Blog

Is er dan niets meer heilig?

Recycling:

Elke week wordt er in de synagoge een deel uit Tora gelezen en wordt er commentaar op geleverd: klassieke interpretaties door geleerden en rabbijnen maar ook door anderen. In 1995 werd ik gevraagd om wat te schrijven over de sidra van die week die ook deze week (week van 12 februari 2018) weer wordt gelezen. 

Column gepubliceerd in NIW februari 1995 in de serie: Sidra van een leek. 

Over Troema (Sjemot-Exodus 25/26/27:1-19) 

‘Is er dan niets meer heilig?’

De minutieuze beschrijving van de voorbereidingen voor de Bouw van de Ark van het Verbond zijn een waar festijn voor de zinnen. Zoals een fraai recept je kan doen watertanden, zo wordt door de opsomming van Egyptisch linnen, allerlei kleuren wol, kleden van geitehaar, ramsvellen, dolfijnhuiden, fijn leer, koper, goud, zilver, brons, onyx, lapis lazuli, kruiden, olie en acaciahout, een beeld opgeroepen van rijkdom en esthetiek. En dit alles krijgt een bijzondere waarde omdat het giften zijn van ‘everyone whose heart so moves him’, het zijn uit het hart geschonken aardse goederen om het heiligste der heiligen een woonplaats te bieden, een geheiligde plek. Dat wat niet te vatten is, waarvan geen beeld kan bestaan, krijgt hierdoor een aardse omhulling waarbinnen zich het onuitsprekelijke, het uiteindelijke geheim bevindt. Het geheim is dus een lege ruimte, maar met een lading die sterker is dan die van welke energiebron ook. Hier is de aanwezigheid van de Eeuwige zelf. Door een ruimte te heiligen, als uitdrukking van iets dat niet waarneembaar is, werden primitieve voorstellingen voorgoed naar het rijk der afgodendienst verwezen. Er werd hiermee vooruitgelopen op moderne natuurwetenschappelijke bevindingen die ook over de oergrond van het bestaan in bijna religieuze termen spreken omdat normaal, alledaags spraakgebruik, laat staan het personifiëren of anderszins verbeelden, tekortschiet.

Maar onze woorden en gedachten willen zich toch ergens aan hechten. Wij gaan niet naar het graf van een van onze dierbaren omdat wij denken dat die persoon daar nog aanwezig is, maar omdat wij op die plek gemakkelijker verbinding kunnen leggen tussen het aardse en het onuitsprekelijke. Het geheim van de dood is daar beter te benaderen dan op de tramhalte van lijn 2. Doordat meerdere mensen dat daar doen, wordt de begraafplaats een plek met lading, een geheiligde plek.

Net zo is de Ark van het Verbond zowel een symbool van de Eeuwige en ook niet. Zij helpt ons door haar tastbaarheid. Zij is een omhulling gemaakt van het beste wat de aarde te bieden heeft: materie uit het hart geschonken, voor wat uiteindelijk onvoorstelbaar is.

Ark verbond1

Maar de Ark van het Verbond is er niet meer. Wij moeten het nu doen met de herinnering eraan en de zinnelijke beschrijving ervan in Sjemot of met de fantasie van Harry Mulisch in zijn boek De ontdekking van de hemel, of met wetenschappelijke en semi-wetenschappelijke verhalen over de mogelijke verblijfplaats van de Ark. Volgens een van die verhalen bevindt de Ark zich nu in Ethiopië. Op een televisie-documentaire hierover zag ik een oude man, de wachter van de Ark, voor een oud gebouwtje staan waarbinnen de Ark zich nog steeds zou bevinden. Zo geheim is de Ark dat wij zelfs haar omhulling niet mogen zien. De Ethiopische wachter stond, kwetsbaar en ongewapend ervoor. Ik stelde mij voor dat op een plek in Amsterdam een oude man voor een vervallen huisje zou staan waarbinnen zich een Geheim bevond. Hoelang zou de man zo kunnen staan? Een uur, een dag? Het moderne levensgevoel verdraagt geen geheimen. Het parasiteert op de permanente onthulling, het openbaar maken niet alleen van negatieve geheimen (wandaden), maar ook van geheimen die juist hun kracht onlenen aan het feit dat zij onuitsprekelijk zijn en omzichtig dienen te worden benaderd. Een oude man in Nederland zou, zodra men er lucht van zou hebben gekregen dat hij een geheim bewaakte, zijn leven niet meer zeker zijn. Bruut zou hij door onverlaten opzij worden geschoven, zijn sleutel zou hem worden ontfutseld en de heilige ruimte zou worden betreden. De bruten zouden verbaasd staan te kijken als zij, in plaats van eer schat, een tastbaar juweel of een som gelds, ‘niets’ zouden vinden. Uit woede zouden zij het huisje vernielen, de oude man mishandelen en misschien zelfs doden omdat zij zouden denken dat zij bedrogen zijn.

Ik maak mij zorgen over het geheim en de heiligheid. ‘Is er dan niets meer heilig?’, heette een lezing van Salman Rushdie. Ik ben bang van niet. De moderne westerse cultuur heeft geen boodschap aan geheim en heiligheid en dat zal het uiteindelijk de das omdoen. De redding zou kunnen liggen in de kunst van het abstraheren, het geheim en de heiliging in je ziel bewaren, de weinige plekken die lading hebben te bewaken, en het beeld van die man in Ethiopië in je hart te koesteren. Moge de Altijd Aanwezige hem beschermen.

Daniel van Mourik

Dreaming in Yiddish Award 2017 Shura Lipovsky

This speech was held by me in New York on the 27th of December 2017 on occasion of the Dreaming in Yiddish Award for Shura Lipovsky. 

Shalom aleichem, dear audience

Tsi veystu vos es iz mit dir?

Alts iz vund un alts iz vunder.

Veytog veyt un vandert unter,

Borves shprotst a royz in tir.

The lyrics of this song, written by Shura Lipovsky for the generation of her parents says it all: vund un vunder. The wound of  the massacre of the Jews and their culture in Europe and the miracle of the revival (without the help of the Messiah) of this culture. Today we are honouring Adrienne Cooper and many other remarkable Jews (and sometimes non-Jews) who brought Yiddish culture back to life. Alts iz vund un alts iz vunder, borves shprotst a royz in tir. At a certain moment roses began to sprout from the wounds, a miraculous rebirth.

Shura NY2

Shura Lipovsky is the first European artist to be be awarded the Dreaming in Yiddish Award 2017, an Award in honour of Adrienne Cooper who died in 2011.

I feel very honoured to give you an impression of Shura’s work and background. I have to do it in 5 minutes which is already more than Twitter would allow and more than the one sentence that Hillel spoke when confronted with the question to explain the entire Torah while standing on one foot. So stand on both your feet. Here we go.

What happens if you are born in a non-Yiddish speaking family with a Jewish father who, as early as 1919, fled with his parents from Charkov (Ukraine) via Constantinopel, stayed in many different countries, finally ended up in France and who joined the resistance as a young student in World War II and smuggled Jewish children to Switserland; what if your father moved after the war to The Netherlands, The Hague, worked there as an engineer and married a non-Jewish woman whose family was connected to the resistance and the fate of the Jews; what if your mother was the one who brought you into contact with Yiddish culture, befriended Chana Millner (Dutch pioneer for the revival of Yiddish and Ladino songs) and rummaged flea markets in Paris to find Yiddish recordings; what if you are a sensitive girl and start singing these Yiddish songs, continue singing them and passionately devote your whole life to Yiddish culture, a culture that you were not born into?

Well, then you happen to become Shura Lipovsky, an internationally well known Yiddish singer and also a composer who brings light where there is darkness, consolation where there is sorrow, hope where there is desperation, knowledge and awareness where there is ignorance, humour and jokes where there is too much heaviness.

Her presence is radiant, her laugh irresistable and she is always on the side of optimism and hope. She is a dove of peace but one who has weathererd the storm. She is not only a harmonizer but also knows how to fight. She is too Jewish not see reality for what it is. She is too Jewish not to make a radical choice for life. Knowing about darkness she always turns toward the light to make life bearable. She is not just a singer, but also a magid who in her workshops, masterclasses, meditations, and in her storytelling brings people to their inner core, their authentic voices and to their inner strength. Because that is what keeps us going.

Shura is part of Yiddishland: she works with, is inspired by and relates to collegues from the United States (among them the late Ruth Rubin), England, Israël, The Netherlands, Germany, France, Russia, Moldavia, Poland. Shura’s home base is Amsterdam and she also lives partly in Paris where she has directed a choir for more than ten years. She is a wandering Jew by choice. Her most recent artistic development was stimulated in the past by Chana Mlotek (z.l), who urged Shura to write her own songs, which she now does. This proves that Yiddish culture is alive and kicking and not only an archive, thanks to the characteristics of the culture itself that is about life and living.

