik zeker niet dat ik te weinig genegenheid zou hebben ondervonden; in dat opzicht voel ik me soms een zondagskind. Maar wat de erotiek in z’n sensuele vorm betreft, weinig heb ik gekregen en veel heb ik afgewezen. Hierin vind ik mezelf nogal gecompliceerd. Het kansje in Zeist (Marie Louise Doudart de le Grée – IvM) heeft dus zuiver betrekking op mijn verlangen naar sensuele erotiek. Het eigenaardige is echter, en dat heb ik je weleens, geloof ik, gezegd of geschreven, een erotische zwelgpartij vindt ogenblikkelijk zijn reactie in een verlangen naar ascese. Misschien berust toch wel mijn homosexualiteit op een sterke moederbinding, zodat de wellust die een vrouw in mij kan opwekken een symbolische bloedschennigheid betekent – Maar ik weet het werkelijk niet, Emmy, ik voel mijn diepste driften heel mijn leven al als zoveel raadsels. Ik hoop dat oud genoeg word om me daarin nog eens meedogend te verdiepen.’

O, had Anna maar langer geleefd, dan hadden we ons in die Freudiaanse bloedschennige moederbinding en de raadselen nog eens meedogend kunnen verdiepen. Anna Blaman stierf op 13 juli 1960 op 55 jarige leeftijd. Vandaag is haar vijftigste sterfdag en het hele verdere jaar wordt dat herdacht in Rotterdam waar zij woonde en werkte. Het huis waar zij woonde met haar moeder, zus en zwager krijgt een gedenkplaat en elders in de stad komt een beeld van een Harley Davidson waar zij altijd op reed. Op de site annablaman.com kun je meer vinden over de activiteiten en ook Blamans stem horen.
Andreas Burnier merkte ooit op, dat een sterfdag eigenlijk de geboortedag aan de andere zijde is. Dat vind ik mooi opgemerkt. Want dat betekent dat 13 juli ook een feestdag is.

Selectie uit de collectie van Aletta/Atria
Anna Blaman, Over zichzelf en anderen ; poëzie, artikelen en lezingen
Corrie Lühr, Mijn zuster Anna Blamanboek
Henk Struyker Boudier, Speurtocht naar een onbekende : Anna Blaman en haar ‘Eenzaam avontuur’
Aad Meinderts (red)/Anna Blaman, Ik schrijf het je grof-eerlijk : briefwisseling met Emmy van Lokhorst en Sonja Witstein
Anna Blaman, Ontmoeting met Selma (1943) in: Xandra Schutte (red) Damesliefde

Lees ook mijn andere blog over Anna Blaman: Anna Blaman en haar Harley-Davidson

Sites
www.annablaman.com
http://nl.wikipedia.org/wiki/Anna_Blaman
http://www.dbnl.org/auteurs/auteur.php?id=blam001
Maaike Meijer, Lezen als lesbo Hoofdstuk 8 uit De lust tot lezen
http://www.dbnl.org/tekst/meij017lust01_01/meij017lust01_01_0011.php

Violette: een woestijn in monologen

Eerder gepubliceerd op 21-1-2014 op de blogsite van ATRIA – Kennisinstituut voor emancipatie en vrouwengeschiedenis door Ineke van Mourik (bibliothecaris).

images-6

‘Ik ben een woestijn die alleen in monologen kan spreken’, zegt Violette Leduc tegen Simone de Beauvoir in de film ‘Violette’. Een film over een unieke en complexe vrouwenvriendschap in een literaire, door mannen gedomineerde wereld in het Parijs van voor en na de Tweede Wereldoorlog.

Violette Leduc en Simone de Beauvoir
Vorige week heb ik na het zien van de film ‘Violette’ een kaars aangestoken om Violette Leduc te eren en te herinneren zoals je dat doet bij een dierbare overledene. Leduc behoort voor mij bij de grote Franse schrijvers. Zij maakte met haar boeken ‘ De bastaard’ en ‘Thérèse en Isabelle’ al in de jaren zeventig van de vorige eeuw een onuitwisbare indruk op mij door haar geheel eigen, onverbloemde en prachtige wijze van schrijven. Violette Leduc had een uniek talent dat onmiddellijk door de toen al beroemde Simone De Beauvoir werd gezien. Zij stimuleerde het schrijverschap van Leduc, deed buitengewoon veel moeite om haar werk onder de aandacht van uitgevers te brengen en hielp haar financieel.