ShuraNY 3

Shura started performing and doing workshops in The Netherlands in the ’70’s for a mainly non-Jewish audience that  knew hardly anything about the existence of Yiddish and Yiddish culture. It created a collective enthusiasm. When she was twenty three she collected Yiddish songs in a booklet ‘Mir lebn eybik’ and described the Yiddish songs as a musical historical archive. Her workshops at The Jewish Music Festivals in Amsterdam were always very well attended and soon she became an ambassador for Yiddish culture in The Netherlands and a trusted expert for bringing Yiddish artists to mainstream concert halls. In the ’90’s she toured with Zalmen Mlotek (NY) and Jeff Warschauer (Boston). They had rehearsels by telephone. Those were the days.

When you live in Europe and become a witness of the daily impact that the atrocities of the persecution of Jews has on your family and culture, then it is an act of courage to go to the country where the air is loaded with death and dying: Poland. It is also an act of courage for those few people in Poland who invited Jews to bring their culture back. So Shura was invited to give a concert in 1993 in the Warsaw Philharmonic concert hall (together with Zalmen Mlotek and Jeff Warschauer) on the occasion of the 50th Memorial of the Warschauer Ghetto Uprising; to sing for the unveiling of a monument for Mordechai Gebirtig and later the official opening of The Mordechai Gebirtig home in 2014.

In 2004 she had met Theodor Bikel (z.l) and Tamara Brooks (z.l) in Krakow during the Jewish Festival in Kazimierz . They shared the same passion for peace projects and right from the beginning of their meeting Theo and Tamara recognized Shura’s artistic qualities and also her sense of humour (even our wisecracking Michael Wex would be in awe of Theo’s and Shura’s joking for hours). A couple of years later they made a tour together in Poland with Mostar Sinfonieta (an orchestra from Bosnia with members from different religions).

What we, as people from The Netherlands, learned from the US mentality is not be excessively modest, and there is far more to say about Shura’s artistic career but let me quote Theo while you are still standing on two feet: ‘I can state without reservation that she is a superb performer whose respect for the material is exemplary. When Shura Lipovsky performs a song it has both lyrical and dramatic integrity. In her rendition each song becomes a mini-drama, a story exquisitely told and transmitted.’

From one generation to another, from one individual to a whole community, a modern Yiddish tribe, from traditional songs to new sparkling compositions, from a small country to the whole world, from dust and heaviness to new life.

This is the road to this Dreaming in Yiddish Award.

It is true: At a certain moment a rose is growing in the door. Borves shprotst a royz in tir.

Daniel van Mourik

Het hele concert en uitreiking Award is te zien via: https://vimeo.com/250024215

In Memoriam: Rosa Ubjaan

Zaterdag 25 november 2017 was de uitvaart van Rosa Ubjaan. Zij werkte meer dan dertig jaar bij Atria, Instituut voor emancipatie en vrouwengeschiedenis en stierf onverwacht op zestigjarige leeftijd. Als voormalig bibliothecaris bij Atria en collega werkte ik met haar. Voor het intranet van Atria schreef ik dit In Memoriam.

Rosa Ubjaan

 

Rosa op het werk

Als je het kantoorgedeelte van Atria binnenkomt, weet je altijd waar Rosa zit. Zij heeft haar plaats bij het raam en kijkt uit op de Vijzelstraat. Iedereen heeft een flexplek, of wordt min of meer daartoe verplicht, maar Rosa zit altijd op dezelfde plek. Zij heeft die plek gekozen en zij is dan ook de enige die je altijd meteen kon vinden.

Op het Obiplein, toen Atria nog was gehuisvest in de Majellakerk, zat Rosa op de zesde verdieping en als je binnenkwam, zat zij in de hoek rechts verschanst achter haar computerscherm. Haar werkplek was veilig en beschut en zij koos zelf wel wanneer zij erachter vandaan kwam.

Zij was gereserveerd in de omgang, vertelde nooit iets over haar leven buiten het instituut, maar hield erg van plagerijen. Alle winden en stormen van reorganisaties, beleidsvergaderingen, fusies, en personeelsbijeenkomsten liet zij onverstoord over zich heen komen. Zij nam nooit het woord en nu met terugwerkende kracht vind ik dat een wijs besluit. Ik bewonder Rosa die waarschijnlijk dacht: ‘ok, leuk dat we mogen meepraten maar het management gaat toch gewoon zijn eigen gang.’

Haar eigengereidheid in verband met de flexplekken bevalt me ook. Een werkplek moet toegesneden zijn op de individuele behoeften van de werkneemster en ook al is het idee van efficiëntie mooi, er moet altijd ruimte zijn voor uitzonderingen. Rosa wachtte niet af maar nam zelf het initiatief. Nu zij er niet meer is, is die plek ineens een heilige plek geworden die morgen aan haar dierbare nichtjes zal worden getoond. Er staat een foto van Rosa en er staan bloemen. Het is een gedenkplaats geworden.

Rosa was voor mij als bibliothecaris (ik ben sinds 2014 met pensioen) een onmisbare informatiespecialist. Zij nam alle bladen door en gaf waardevolle tips door voor de aanschaf van met name grijze literatuur. Meer dan dertig jaar was zij een loyale collega met wie je kon lachen en die haar werk serieus nam. Zij was waardevol misschien wel juist in haar gereserveerdheid. Zij was als persoon een sterke aanwezigheid, juist in een klimaat waar iedereen over the top flexibel en naar buiten gericht moet zijn. Traditioneel waren bibliotheken plekken waar meer introverte en uitzonderlijke mensen een plaats hadden, maar sinds begin jaren negentig heb ik dat tot mijn verdriet zien afkalven. Rosa was zo’n introvert en uitzonderlijk mens. Ik ben blij dat ik haar heb gekend. Met haar overlijden verdwijnt meer dan een fijne collega. Er verdwijnt iets dat niet in woorden is te vatten.

De uitvaart van Rosa

Afgelopen donderdagavond laat hoorde ik van haar onverwachte overlijden en vrijdagavond zaten we in het uitvaartcentrum op de Fred Roeskesstraat in Amsterdam rond haar kist om afscheid te nemen. Mensen stroomden binnen, huilden, omhelsden elkaar en er werden liederen in het Maleis gezongen en er werd gebeden. Ik zag hoe Rosa was ingebed in een grote Molukse familie en gemeenschap. Een eenling op het werk maar een dierbare tante en familielid in een grote warme gemeenschap.

Rosa2De volgende dag rijd ik naar Westgaarde voor de begrafenis. De zon schijnt er is een woeste lucht en af en toe begint het heftig te regenen. Er zijn honderden mensen en er worden veel toespraken gehouden. Er wordt verteld dat zij van de Kei-eilanden, deel van de Molukken, komt en hoe de familie naar Nederland is gekomen. Neven en nichten en anderen vertellen wat Rosa voor hen heeft betekend, hoe dankbaar ze zijn haar te hebben gekend. Er worden psalmen gelezen en 1 Korintiërs 13 over de liefde. We horen Blondie met de Tide is High en ook live muziek met het prachtige, ontroerende lied Family Tree.

‘Now as we say goodbye

To one of our own

We may be lonely

But we’re not alone

Though the leaves will fall

And the tears will flow

May it always comfort us to know

The family tree will always grow

Father down to son, mother to daughter

Thicker than water, we are made of this

From the Earth we rise

To the Earth returning

We’ll keep a candle burning

For the ones we’ll miss’

Aan het einde staat er een grote groep achter de kist en er wordt een lied in de taal van de Kei-eilanden gezongen. Wij lopen er allemaal langs en raken voor het laatst de kist aan. Iedereen is geraakt door de warmte en de kracht van een gemeenschap waar het geloof en het samenzijn zo vanzelfsprekend aanwezig zijn en die wellicht ook deel uitmaken van die kracht.

Na afloop staan we met een paar collega’s koffie te drinken. Iemand zegt: ‘ Ik ga zo meteen mijn moeder bellen.’ Een ander: ‘Ik ga een reünie organiseren’. We hebben het allemaal gevoeld. We hebben een dierbare collega verloren maar zij heeft ons wel iets nagelaten.

Dank, lieve Rosa!

 

#Metoo & #WaaromIkNiet

Gepubliceerd op 24-10-2017 op de blogsite van Atria door de voormalige bibliothecaris Ineke (Daniel) van Mourik.

Het is meer dan veertig jaar geleden dat ik actief werd in De Tweede Feministische Golf in Nijmegen en de meest schokkende ontdekking was toen voor mij hoeveel vrouwen slachtoffer waren van seksueel misbruik. Zouden wij feministen meer dan andere vrouwen misbruikt zijn en daarom feministen zijn geworden? Nee, zo zat het niet, wij waren de eersten die onze mond hierover open deden. Had ik ook een eigen verhaal? Nee, en daarom was ik zo geshockeerd.

Waarom ik niet, vroeg ik mij in die tijd af. Voor een man is deze uitspraak in de meeste gevallen geen vraag. Op grond van het manzijn zul je in mindere mate seksueel slachtoffer zijn of seksueel worden geïntimideerd dan vrouwen. Maar ik ben een vrouw en hoe komt het dat ik niet zulke ellendige ervaringen had gehad. Geluk? Ja, deels, maar er is ook iets anders aan de hand. Ik realiseerde me en dat begon al heel jong, dat ik mij bewust was van de dreiging die er met name van vreemde mannen kon uitgaan. Door mijn ouders maar ook opvoeders werden wij meisjes daar op alle mogelijke manieren op gewezen, en de enige bescherming bestond eruit je als een net meisje te gedragen (ik spreek nu over de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw). Nooit werd erbij gezegd dat dat je uiteindelijk ook niet zou beschermen, want het misbruik door bekenden was toen nog een bewuste of onbewuste blinde vlek of werd als unieke uitwas beschouwd waarover je maar het beste kon zwijgen. Dan verdwijnt die vlek namelijk uit het zicht.

Maar ik was niet het meisje dat een meisje in de klassieke zin wilde zijn en zeker geen net meisje. Ik was een meisje dat niet begreep dat bepaalde dingen niet mochten omdat ik een meisje was. Gelukkig was de druk niet al te groot, als kind bleef ik nog een tijdje buiten schot en het is een voordeel als je fijne broers hebt. Ik hield van jongensdingen (klimmen, schieten met de buks en ruige avonturen buiten) maar ik werd er wel voortdurend aan herinnerd dat ik de grenzen van mijn sekse overschreed: ‘Ge bent krek ene jongen’, zeiden de mensen op straat. Maar lieve goedbedoelende ouders, onderwijzeressen, en priesters, ik wilde niet krek een jongen zijn, ik wilde een meisje zijn dat gewoon wilde doen wat zij leuk en spannend vond. Hoe ingewikkeld kan dat zijn? Later, toen ik uit de kast kwam als lesbo werd dat nogmaals gebruikt. Ah, nu begrijpen we waarom ze die jongensdingen wilde. Maar lieve goedbedoelende ouders, opvoeders, priesters en wetenschappers, ik wil nog steeds niet krek een jongen zijn, maar een vrouw die haar vrouwelijkheid op haar eigen wijze wil beleven. Dat heb ik vervolgens gedaan maar altijd met kennis van de regels van de mannenjungle in mijn achterzak.

jungle outfit kopie

Survival handbook

Ik droeg wijde overhemden om niet als eerste de mannenblikken naar mijn borsten te voelen gaan, stevige schoenen om goed op te kunnen lopen en te kunnen weglopen. Broeken en jasjes met binnenzakken om geen tas te hoeven dragen. Kort haar voor het gemak. En zo gekleed betrad ik mannendomeinen zoals kroegen (in de jaren zestig was het niet gebruikelijk voor vrouwen om alleen mannenkroegen te bezoeken) en leerde ik om adrem te reageren, te discussiëren, stevig te drinken en een leuke tijd met de andere sekse te hebben. Dat ik meer op vrouwen viel dan op mannen was een voordeel. Ik had mannen niet nodig om me aantrekkelijk en begeerd te voelen en dat maakte me vrij. Ik kwam en ging wanneer ik wilde, zei nooit waar ik woonde en verliet altijd alleen en onverwacht voor hen het café. In vreemde steden en op reizen was ik altijd op mijn hoede en nam nooit grote risico’s. Ook heb ik me veel reisavonturen ontzegd en ontwikkelde ik, ondanks mijn gebektheid, een grote gereserveerdheid. Door de jaren heen gebruikte ik mijn eigen survival handbook om de patriarchale jungle te verkennen en dat heeft deels bijgedragen tot #waaromikniet. Maar ik heb me altijd gerealiseerd dat ik ook geluk heb gehad en dat #IkOok kantje boord was.

Want niets kan ons beschermen en we zijn geneigd dan te blijven zoeken naar wat we niet goed hebben gedaan i.p.v de daders aansprakelijk stellen. We fietsten in het donker alleen (uitlokking), we hebben geflirt (uitdaging), we hadden te korte rokjes, te diep décollete (verleiding), te jongensachtige kleding (woede), nee gezegd (maar dat betekent toch ja), te adrem geweest (afstraffen), te verlegen (had je maar nee moeten zeggen). Kortom zoals een bekend gezegde het uitdrukt: het is niet goed of het deugt niet.

Iedereen die deel uitmaakte van de vrouwenbeweging in de jaren zeventig, wist dat geweld tegen en intimidatie van vrouwen een immens probleem was en al spoedig volgden de artikelen (ik schreef erover in Lover), actiegroepen zoals Blijf van m’n Lijf en Vrouwen tegen Verkrachting, de boeken met analyses van het patriarchaat, en hier in Nederland grote onderzoeken op dit gebied van Renée Römkens (1992) en Nel Drayer (1988). Nou, dat hebben de dames geweten want hun verontrustende cijfers werden vaker geridiculiseerd en gebagatellisseerd dan dat de alarmklok werd geluid. Want dat had gemoeten, maar het gebeurde niet.

Het zwijgen van mannen

Metoo

Maar nu is er #metoo en #IkOok dat tien jaar geleden al werd geïnitieerd door een zwarte vrouw, Tarana Burke. Na het openbaar maken van de wandaden van een Hollywood producer, wordt #metoo dankzij de sociale media door duizenden vrouwen (maar het zullen er miljoenen worden) getwitterd. De kranten staan bol van de verhalen en de een na de andere bekende persoon komt uit de kast van het verzwegen misbruik. Ze hebben niet alleen hun eigen schaamte en schuld overwonnen, maar ook hiermee de bescherming die de mannen blijkbaar meenden te hebben voor hun machtsbelust wangedrag aan flarden gerukt. Want dat is misschien wel het meest verbazingwekkende: hoe lang hebben mannen van wie men wist dat ze misbruik maakten van hun posities vrijelijk hun gang kunnen gaan? Ik begrijp dat de slachtoffers, de vrouwen, hierover zwegen, maar dat zoveel mannen hun medebroeders rugdekking gaven en geven is erg beangstigend. Er lopen dus heel veel mensen (merendeel mannen) rond die ervan weten en dus medeplichtig zijn aan het voortwoekeren van dergelijk misbruik. Dat kan dus ook je aardige buurman zijn, een sympatieke collega op het werk, of zelfs je eigen familielid, of echtgenoot, die zijn kop in het zand steekt als het zijn eigen kop gaat kosten, zijn solidariteit met andere mannen aantast, of zelf ook wel houdt van zogenaamd onschuldig ‘grab them by the pussy’ praat.

Silent men

Wat nu zo bijzonder is dat veel mannen zich beginnen te realiseren dat zij belangrijke spelers zijn en zich ook gaan uitspreken nu de beerput van alle kanten walmt. De man die zich al jaren lang in theorie opwerpt als de beschermer van vrouwen kan nu eigenlijk eens goed aan de bak: zichzelf onder het vergrootglas leggen en zijn seksegenoten de maat nemen en waar nodig laten vallen als een baksteen als zij hun macht en wellust op een destructieve wijze gebruiken.

Ik weet dat veel mannen zullen denken dat het in de aard van hun beestje zit om er roofdierachtige praktijken op na te houden, maar ik houd het er op dat wij in een cultuur leven die patriarchaal is en waarin de machthebbers zelf eeuwenlang fanatiek geloofden (met steun van religie en wetenschap) in de onontkoombaarheid en natuurlijkheid van de mannelijke superieure positie. Het is de fantieke gelovigen (waartoe ook heel lang vrouwen behoorden omdat ze zich schikten in hun lot) goed gelukt om deze boodschap over te brengen maar er zit houtrot in de fundamenten en een van de tekenen is het wereldwijde grootschalige protest van vrouwen tegen hun vernedering, mishandeling en onderdrukking.

Toxic masculinity word cloud

Nu ook meer en meer mannen zich bewust worden van wat wel wordt genoemd ‘toxic masculinity’ is er hoop op een menselijker wereld. Een wereld waarin ik en andere vrouwen niet voortdurend met het junglehandboek in de achterzak of tas hoeven rond te lopen.

 

In Memoriam: Carla Brünott 1938 – 2017

Rede uitgesproken bij het afscheid van Carla Brünott op 26 augustus in Schuilkerk De Hoop te Diemen en als blog gepubliceerd op de website van Atria door Ineke van Mourik.

carlabrunott 

Een Fameuze Potteuze

Het was in de tweede helft van de jaren zeventig toen Carla Brünott mijn leven kwam binnen trompetteren. Ik woonde in Nijmegen en was een van de oprichtsters van De Feeks, vrouwenboekhandel, café en documentatiecentrum. Op de universiteit roerden de vrouwen zich ook en tijdens het eerste Heksencollege in 1977 vertelde Carla op het podium in de pauze dat zij samen met andere vrouwen een vrouwendrukkerij Virginia (vernoemd naar Virginia Woolf) aan het oprichten was. Daarvoor was geld nodig. Zij eindigde of begon haar oproep (dat weet ik niet meer precies) met subliem getrompetter. Zonder trompet, maar louter met haar stem. Mijn oren stonden op stelen! Later hoorde ik dat zij zangeres was die haar veelbelovende carrière had afgebroken en in het klooster was gegaan. Daar gebeurde wat in de licht erotische bouquetreeks romannetjes al zo vaak was beschreven: zij werd verliefd op een mede-non. Zij trad uit maar later organiseerde zij over het onderwerp van de ‘bijzondere vriendschap’ een studiedag in het moederklooster van de Zusters van Schijndel. En dat was nu typisch Carla. Zij wilde dingen bespreekbaar maken.