In de film ‘Violette’ laat de regisseur Martin Provost dit mentorschap van de Beauvoir op indrukwekkende wijze zien. ‘De Beauvoir is vaak veroordeeld, maar ik wilde nu eens die formidabele kant van haar laten zien; hoe zij een andere vrouw min of meer geschapen heeft. Buitengewoon is het. Violette was heel erg alleen. Die eenzaamheid zocht ze ook deels, maar als ze echt alleen was gelaten, was ze nooit tot schrijven in staat geweest, denk ik. Ik denk dat De Beauvoir voor Violette als een vader was. Ze hield precies de juiste afstand. Ze bleef haar stimuleren. Niemand doet dat meer nu. Terwijl zo’n mentor voor een kunstenaar heel belangrijk is; de uitgever, de verzamelaar. En over die relatie wordt zelden gesproken. Dat wilde ik laten zien.’ (interview Volkskrant 8/1/2014)
Maar de film is meer: Provost vlecht in zijn verhaal ook de verhouding van Violette en haar moeder.

‘De tweede sekse’ van De Beauvoir is een mijlpaal in de geschiedenis van de vrouwenbeweging, maar als De Beauvoir alleen bekend was geworden vanwege het feit dat zij de drijvende kracht achter het succes van Leduc was dan was dat voor mij al voldoende geweest om haar de hemel in te prijzen.

Thérèse en Isabelle

images-7In 1985 verschijnt bij de feministische uitgeverij Sara te Amsterdam in de Serie Moderne Klassieken ‘Thérèse en Isabelle’. Een boekje dat in 1965 voor het eerst verscheen in Frankrijk, en in 1969 voor het eerst in Nederland verscheen bij Bruna. De tekst maakte oorspronkelijk deel uit van het boek ‘Ravages’ dat in 1955 geamputeerd verscheen. De erotische passages die Leduc schreef werden gecensureerd door de uitgever. Leduc zelf voelde zich mishandeld en dat wordt in de film op een heftige wijze in beeld gebracht. Opmerkelijk was deze censuur in het Parijs van die dagen waar mannen zich literair erotisch konden uitleven op een voordien ongekende manier.

O, la, la, les femmes, maar zij moesten zich wel aanpassen aan de geest van de tijd. Of zoals Leducs uitgever Gaston Gallimard opmerkte: ‘Men zal het haar niet vergeven dat zij een vrouw is en over mannen en de liefde spreekt zoals tot nu toe alleen mannen over vrouwen spreken.’
Maar dat was het niet alleen want de bi-seksuele Leduc had nog meer noten op haar zang. In ‘Thérèse en Isabelle’ beschrijft zij op onnavolgbare wijze de liefde tussen twee meisjes op een kostschool. Ineens weet ik waarom ik weerstand voel om naar de film ‘La Vie D’Adèle’ te gaan. De lange film met zijn langdurende expliciete seksscènes die menigeen verrukken of waarvoor mensen de zaal uitlopen. Is het zo onverdraaglijk te zien dat seksualiteit tussen vrouwen in zichzelf voldoende kan zijn? Dat die seksualiteit geen gemankeerde seks is zoals het volksgeloof graag wil zien? Ik zou zeker niet de zaal uitlopen, maar wat weerhoudt mij dan? Ik houd van observeren maar in mij schuilt geen voyeur van het expliciet tussenbeense. Ik houd van de parallelle wereld die door taal of beeld wordt opgeroepen, of waar die parallelle wereld een verwijzing naar is. Een wereld die alle zintuigen aanspreekt. Deze wereld blijft verborgen bij expliciete seksscènes.