Jaren daarna, toen wij samen een keer toevallig langs haar oude klooster in Egmond kwamen, heeft zij mij het klooster laten zien. Op een gegeven moment vroeg ze of ik buiten wilde wachten want ze wilde moeder-overste nog even spreken. O, help dacht ik nog, zij gaat het weer over ‘bijzondere vriendschappen’ hebben en moeder-overste de oren wassen. En jawel, ze kwam aangeslagen terug want moeder-overste was koel en afstandelijk gebleven. Ik geloof dat zij haar toen ook het boek Lesbian Nuns heeft gegeven. Later kreeg zij een nare brief als reactie.

Carla kon het niet laten: als zij iets onrechtvaardig vond ging zij er zogezegd vol en radicaal in en dat leidde ook regelmatig tot aanvaringen.

Een bevlogen priester op blote voeten

Als kind was het haar diepste wens om priester te worden, maar die keuze was voor vrouwen verboden terrein. Zij koos, ondanks haar hartstocht voor zang en muziek, niet uit eigen vrije wil voor het conservatorium. Het was een wens van haar familie en omgeving en zij liet dat allemaal over zich heenkomen. Na een aantal jaren protesteerde haar lichaam: zij verloor haar stem.

Vervolgens koos zij voor het klooster, maar daar was voor de liefde (behalve dan die voor God) geen plaats. En opnieuw koos zij: maar nu om uit te treden. Op dat moment werd zij naar mijn gevoel een bevlogen priester op blote voeten die zonder instituut of druk van buiten de wereld rechtvaardiger probeerde te maken. Zij paarde een tomeloze werkdrift met talloze initiatieven om de positie van vrouwen te verbeteren en hun culturele bijdragen onder de aandacht te brengen. Ik werkte met haar samen bij het tijdschrift Lust & Gratie (waarvan zij de initiatiefneemster was) en typerend voor haar was dat toen ik een keer uit pure noodzaak bij Shell had getankt ik hel en verdoemenis over mij kreeg uitgestort. Heftig en bevlogen was zij maar uiteindelijk ook bereid om een blik in haar eigen ziel te werpen en dat verzachtte haar soms onverzettelijke natuur. Heftig was zij ook in haar liefdes. Zo heeft zij eens in dronkenschap voor de deur van een geliefde staan schreeuwen die er blijkbaar niet was. Zij werd opgepakt en in een cel gezet, verwenste het hele patriarchaat en heeft de hele nacht iedereen wakker gehouden met getrompetter en gezang. Een razende profeet laat zich zelfs in het hol van de leeuw niet de mond snoeren.

Haar eigen stem

Als ik nu over haar leven nadenk en het gesprek dat ik nog met haar had op donderdag 10 augustus toen we afscheid van elkaar hebben genomen, dan realiseer ik mij dat de essentie van haar leven toch de muziek was. Zij had daarin haar eigen weg willen gaan, maar door haar grote talent stortte de buitenwereld zich op haar. Zij was kwetsbaar en liet zich overspoelen, met het gevolg dat zij uiteindelijk haar stem verloor. In het klooster kreeg zij de naam Kerimeh, een persoon uit een Arabisch verhaal. Dat is op zich al wonderlijk in een christelijke omgeving. Deze Kerimeh was verloofd met een man die doof werd en die zijn gehoor zou terugkrijgen als zij haar stem offerde. Maar dan kenden de nonnen Carla toch niet goed. Uiteindelijk offerde Kerimeh haar stem om die van haarzelf terug te krijgen want na het klooster ging Carla een leven leiden zoals zij dat wilde en waarin muziek en zang altijd een grote rol bleven spelen. Op haar voorwaarden, op haar manier. Legendarisch was haar optreden in rokkostuum voor een enthousiast vrouwenpubliek. Haar kwetsbaarheid werd haar kracht. Zij heeft haar carrière geofferd maar niet haar stem, haar eigen stem, en die zal ik nog lang horen.

Brunott

Carla Brünott, laten we haar naam uitspreken want dat is de naam die zij droeg en die haar heeft vergezeld in haar aardse bestaan. Dat haar rebelse ziel moge worden opgenomen in het eeuwige licht.

Lees verder

Carla Brünott: een gepassioneerde potteuze

Archief Carolina Petronella Maria Brünott

 

In Memoriam: Nicoline Meiners 1942 – 2017

Rede uitgesproken op de afscheidsbijeenkomst van Nicoline Meiners op 4 maart 2017 in Schuilkerk de Hoop in Diemen door Ineke van Mourik. 

Meiners 2Als ik aan Nicoline denk, denk ik aan boeken. Veel boeken en overal: in haar kelder, haar huis, haar winkel en in andere voor het publieke oog verborgen opslagruimten. Door haar kwam ik in een rijke antiquarische vrouwenboekenwereld.

Ik weet niet meer precies wanneer ik haar voor het eerst ontmoette, de vrouw die door Ischa Meijer in een interview met haar ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van Lorelei in 1991, de antiquarioniste werd genoemd. Ik denk eind jaren zeventig begin jaren tachtig toen ik vanuit Nijmegen en werkzaam in boekhandel de Feeks vanwege de liefde en feminisme vaak in Amsterdam kwam. Nicoline’s winkel op de Prinsengracht was behalve een schatkamer van bekende en onbekende werken een ontmoetingsplaats. Nicoline troonde achter een tafel met haar kaartenbakken en op de tafel stond een ouderwetse theepot op een lichtje. De theepot, een  leunstoel en tafeltje met schemerlamp in de hoek, kwamen uit de erfenis van haar tante Annie. Daardoor kreeg de winkel een nog groter antiquarisch cachet.

Lorelei

Nicolione’s gehechtheid aan haar boeken was groot, zeker als het een bijzonder exemplaar betrof. Zo was ik begin jaren tachtig op zoek naar het subversieve S.C.U.M – manifest van Valerie Solanas en zij bleek dat thuis te hebben. Op een middag bracht ik haar een bezoek en we zaten op haar balkon thee en daarna wijn te drinken. Elke keer probeerde ik het gesprek op het S.C.U.M-manifest te brengen maar handig ontweek zij het onderwerp door enthousiast over andere boeken te vertellen. De aanhouder wint: uiteindelijk haalde zij het beruchte boekje tevoorschijn en heeft zij het met frisse tegenzin aan me verkocht.

Later toen ik werkzaam was als bibliothecaris bij het IIAV (nu Atria) gingen we een aantal keren samen haar opslagruimten in (op diverse plekken in de stad) om uit de door haar verzamelde schatten een selectie te maken voor onze collectie. Dat ging altijd gepaard met enorm (terecht) gemopper over de catalogus. Zo werd zij ook enigszins de schrik van diverse medewerksters toen ik haar had gevraagd de noodzakelijke correcties in de catalogus aan te brengen. Zij was een dwarse perfectionist, maar met een vurig feministisch hart. Zij heeft prachtige oude boeken, tijdschriften en pamfletten verkocht en geschonken aan het instituut.

In het interview met de soms treiterige Ischa (ze waren duidelijk aan elkaar gewaagd want zij heeft hem onder de tafel ook nog geschopt) zegt zij na een vraag van Ischa over hoe het eigenlijk met de vrouwenbeweging gaat: ‘Zolang ik er ben, is er niets aan de hand.’

De antiquarioniste is er niet meer en ook haar winkel is verdwenen, maar zo lang wij haar gedenken is zij er en leeft haar boekenziel voort.

Meiners

Elk mens sterft twee maal

Als we ter hoogte van Xantippe fietsen over de zonnige of regenachtige Prinsengracht

denken wij aan haar.

Als de geur van oude boeken en vochtige pamfletten onze neuzen prikkelt

denken wij aan haar.

Als de Lorelei in onze oren zingt

denken wij aan haar

Als we strijden voor rechtvaardigheid voor vrouwen wereldwijd

denken wij aan haar.

Als we de vrolijkheid in de rondborstige kunst van Nikki de St. Phalle zien

denken wij aan haar.

Als we denken aan de literaire salons waar onze geest werd geprikkeld

denken wij aan haar.

Als we iets goed kunnen doen door wat zij ons leerde

denken wij aan haar

Zolang wij leven blijft zij leven,

Zij is een deel van ons, zolang wij haar herdenken

 

Bij zonsopgang en zonsondergang

denken wij aan haar.

Bij het waaien van de wind, in de kou van de winter

denken wij aan haar.

Bij het openspringen van de knoppen in de lente,

denken wij aan haar.

Onder de blauwe hemel, in de hitte van de zomer

denken wij aan haar.

Bij het ritselen van de bladeren, in de schoonheid van de herfst,

denken wij aan haar.

Wanneer het jaar begint en wanneer het eindigt

denken wij aan haar.

Zolang wij leven blijft zij leven,

Zij is een deel van ons, zolang wij haar herdenken

(Variant van joods gedicht)

Zie ook: De getijden van Nicoline Meiners, een boekje dat gemaakt is na haar overlijden met de speeches op de afscheidsbijeenkomst en meer informatie over Nicoline en haar antiquariaat Lorelei. Aanwezig in de collectie van Atria www.atria.nl

 

 

Lesbian Nation

Verhaal uitgesproken op 9 december 2016 t.g.v. een bijeenkomst/reünie van Lesbian Nation bij Cantina Vocaal te Amsterdam door Ineke (Daniel) van Mourik.

Lesbian nation3

Ik vraag mij regelmatig af of ik als ik in een ander tijdperk was geboren niet in het gekkenhuis terecht zou zijn gekomen. Je diep van binnen onbehaaglijk voelen, voelen dat er iets niet klopt in de wereld die je kent van opvoeding en onderwijs, is niet genoeg om je als individu los te kunnen worstelen uit een cultuur. Daarvoor heb je anderen nodig, kennis van hoe de wereld is geworden wat zij is en ideeën over hoe je een cultuur zou kunnen veranderen. Blijkbaar moet je ook de tijd mee hebben en die had ik. Als eind jaren zestig de vrouwenbeweging weer een nieuwe impuls krijgt, wordt dat voor mij het begin van een eindeloos avontuur. Ik las en las. Boeken van feministische schrijfsters werden dagelijkse kost. Maar ik bleef een kamerfeministe, veilig achter mijn bureau in Nijmegen, met lineaal en potlood in de hand om alles aan te strepen wat voedsel voor mijn uitgehongerde ziel was. Van o.a. Paarse Septemberkrant, S.C.U.M. manifest, Jill Johnston’s Lesbian Nation (1973) tot Germaine Greer, The Female Eunuch en opnieuw De Tweede Sekse van Simone de Beauvoir.Terwijl Dolle Mina demonstreerde, Joke Smit de topfeministe was en MVM op volle toeren draaide, bleef ik mij deels een buitenstaander voelen.

Totdat ik via een vriendin werd gevraagd om voor het landelijke tijdschrift Lover tijdschrift signaleringen te maken. Weer later werd ik in de tekstredactie gevraagd. Regelmatig vergaderden we met de redactie in Nijmegen en later vooral in Utrecht bij de Heksenkelder, de eerste vrouwenboekhandel in Nederland die in 1975 werd opgericht. Een volgende stap naar buiten was het samen met anderen organiseren van een  vrouwenavond bij Dien in het café De La Paix waar de Nijmeegse lesbische vrouwen elkaar troffen rond de flipperkast en het billard. Zochten we daarvoor onze toevlucht in duistere homokroegen, bij Dien werd het al feministischer.

Toen gebeurde er iets dramatisch dat mijn leven een grote wending zou geven: mijn oudste zus verongelukte op 27 maart 1977 in het grote vliegtuigongeluk op Teneriffe. Ik studeerde nog, liep stages en aarzelde over de toekomst. Ik wilde niet de wetenschap in en mijn opleiding tot orthopedagoge had mij in instellingen (o.a. gevangenissen) gebracht waarin ik mijzelf als de grootste gevangene beschouwde. Het verlies en een aantal maanden van depressie die erop volgden, maakten iets in mij los dat mij bevrijdde. Ik besloot mijn hart te volgen en wilde (ook al had ik geen enkele ervaring met zakendoen) een vrouwenboekhandel oprichten. Ik sprak erover met Ineke Zijlmans. Zij kende een vrouw die dezelfde plannen had. Dat bleek Veronie Koopmans te zijn die al een aantal vrouwen op het oog had. We kwamen bij elkaar, besloten tot oprichting van een vrouwenboekhandel, café en documentatiecentrum, en op 23 november openden we aan de Eiermarkt in Nijmegen, de Feeks.

Wie een cultuur wil scheppen of herscheppen, begint met kennis en overdracht, een ontmoetingsplaats en en legt alles vast voor de toekomst. In een opmerkelijk korte tijd lukte het de eerste stap hiertoe te zetten met een simpele formule, zonder businessplan, en met weinig geld. Elders in het land waren er al vrouwenhuizen, maar er kwamen meer en meer vrouwenboekhandels en vrouwencafé’s en het hart van die laatste initiatieven werd gevormd door de lesbisch-feministen.

De Nijmegen – Amsterdam Connectie

Er is afstand en gevoelsafstand. Zo is de reis van Nijmegen naar Amsterdam korter dan die van Amsterdam naar Nijmegen. Dus namen wij, lesbisch feministen van het eerste uur, regelmatig de trein naar Amsterdam. Amsterdam was al langer het Walhalla van vrijheid van ‘the love that  dare not speak its name’ en van kroegen als Taboo, Coupé de Paris en dansgelegenheden als de Schakel. Maar nu vermengde deze ‘verboden’ liefde zich met het feminisme en bezochten we andere kroegen zoals het fameuze ‘Schaartje’ in de Spuistraat en ‘De Lange Gang’. In andere steden was een zelfde ontwikkeling te zien. Er ontstonden eilanden van lesbisch-feministische cultuur waarbij Lesbos verbleekte. Maar Amsterdam was Sappho en de lesbo’s van buiten Amsterdam zaten graag aan haar voeten (ook al hadden wij in Nijmegen onze eigen oude Sappho, Andreas Burnier).

ScanDe Nijmeegse meisjes werden wij genoemd in vrouwencafé Saarein en vrouwenboekhandel Xantippe. Het opmerkelijke was dat wij ons als provincialen via liefdesrelaties, café-bezoek en deelname aan activiteiten moesten invechten in de Amsterdamse lesbo-cultuur. Een cultuur die wij met elkaar deelden en steeds meer gingen delen. Mijn relatie met Maaike Meijer bracht mij diep in de Amsterdamse lesbo-cultuur en na het drinken van een halve fles whiskey met Sjuul Deckwitz in boekhandel Xantippe werd de band met de vaste clientèle van het nabijgelegen vrouwencafé Saarein ook steeds inniger.

In Nijmegen werd De Feeks het ontmoetingscentrum  van alle vrouwen die iets wilde (feministische actie of een vriendin, of vaak allebei).  We initieerde een groot internationaal muziekfestival (1980), we deden mee aan demonstraties, gaven boeken uit, organiseerden avonden over kunst, literatuur en politiek, discussieerden tot we erbij neervielen, gaven veel feesten (zoals het Jurkenfeest of kom als uw favoriete schrijfster), hadden ook net als in Amsterdam een moeder-dochterdag, en verzonnen ludieke acties in de stad en practical jokes in de boekhandel (dit soms tot lichte verontwaardiging van klanten). We hadden een ongelooflijke collectie boeken, tijdschriften en platen en bestelden die in alle hoeken en gaten van de wereld. We reisden zelfs naar Parijs om daar boeken te gaan ophalen als het Franse chauvinisme te erg opspeelde.

We spitten de hele geschiedenis om en groeven naar de schatten die daarin verborgen lagen en maakten nieuwe geschiedenis door het scheppen van een cultuur die meer was dan een subcultuur. Een cultuur die de patriarchale fundamenten wilde vervangen door andere, meer humane. Een cultuur waarin vrouwen hun potentieel konden ontwikkelen en konden bijdragen aan en nieuwe visie op de samenleving. Tegelijkertijd bloeiden de liefdesrelaties en gingen ook weer ten onder. Er werd druk geëxperimenteerd en alles werd uit-en-te-na besproken.

Je had in Nijmegen het Vrouwencentrum en je had De Feeks, maar de meer politiek incorrecte potteuze dames wilden meer. We organiseerden een Pottenmaand met openbare receptie midden in een drukke winkelstraat op de Ganzenheuvel en onder de bezielende leiding van Ineke Zijlmans en Bobby Linschoten (later stond ik daar ook achter de bar) werd er op zondagavond in de kelder van homocafé De Plak, in de Pottengrot*,  gedanst op foute muziek en boden wij voor het dansen provocerende activiteiten aan) en we brachten Lesbiafonia ten gehore. Wat de Nijmeegse Feeks ook kenmerkte was dat we ook deel uitmaakten van alternatief Nijmegen en daarom vaak werden betrokken bij andere acties zoals de fameuze bezetting van de Piersonstraat. En we waren de enige in Nederland (tot afgrijzen van een deel van de vrouwenbeweging) die een aantal personen in de Feeks betaalde. Achteraf gezien waren we dus eigenlijk voorlopers, maar dit terzijde.

In al die jaren maakten velen van ons regelmatig de korte reis naar Amsterdam en soms ondernamen de Amsterdamse meisjes (meestal vanwege de liefde of korte flirtations) de lange reis naar Nijmegen.

In Amsterdam demonstreerden we mee in de eerste homodemonstratie in 1979 en samen met Amsterdam speelden we uit en thuis in het damesvoetbal. We zaten in de zaal bij de fantastische playbackshows en gingen naar alle plekken in de stad waar iets gebeurde op feministisch, maar vooral lesbisch feministisch gebied. De weekenden in Amsterdam waren een mengeling van het zakelijke, organisatorische, ideologische, het feestelijke, het liefdesleven, van humor en verdriet, van dansen en drinken. En uit die kolkende creatieve chaos ontstonden nieuwe initiatieven.