In Thérèse en Isabelle weet Violette Leduc die zinnelijke wereld en parallelle wereld op te roepen in een weergaloze taal. Je wordt meegenomen, blijft geen afstandelijke voyeur, maar verdwijnt zelf in het verhaal, in de taal. In de film zegt Leduc ‘ Ik ben een woestijn die alleen in monologen kan spreken.’ Maar het wonderlijke is dat zij door die monologen met mij de lezer, een verbinding aangaat. Hoe paradoxaal kan het leven zijn.

In 1985 schreef ik een inleiding bij het boekje ‘Thérèse en Isabelle’ dat toen bij uitgeverij Sara verscheen. Ik herlees de inleiding en passages uit het boek. Leduc was een eenzame voorloopster, een unieke vrouw met een pen van laaiend vuur. ‘Haar openheid was een schandaal’, vertelt de regisseur van de film, Martin Provost, in het interview in de Volkskrant.
Ik steek een kaars voor haar aan en bedank haar postuum voor haar oeuvre waarmee zij mede dankzij de steun en vriendschap met De Beauvoir de wereld verrijkte.

Scan

Van Bron van eenzaamheid tot Gay Canal Parade

Eerder gepubliceerd op 4-8-2013 op de blogsite van ATRIA – Kennisinstituut voor emancipatie en vrouwengeschiedenis door Ineke van Mourik (bibliothecaris).

images-3

In 1928 verschijnt het beroemde, beruchte, verboden, verguisde, en bewonderde boek The Well of Loneliness (Bron van eenzaamheid). Het boek werd dankzij rechtszaken in Engeland en de Verenigde Staten in Nederland en vele andere landen vertaald, veel gelezen en op salontafeltjes gelegd als stilzwijgende code om de bezoekster duidelijk te maken dat de gastvrouw wellicht lesbische belangstelling had. De schrijfster: Marguerite Radclyffe Hall of kortweg Radclyffe Hall.

Ladies Almanack
In hetzelfde jaar schrijft en illustreert Djuna Barnes in Parijs, de toenmalige vrijstaat van vrijdenkende kunstenaars en schrijvers, haar Ladies Almanack dat in eigen beheer en onder een schuilnaam werd uitgegeven. Het verhaal leidde een ondergronds bestaan tot 1972. Toen gaf Barnes zelf toestemming tot herdruk. Ladies Almanac, geschreven in anachronistisch Engels verscheen in 1990 bij de feministische uitgeverij Furie in de prachtige vertaling en met een mooi en verhelderend nawoord van Martha Vooren.

images-5

Djuna Barnes, was van oorsprong Amerikaanse en woonde sinds de jaren twintig van de vorige eeuw in Parijs. Zij bestreed daar de censuur o.a. die tegen The Well of Loneliness was gericht. Waar de Well doordrenkt is van de medische (Havelock Ellis e.a.), psychologische en sociologische terminologie van die tijd waarin de homo’s congenitaal geïnverteerden werden genoemd, hanteerde Barnes een heel eigen speels taalgebruik. De spil van het lesbische leven in Parijs was Nathalie Barney met haar Temple de l’ Amitié in de tuin van de Rue Jacob 20. Hier geen getob en getheoretiseer over het lesbische als afwijking. Het lesbische leven was vol vreugdevolle creativiteit en de normale relatieperikelen van een geleefd lesbisch leven. In de Almanack is Barney dame Evangeline Musset en de diverse vriendinnen komen onder de meest fantasierijke namen de Almanak binnen wandelen:

‘Onder de Dames van wie wij schrijven waren twee Engelsen. De een was van Adel en heette Lady Buk-en-Balk, de ander niet en zij heette gewoon Tillie Tweed-in-’t-Bloed. Lady Buk-en-Balk was uitgerust met een Monocle en zij geloofde in geesten. Tilly Tweed-in-’t-Bloed was uitgerust met een Herenhoed en zij geloofde in het Huwelijk.’