Zo werkte ik vanuit Nijmegen mee aan Lover, het Lesbisch Prachtboek (1979) en later, toen ik verhuisde naar Amsterdam, aan het tijdschrift Lust & Gratie.

De maagdelijke geboorte van een nieuwe cultuur

Dat wat subcultuur werd genoemd is naar mijn idee veel meer dan een subcultuur geweest. Het was en is nog steeds een revolutionaire beweging die zonder wapens een nieuwe werkelijkheid probeert te scheppen. De geboorte van deze cultuur was een maagdelijke en daarom een van vrouwen. Want dat hebben we ook geleerd: als er sprake is van een maagdelijke geboorte dan kan dat alleen door parthenogenese en dan zijn de borelingen vrouwelijk.

Na bijna veertig jaar zijn we hier om elkaar zoveel mogelijk verhalen te vertellen. Verhalen die wij willen documenteren voor de generaties na ons. Om de oneindige creativiteit en diversiteit te laten zien van een feminisme dat veel verder reikt dan emancipatie, verder dan het glazen plafond, verder dan de bestrijding van onrecht en geweld tegen vrouwen.

LesbianNation2

Maar wie weet zijn we ook weer bij elkaar om door te gaan en nieuwe initiatieven te ontplooien. De wereld is veranderd, maar helaas niet alleen ten goede en wat we nu meer dan ooit nodig hebben is een vernieuwende strijdbaarheid. Een strijdbaarheid met wijsheid en inzicht.

We kunnen niet op onze lauweren gaan rusten. Wij maakten deel uit van een van de meest revolutionaire bewegingen van de vorige eeuw. Laten we dat ook blijven in deze eeuw. Provincialen en grootstedelijken Verenigt U!

* Ik heb hierover geschreven in mijn boek Tropenritme in het hoofdstuk ‘De Directrice van het Nachtheelal’. 

Zie meer over Lesbian Nation op de site: vrouwennuvoorlater.nl

De hele bijeenkomst is gefilmd door Netty van Hoorn en deze film ligt ter inzage bij Atria en IHLIA. 

LOVER 40 jaar: van papieren tijger tot online journalistiek

Toespraak bij het 40-jarig jubileum van LOVER op 26 oktober 2014 in de Vondelbunker te Amsterdam door Ineke van Mourik (oud redactielid).

Terwijl niet zo ver van ons vandaan een heftige oorlog woedt die je ook zou kunnen omschrijven als een oorlog van het ‘vrouwelijke’ principe dat leven heet (democratie, autonomie van vrouwen – de Koerden) tegen een doorgeslagen ‘mannelijk’ principe dat dood heet (IS en hun fascistische totalitaire ideologie), bevinden wij ons in een land dat sinds 1945 vrede kent, en vieren wij feest in een bunker, de Vondelbunker. Hoe ironisch. Oorspronkelijk een schuilkelder, later in de jaren zestig was dit een vrijplaats voor softdrugs en alles wat maar alternatief was.  Het siert Lover dat wij hier op deze grassroot plek ons historisch feest vieren.

Lover bestaat 40 jaar en het was geen tocht door de woestijn die nu is geëindigd in het beloofde land, want we zijn nog steeds op weg naar samenlevingen die vrouwen wereldwijd gelijke kansen, waardigheid en autonomie moeten bieden.

Lover bestaat 40 jaar en ik ben trots op deze mijlpaal en ik ben trots op al die vrouwen en mannen die het tijdschrift en nu de website tot een belangrijk podium van de feministische beweging hebben gemaakt.

In het begin van de jaren zeventig en in de daaropvolgende jaren verschenen talloze tijdschriften en tijdschriftjes, er waren vrouwenboekhandels, café’s, vrouwenhuizen en het feministische actiewezen en de feministische cultuur van vrouwenvoetbal tot vrolijke vrouwenfestivals bloeide. Er bestond een uitgebreide subcultuur die eind jaren tachtig, begin jaren negentig langzaam verdampte of werd opgenomen in de zogenaamde mainstream van politiek en instituties.

Was dit het teken van ‘de dood van de feminist’? De ironische titel van deze feestelijke gebeurtenis. De tegenstanders van het feminisme hoopte daar al lang op maar met het feminisme gaat het net zo als met God. De atheïsten willen wel dat hij dood is of gaat, maar het bestaan ervan is hardnekkiger dan zij hoopten. God is onsterfelijk omdat mensen hem in leven houden of in leven willen houden. Het feminisme is hetzelfde lot beschoren en heeft de wonderlijke eigenschap om na een periode van inkeer weer met hernieuwde energie te reïncarneren.

LOver2

In 1974 verschijn de eerste Lover. Het was de bedoeling om door middel van samenvattingen en besprekingen van publicaties uit alle hoeken van de vrouwenbeweging een breed overzicht te geven van de feministische cultuur. Lover, sloeg op LiteratuurOVERzicht en was niet een nieuw pornoblad zoals menigeen dacht en hoopte.

Van korte signaleringen ontwikkelde Lover zich naar een tijdschrift met meer artikelen en analyse. Ik woonde in die tijd in Nijmegen, studeerde er ortho-pedagogiek maar verdiepte mij toen al enthousiast in de feministische literatuur. Ik was een echte bureau-feministe maar al snel ontstond het eerste initiatief: de oprichting van een vrouwenavond (dat werden de beruchte woensdagavonden bij Dien) in ons stamcafé La Paix. Daar dronken we (teveel), we discussieerden (veel), er werd geflipperd en nieuwe liefdes bloeiden en verwelkten. Pas een aantal jaren later, in 1977, zou ik samen met andere vrouwen de vrouwenboekhandel, café en documentatiecentrum De Feeks oprichten.

In 1974, ten tijde van de oprichting van Lover waren we nog pril en onbezonnen en bezochten homocafé’s omdat die de vrijhavens waren voor onaangepast gedrag. De feministen waren op een hand te tellen en er was er een die mijn geliefde was. Zij was journaliste en had contact met de Loverredactie en door haar belandde ik bij Lover waar ik in het begin de Tijdschriftenoverzichten samenstelde. Spoedig belandde ik in de tekstredactie, ging zelf ook schrijven (met veel bloed zweet en tranen en de hulp van Ria van Hengel, een mederedactielid) en maakte tot 1981 deel uit van de redactie. Later zat ik nog tot in de jaren negentig in de redactie van Lust & Gratie.

De redactieleden van het eerste uur waren vrouwen uit het hele land en een man, Jeroen de Wildt, medeoprichter van Lover (voortgekomen uit een initiatief van MVM). Wij vergaderden een keer per maand in Utrecht in de Heksenkelder. Deze vergaderingen waren voor mij altijd nauw verbonden met bezoek aan de boekhandel en café (de Heksenkelder was de eerste feministische boekhandel annex café in Nederland) Na de vergadering bleef ik meestal tot ver in de nacht aan de bar hangen. Ik geloof dat ik daar in de boekhandel en aan de bar mijn inspiratie heb opgedaan om later in 1977 ook in Nijmegen zoiets dergelijks op te richten.

De eerste jaren werd Lover nog ambachtelijk in het Vrouwenhuis te Amsterdam in elkaar geplakt en ik weet nog dat ik dat een keer omdat degene die dat normaal deed, Robertine Romeny, ziek was, deze taak kreeg toebedeeld. De verlokkingen van het Vrouwenhuis waren erg groot en ik zie mij nog aangeschoten en bloednerveus het blad in elkaar plakken.

Op de vergaderingen verdeelden we de taken en vervolgens werd er thuis gewerkt. Ik woonde op een kamer en de telefoon op de gang was mijn poort naar buiten. Staande, met de telefoon in de hand en mijn papieren op een schuin plankje moest ik de stukken met auteurs doornemen. Later kwam er een eigen telefoon. Those were the days .

Ik begon te schrijven en dat waren in het begin vooral stukken, artikelen over verkrachting, incest, en pornografie. Daarvoor moest ik veel lezen en ik ontdekte op een gegeven moment dat dat mij langzamerhand begon te vergiftigen. Ik kon aan niets anders meer denken en zag overal seksueel misbruik. Vanaf het moment dat ik in elke vader met kind op schoot in de trein een perverseling ging zien, begon ik het roer om te gooien.

Lover3Ik wilde de nadruk leggen op het positieve in de vrouwenbeweging, wijzen op interessante boeken of personen die ons verder zouden brengen. Kortom ik werd meer een culturele feministe dan een politieke of activistische ook al deed ik wel mee aan demonstraties en ondersteunde ik acties.

Lover bood een goed podium om vrouwen uit te nodigen ook te gaan schrijven over onderwerpen die niet alleen maar kommer en kwel waren. Omdat we zo breed georiënteerd waren, was er zelden onenigheid over de artikelen. Ik herinner me maar een onaangename aanvaring toen de redactie besloot om bij een interview met Andreas Burnier een waarschuwend commentaar te zetten en te wijzen op een komende reactie.

Weer later kreeg Lover een meer wetenschappelijke kleur naarmate er meer vrouwen van vrouwenstudies in de redactie kwamen. Maar daarover kan Christine Franken meer vertellen.

Toen ik dit praatje aan het voorbereiden bespeurde ik bij mijzelf een lichte weerzin om 40 jaar terug te gaan. Niet omdat het niet belangrijk is, maar het is voor mij, zij het op een iets andere manier, verleden. Ik heb ervan geleerd, ik heb geen nostalgische gevoelens ook al vertel ik af en toe graag een anekdote uit die tijd. Het heeft te maken met hoe ik naar mijzelf kijk. Ik ben weliswaar gevormd door de Tweede Golf, ik heb er zelf deel van uitgemaakt, maar de ontwikkeling gaat door. Ik ben evengoed deel van de Derde Golf omdat ik in deze tijd leef. Dit heeft ook te maken met een sterk gevoel voor continuïteit dat ik in mij draag.

Wij staan op de schouders van eigenzinnige individuen die ondanks tegenwerking en niet gesteund door een vrouwenbeweging de weg hebben bereid. Kunstenaars als Berthe Morisot, Camille Claudel en Georgia O’Keefe. Schrijfsters als Kate Chopin, George Elliot, denkers als Mary Wollstonecraft, Simone de Beauvoir en nog vele anderen.

We staan op de schouders van het collectief van vrouwen van de Eerste Golf en Tweede Golf en bouwen zo voort aan een wereldwijde, globale beweging van rechtvaardigheid, gelijkwaardigheid, gelijkheid en autonomie.

LOVER

Het verleden is om van te leren, om de verhalen te kennen, om te behouden wat goed was, om te laten sterven wat nu niet meer bruikbaar is, te veranderen wat niet meer in de tijd past en nieuwe visies te ontwikkelen. Het is een eeuwige evolutie, een geweldloze revolutie. Daarom is het zo bijzonder dat Lover zo lang bestaat en zich van papieren tijger heeft ontwikkeld tot online journalistiek podium.

De feminist is dood, leve de feminist, leve Lover!

Muziek uit mijn jeugd

Manja Ressler vroeg mij via FB in 2015 om zeven dagen lang muziek uit mijn jeugd te delen. Dat heb ik gedaan met youtube fragmenten. Hier alleen met foto’s.

Dag 1 zondag 20 december 2015

Het moet in de jaren vijftig zijn geweest dat mijn oudste broer ons via een 45 toerenplaatje voor het eerst liet kennismaken met rockmuziek: Bill Haley met Rock around the Clock. Ik was pas zes of zeven maar volgens mij sprongen mijn jongere zusje en ik (als de ouders even hun hielen hadden gelicht) ook zo door de kamer als op het filmpje. Minder danstechnisch goed maar wel wild.

images-11

Wij hadden een radio, eigenlijk meer een radiomeubel. Als je boven het radiogedeelte een klep open deed, bevond zich daaronder de pickup die je op twee toeren, 45 en 78, kon zetten. Grappig was altijd als het verkeerde toerental op stond. Dan klonk er of een sonoor traag gebrom of een hoog snel smurfengeluid. Je had ook een vaste hand nodig om de naald (eerst stofrestje verwijderen) precies goed bij het begin op de plaat te zetten.

Mijn oudste zus droeg jurken met een petticoat en bewoog zich voort op zulke hoge hakken dat de schoenmaker ze altijd als de hakken weer eens gerepareerd moesten worden demonstratief op de toonbak zetten. Ze waren zo hoog dat ze omvielen. Hoe kan een vrouw daar op lopen verzuchtte hij dan. Van haar leerde ik de foxtrot en de quickstep.

Dag 2 maandag 21 december 2015 

Mijn ouders hadden een verantwoorde box met een selectie van klassieke platen in huis. Nee, niet mijn ouders, mijn moeder had die aangeschaft, want mijn vader heb ik nooit kunnen betrappen op enige muzikale voorkeur. Luisteren in het algemeen was niet zijn sterkste zijde en ik denk dat het daar wat mee te maken had. Ja, hij had wel affiniteit met de plaatstelijke harmonie, daar was hij voorzitter van.

Als de harmonie eruit op trok dan werd mijn vader thuis opgehaald. In de verte hoorde je al de vrolijke klanken. Voor het huis stopten ze de leden in gelid en draaiden collectief een kwartslag. Als mijn vader zich vooraan naast het vaandel van Oefening Baart Kunst in hun gelederen had gevoegd, draaiden ze weer een kwartslag en liepen al spelend verder. Wij dansten er achteraan.  Na afloop van de gebeurtenis ter ere waarvan zij speelden, ging iedereen steevast naar het café.

Mijn moeder had een romantische ziel.  Zij luisterde het liefst naar de suikerzoet gevooisde stem van Jim Reeves. Wij vonden dat maar niks want ondertussen waren we in de jaren zestig beland en er stond van alles op uitbarsten.

images-10

Maar Jim Reeves is toch in onze oren blijven hangen. Mijn broer, de zanger Alex Roeka, memoreert Reeves’ klanken in zijn prachtlied Moeder (te horen op Youtube).

Wat hebben wij veel niet gezien als kinderen. Wij hebben onder andere niet gezien dat mijn moeders muzikale voorkeuren een diepe expressie waren van een onvervuld verlangen. Nu, alsnog voor haar: ‘I love you because…’

Dag 3 dinsdag 22 december 2015 

In ons gezin bestond een jarenlange traditie van zingen op feesten en partijen. Mijn moeder was de absolute inspirator voor dit edele schuifdeurwerk.  Was iemand 25 jaar getrouwd of bij een ander jubileum dan klom zij in de pen en componeerde een lied op een bekende wijs.

Later op de avond van de festiviteit, als mijn ooms licht aangeschoten waren, werden ze door mijn moeder in een wit kleed gehuld met engelenvleugels op hun rug en moesten zij het achtergrondkoortje vormen bij haar feestlied.

Mijn moeder hielp mij toen ik mee wilde doen (zij deed ook mee) aan een talentenjacht ter gelegenheid van het 600-jarig bestaan van Ravenstein, de plaats waar ik geboren ben. Ik was elf jaar jaar en won de tweede prijs (een vriendin op de rolschaatsen kreeg de eerste prijs). Mijn moeder kreeg volgens mij een eervolle vermelding vanwege haar lied ‘Het stadje Ravenstein, die piek, piekfijne stad’ Wat later won ik de eerste prijs op een songfestival in Oss.

Een jaar lang was ik een regionaal kindsterretje. Ik zong o.a. bij openingen van parochie- en buurthuizen, bij een personeelsfeest van een fabriek in Oss en voor de blinden in Grave. Het goede doel stond in mijn moeders levensbeschouwing voorop en zo behoedde zij mij voor de aasgieren die er waarschijnlijk toen al waren om een onschuldige kinderziel te exploiteren.

images-9Deste verwonderlijker waren de keuzes van de liederen die zij mede aandroeg. Naast liedjes uit het repertoire van Connie Froboes (Zwei Kleine Italiener) en Jan & Kjeld (Banjo Boy), zong ik o.a. een pikant lied van Connie Francis, Lipstick on your Collar.

Ik heb mij later wel eens afgevraagd of mijn moeder wel goed genoeg Engels kon om dit volwassen lied helemaal te begrijpen. Toen ik naar kostschool ging, wilde ik ophouden met optredens omdat ik het na een jaar al vervelend begon te vinden dat iedereen mij alleen maar zag als dat leuke zingende meisje.

Wat wel bleef waren de varieté-avonden die wij op kostschool organiseerden en in de weekenden thuis het tweestemmig zingen met mijn zusje bij de afwas van het repertoire van Corrie en de Rekels. Een van de favorieten was: Vaarwel, ik zal geen traan meer om je laten. Wij hielden van dat soort muziek nog voordat het camp werd.

Dag 4 woensdag 23 december 2015

In de jaren zestig zat ik op kostschool Notre Dame des Anges bij de Franse nonnen in Ubbergen. Veel popmuziek bereikte ons niet. Af en toe een vleugje Beatles (Yesterday) door een leerlinge naar binnen gesmokkeld, maar toegestaan waren wel sommige Franse chansons en en natuurlijk ook de Belgische Soeur Sourire, met haar verantwoorde lied Dominique, Nique, Nique…. Het vervolg van haar carrière was minder onschuldig dan de nonnen dachten. Maar daar hebben ze waarschijnlijk nooit meer een gedachte aan gewijd.

images-8

Het lied werd wereldberoemd, maar alle opbrengsten gingen naar het klooster. Later (ze was inmiddels uitgetreden) werd Soeur Sourire achtervolgd door de belastingdienst die haar alsnog wilde plukken.

De lesbische liefde kon haar depressies blijkbaar niet verlichten. Of was dat in die jaren nog zo’n taboe dat dat alles alleen maar verergerde en was dat de reden dat zij was ingetreden?