Terug naar de Bron van eenzaamheid

Bron van eenzaamheid
Wie in 1928 probeerde een exemplaar van de Bron in handen te krijgen en daarbij dacht een hoogst erotische roman in handen te krijgen, heeft zich wellicht bekocht gevoeld. Voor de erotiek kon je je beter in de salon van Nathalie Barney en haar gezelschap wagen, maar de Radclyffe Halls boek is wel een monument in de lesbische literatuurgeschiedenis en in de geschiedenis van de censuur. Het boek is ook een pleidooi voor het dameshuwelijk. De hoofdpersoon, Stephen Gordon, is een mannelijke ‘congenital sexual invert’ uit de hogere klasse. Freud beschouwde homoseksualiteit als uiting van een gestagneerde ontwikkeling en de theorieën van de seksuologen zou je, in het licht van die tijd, kunnen zien als een kleine vooruitgang.
De ‘female invert’ had een masculine ziel, gesymboliseerd in de persoon van Stephen Gordon die veel trekken vertoont van de schrijfster zelf die door haar geliefde John werd genoemd. Hall gebruikte in haar boek niet alleen de voor die tijd progressieve theorieën van de seksuologen maar ook haar religieuze visie: God heeft de seksueel geïnverteerden geschapen en daarom moet de mensheid hen accepteren.

Van zo’n opmerking kan zelfs nu de katholieke kerk nog wat leren. In Frankrijk, waar grote oppositie is tegen het net toegestane homohuwelijk, heeft de aartsbisschop van Lyon en enorm staaltje van akelige retoriek tentoongespreid: homoseksualiteit zou leiden tot bestialiteit en incest bevorderen. Als hoge vertegenwoordiger van een Kerk die talloze zedenmisdrijven op zijn geweten heeft, zou het toch erg passend zijn voor hem om een aantal tonen lager te zingen en zich inhoudelijk op de hoogte stellen van nieuwe ontwikkelingen.
De geschiedenis van de homoseksualiteit en homoseksuelen staat bol van de misdrijven die in de naam van de wet en religie homoseksuelen is aangedaan. Daarom verdienen individuen als Radclyffe Hall, ook al maakte zij gebruik van verouderde ideeën over homoseksualiteit, een belangrijke plaats in onze geschiedenis.

images-2

Gay Canal Parade 2013
Afgelopen vrijdag was ik aanwezig bij een gay service (voor internationaal publiek) in de meest progressieve synagoge van Amsterdam Beit Ha‘ Chiddush (Huis van Vernieuwing). Aanwezig was een rabbijn uit Frankrijk die in een open brief heeft kenbaar gemaakt dat hij homo is. Hij is de eerste openlijk homoseksuele rabbijn in dat homophobe land. ‘Waarom moet u dat zo nodig van de daken schreeuwen?‘, kreeg hij als commentaar. Grappig, zo’n opmerking hoor je wel meer van zowel hetero als ho-zijde. Afgezien van het feit dat een open brief een uiterst beschaafd middel is om iets kenbaar te maken, wordt het minste of geringste geluid al als luid en bedreigend ervaren. Houd je stiller dan stil, koester dan koest, zwijg, verberg, dan overleef je misschien. Maar dat zwijgen heeft niets opgeleverd. In 7 landen staat de doodsstraf op homoseksualiteit en in 67 landen is het strafbaar en daarom werd er gisteren tijdens de Canal Parade weer met veel lawaai, muziek en vooral veel plezier onze aanwezigheid in de wereld kenbaar gemaakt.

Kom er maar eens om in die enge totalitaire landen dat defensie (en de minister), de politie, het kabinet, de belastingdienst, bedrijven, belangenorganisaties, de voetbalbond (heel voorzichtig), een aantal politieke partijen, ziekenhuizen, het Aidsfonds, drag queens, Human Right Watch, Youtube (die het direct uitzond), de Nederlandse Bank, uitgedoste vrienden- en vriendinnenclubs, internationale actievoerders, extravagante individuen, en hetero’s, meevaren in een Gay Canal Parade.
Moge het niet lang duren dat regeringsleiders als Poetin, Mugabe, religieuze leiders die hel en verdoemenis preken over homoseksualiteit en al hun talloze volgelingen overal de geschiedenis ingaan als barbaren en criminelen. Mensen met bloed aan hun handen omdat zij de menselijkheid en vrijheid van mensen hebben gedegradeerd en met geweld hebben proberen te beteugelen wat niet te beteugelen is.

Daarom moeten we het van de daken blijven schreeuwen want dan wordt het onmogelijk om ons terug in de kast te duwen en het zal anderen stimuleren en helpen om uit de kast te komen. Voor mij begon dat schreeuwen in de jaren zeventig toen de lesbo’s o.a. een belangrijke homodemonstratie in 1979 in Amsterdam organiseerde. Om na zoveel jaren nog steeds de kracht en de vitaliteit van de homobeweging te zien, was meer dan hartverwarmend.

Amsterdam baadde in een zonnig stralend licht. Langs de grachten was het één groot feest van omstanders die alle deelnemers aan de Parade toejuichten. Zo licht en vrolijk kan de homostrijd dus ook zijn. Radclyffe Hall en al die andere dames uit die tijd zouden hun oren en ogen niet kunnen geloven.
Aan de gevel van de Hermitage aan de Amstel hangt de regenboogvlag. Nu St. Petersburg nog.

 

Van Nachtwacht tot Wombtomb

Eerder gepubliceerd op 9-6-2013 op de blogsite van ATRIA – Kennisinstituut voor emancipatie en vrouwengeschiedenis door Ineke van Mourik (bibliothecaris).

Het Rijksmuseum ademt na een lange periode van inademing weer uit. Afgelopen zaterdag bracht ik een bezoek. Natuurlijk ga ik kijken naar Vermeer’s Brieflezende Vrouw en de Nachtwacht. Maar op de derde verdieping wacht mij een verrassing.

 

images-1

De onderdoorgang
Na jarenlange sluiting van Het Stedelijk Museum en het Rijksmuseum te Amsterdam werd het feest deze lente want de musea openden eindelijk hun deuren. Het weer was slecht maar het culturele leven ging bloeien. De fietsers die jarenlang de onderdoorgang van het Rijksmuseum moesten missen, konden eindelijk weer hun favoriete route gebruiken. Dit kan voor mensen buiten Amsterdam een futiel genoegen lijken, maar het is bijna zo groot als de opening van het museum zelf.
Vorige week fietste ik met twee vriendinnen midden in de nacht onder het museum door richting Zuid. Ik ging zingen om te kijken of de akoestiek nog steed zo mooi is. Ja dus. En toen gebeurde het: toen we onder het museum door waren, ontvouwde zich een nachtelijke ruimte, het brede Museumplein. Ik moest stoppen want het overviel me. Zo mooi. In een stad als Amsterdam heb je maar een klein aantal plekken waar de ruimte zich zo voor je opent. De pont naar Noord over het IJ en als je vanuit de onderdoorgang naar Zuid fietst hebben die kwaliteit. Voor deze laatste mogelijkheid is jarenlang gevochten en er wordt nog steeds over gevochten. Maar wie de schoonheid ervan ervaart, weet hoe belangrijk het is deze gelegenheid te blijven bieden. Dan wint gevoel het van efficiëntie.

De Nachtwacht en Vermeer
Een museumkaart biedt je de luxe om wat te slenteren door een museum. Je hoeft niet perse alles te zien. Toch ga ik als eerste naar de Nachtwacht. Het schilderij is indrukwekkend opgesteld en de meeste bezoekers klonteren samen rond het grote meesterwerk van licht en schaduw. Achter mij staat een vrouw die met een onvervalst Amsterdams accent zegt: ‘Eigenlijk is het maar een klein rot schilderijtje.’ Ik moet erover nadenken. Ik dacht ook dat het groter was. Wordt door de aandacht voor de Nachtwacht ons beeld ervan opgeblazen? Of zijn we door het moderne leven gewend geraakt aan enorme proporties waardoor de Nachtwacht ineenschrompelt? Een andere bezoeker merkt op dat het schilderij door de restauratie wel erg helder is geworden alsof het werk in zijn niet gerestaureerde staat, somberder en donkerder, eigenlijk authentieker was.

Door naar de Brieflezende Vrouw van Vermeer. Ook hier is het aantal bezoekers groter dan elders en je begrijpt waarom. Wat een mooi verstild beeld! Een kunsthistorica vergruizelt het verstilde beeld door een rationeel betoog over de compositie en de horizontale lijnen uit te storten over een braaf luisterende groep. O, ik wens een bank en daar te mogen zitten met mensen die alleen maar zwijgend willen genieten of van binnen een beetje willen huilen van ontroering.

Ferdi, Marlene Dumas en Bas Jan Ader
Op de derde verdieping waar het aanmerkelijk rustiger is, wacht mij een drievoudige verrassing.
Ik zie eerst een merkwaardig kunstwerk uit 1969 van Ferdi dat doet me denken aan Judy Chicago. Het heet Wombtomb, een van kunstbont gemaakt werk, een soort doodskist met bovenop een onmisbaar vorm die aan een vagina doet denken. Dood en leven samengebracht in een nogal opmerkelijk werk.

images
Wie is deze Ferdi? Thuis doe ik naspeuringen via het internet. Zij is een Nederlandse kunstenares, Ferdi Jansen, haar echtgenoot was de beroemde Japanse kunstenaarTajiri. Waarom heb ik nooit van haar gehoord? Net zoals ik jaren geleden ook nog nooit van de beeldhouwer Pearl Perlmutter de echtgenote van Wessel Couzijn had gehoord. Bij mij in de buurt op het Emmaplein staat een werk van haar en zo ben ik erachter gekomen wie zij was. Twee vrouwen in de schaduw van hun mannen maar die hun sporen wel nalaten voor degenen die het willen zien.
Het Laatste Avondmaal (1985-1991) van Marlene Dumas (zij is zeer bekend en gelukkig niet ondergesneeuwd door een huwelijk of de geschiedenis) is ook een opmerkelijk werk. Het is door een anonieme gever geschonken aan het Rijksmuseum. Een eenzame Jezus zit alleen aan het laatste avondmaal (de avond voor zijn kruisdood) en boven zijn hoofd zweven talrijke foetussen. Dood en leven in een beeld gevat.
In dezelfde ruimte is een filmpje te zien van een huilende man: ‘I am too sad to tell you’ (1971). Het is werk van Bas Jan Ader (1941-1975), de kunstenaar die in 1975 op 33- jarige leeftijd de Atlantische oceaan wilde oversteken met een te klein zeilbootje en na een tijd werd vermist. Tien maanden daarna werd zijn bootje gevonden voor de kust van Ierland.

Wat is de ontroering en het verband tussen Het Laatste Avondmaal van Marlene Dumas, Tombwomb van Ferdi (Jansen) en ‘I am too sad to tell you’ van Bas Jan Ader?
Het Rijksmuseum laat ons de rijke geschiedenis van de Nederlandse kunst zien. Beroemde werken geschilderd door grote mannen. Maar op de derde verdieping (1900-2000) zie je een andere wereld ontstaan: een kunstwereld die zich opent voor nieuwe visies. De wereld van Cobra, Rietveld, Appel, Art Nouveau en Yves Saint Laurent.. Nog meest mannen maar ook vrouwelijke kunstenaars worden meer zichtbaar. We zien Ferdi Jansen en Marlene Dumas die oude thema’s van dood en leven nieuw leven inblazen en een onconventionele man, Bas Jan Ader, die huilt en zichzelf tot subject van zijn kunst maakt. Een heftiger contrast met de zelfverzekerde mannen en traditionele vrouwen die zijn afgebeeld door mannelijke kunstenaars op de andere verdiepingen van het Rijksmuseum, is nauwelijks denkbaar.
Those were the days, maar onze tijd is een andere.

Ik loop naar buiten, door de onderdoorgang richting Zuid. In mijn hart heeft zich de schoonheid van het Rijksmuseum en de ruimte van de derde verdieping geopend, voor mijn oog opent zich de ruimte van het Museumplein.