In 1985 pleegde zij samen met haar vriendin zelfmoord. Wat er allemaal precies is gebeurd weet ik niet maar de titel van een documentaire (uitgezonden in 1985 door Veronica) is veelzeggend: Sœur Sourire, een glimlach tussen hemel en hel. Wat een verborgen tragiek in die tijd!

En ik? Ik wist nog in het geheel niet van dit soort zaken.

Ik leerde, genoot van de bijzondere natuur op de scheiding van heuvels en de Ooipolder, las, droomde en speelde, en er waren hartsvriendinnen.

Facebook Nostalgia voor de kerstavond. Speciaal voor degenen die geen kerst vieren zoals alle ongelovigen, atheisten, agnosten, joden, moslims, hindoe’s, boeddhisten en anderszins. Muziek brengt licht!

Dag 5 donderdag 24 december 2015

Er waren op kostschool niet alleen veel regels en verboden maar ook censuur op muziek en literatuur.

Rome dicteerde wat er wel en niet gelezen mocht worden. De Index librorum prohibitorum (lijst van verboden boeken) of kortweg de Index was van 1559 tot 1966 een door de paus vastgestelde lijst van boeken die katholieken niet mochten lezen omdat ze verwerpelijk werden geacht.

In de kunstgeschiedenisboeken waren vijgenbladeren  aangebracht waar zij niet altijd oorspronkelijk waren zoals men notabene in Rome zelf met eigen ogen kon aanschouwen. Precies tot het jaar van mijn eindexamen was de Index in werking.

Maar er bestond ook een niet uitgesproken censuur van een katholieke wereld die stilzwijgend in me was geslopen en waardoor ik in een eigen verborgen, geheime binnenwereld leefde. Die was nog onuitgesproken, die had nog geen woorden maar alleen gevoelens.

Ik maakte deel uit van een wereld die de juiste antwoorden pretendeerde te hebben en deels leefde ik in een wereld van vragen die ik niet mocht of kon stellen of die ik zelfs niet eens kon formuleren.

Verboden houden de spanning erin en wij werden erg inventief om te ontsnappen aan de strenge blikken van de nonnen. Alles buiten de poort was Avontuur. We klommen over het hek en de laatste twee jaren van mijn middelbare schooltijd, toen er niet meer zo op ons werd gelet, gingen wij elke dag naar het café De Tol, lager gelegen op de berg, om koffie te drinken en naar de jukebox te luisteren.

Die jukebox was een enorme uitvinding en een prachtig kleurrijk cafémeubel. Voor een kwartje kon je kiezen wat je wilde horen en dan zag je dat je favoriete plaatje automatisch uit een ronddraaiende schijf werd getild en op de platenspeler werd gelegd.

images-7

Een van mijn favorieten was Save the Last Dance van de Drifters. Weliswaar meer jaren vijftig, maar het was Engelstalig en dat was op zich al nieuw en de nonnen zouden er absoluut tegen zijn.

Nadat wij ons een uur hadden gelaafd aan verboden muziek, gingen we snoep kopen in het winkeltje aan de overkant en liepen dan weer terug om op onze kamers huiswerk te gaan maken. We leidden een beschermd leven en het zou nog maar even duren voordat we werden vrij gelaten in een wereld die ik eigenlijk nauwelijks kende.

Facebook Nostalgia, vandaag voor al degenen die Kerstmis vieren en ook nog weten waar dit feest over gaat. Nooit vergeten: het kindeke Jezus (Yeshua ben Myriam we Joseph) was een joods jongetje.

Dag 6 vrijdag 25 december 2015 

Ik heb drie broers en mijn oudste broer bracht Bill Haley het huis in. De broer die op kostschool in Weert zat, had een grote voorliefde voor Salavatore Adamo, zoon van een Belgische mijnwerker die oorspronkelijk afkomstig was uit Sicilië. Zijn Tombe La Neige schalde voortdurend door het huis.

images-6

Maar degene die eind jaren zestig mijn ziel het meest raakte was Leonard Cohen. Ik was net gaan studeren in Nijmegen en was van de ene dag op de andere van een vijfjarig verblijf in een omheinde kostschool in de vrije wereld van het op kamers wonen beland.

Mijn varende derde broer keerde in die tijd terug van een reis en bracht het debuutalbum van Leonard Cohen, Songs of Leonard Cohen, mee. Met een draagbare platenspeler trokken wij ons terug in het kantoor van mijn vader en op de grond zaten we uren, half in trance, te luisteren naar Suzanne, Sister of Mercy en al die andere liederen. Wat een geheimzinnige poëtische teksten en muziek!

Uit Suzanne:

Now Suzanne takes your hand
And she leads you to the river
She is wearing rags and feathers
From Salvation Army counters
And the sun pours down like honey
On our lady of the harbour
And she shows you where to look
Among the garbage and the flowers
There are heroes in the seaweed
There are children in the morning
They are leaning out for love
And they will lean that way forever
While Suzanne holds the mirror

Uit: Sisters of Mercy

Yes you who must leave everything that you cannot control.
It begins with your family, but soon it comes around to your soul.

Dat deze oude bard nog steeds alive and kicking is en mij nog steeds weet te bekoren en ontroeren, is een wonder. Tussen Leonard Cohen toen en Leonard Cohen nu ging een enorme wereld van muzikale rijkdom voor mij open. Niet alleen rock en pop, maar ook klassiek, blues, soul, wereldmuziek.

Voor 1967 was er weinig in vergelijking met wat later mijn oren bereikte.

Maar dierbaar was en is het.

In 1969 zouden de woorden uit Sisters of Mercy meer gaan betekenen dan alleen maar regels uit een lied. Maar daarover morgen.

Dag 7 zaterdag 26 december 2015

Het was 1969 en overal was het aan het gisten. In Amsterdam op het Spui hield Provo happenings en in Nijmegen roerden de studenten zich. Ik zat in het derde jaar van mijn studie en was al vroeg klaar met mijn tentamens en wilde een paar maanden weg. In de krant had ik een kleine advertentie gezien: counselors gevraagd om in de USA in een kinder zomerkamp sportlessen te geven en daarna kon ik met wat zakgeld een aantal weken door het land reizen.

Dat trok mij want het vooruitzicht om nog een zomer te blijven hangen bij mijn ouders of aan het strand te liggen met medestudenten leek mij mateloos saai. Ik wilde de hort op maar wist niet met wie en dit zou een uitgelezen kans zijn. Ver weg voor weinig geld.

Drie maanden lang werkte ik in een zomerkamp dat eigenlijk een afspiegeling was van mijn kostschool. Discipline en witte kleding (voor de staf) en elke ochtend een kring vormen bij het hijsen van de Amerikaanse vlag. Maar het was ook nieuw. Niemand kende me hier zoals vroeger op de kostschool en daarna in Nijmegen waar drie broers studeerden. Hier was ik niemands zusje en ik kwam uit een land waarvan nauwelijks iemand iets wist. Een verademing!

Die verademing werd nog groter toen ik ging rondreizen en een week bij een jong joods echtpaar in Chicago verbleef en daar de boeken van Herman Hesse, Jack Kerouac, Saul Bellow en Salinger leerde kennen. Het was het jaar van het grote muziekfestival in Woodstock en dat was overal te merken. Muziek, dansen en gratis voedsel in de parken. Na het witte uniform liep ik in bell bottom spijkerbroek en droeg ik een in leer uitgesneden ban-de-bom teken op mijn hals.

Het zinderde overal en op een feestelijker manier dan in Nijmegen waar het studentenverzet werd beheerst door studentenleiders die ellenlange theoretisch marxistische betogen hielden waar ik niets van begreep en waar iedereen zich ’s nachts klem zoop. Hier werd volop geblowd, maar daar waagde ik mij niet aan en ik was nog minderjarig voor de drankwet, maar broodnuchter viel er al veel te beleven.

images-5

De laatste week bracht ik door in New York en daar kon ik een kaartje bemachtigen voor de musical Hair. Dat was voor mij een enorme ervaring. De acteurs en zangers die van alle kanten uit de zaal zingend het podium opgingen. De politiek begrijpelijke teksten, het plezier, de vrijheid en de uitbundigheid, het was het leven zelf met alle emoties waarop geen taboes rustten. Na afloop mochten we allemaal het podium op om mee te dansen.

Een paar dagen daarna vloog ik terug en kwam, terwijl de zon boven zee opging, aan in Nederland. Vol heimwee. Er was iets in mijn ziel aangeraakt dat ik thuis nooit op die manier had kunnen vinden.

Kill the Widow

images-3Op 17 november 2015 was er in de Rode Hoed een Hommage aan Andreas Burnier vanwege het verschijnen van Burniers biografie, Metselaar van de wereld, door Elisabeth Lockhorn en Ruiter in de wolken. Joodse essays 1990-2002 door Andreas Burnier en bezorgd uit haar nalatenschap door Manja Ressler en Daniel van Mourik. Op die avond sprak Daniel van Mourik de volgende column uit.

 

 

Kill the Widow

Wij, weduwvrouwen van beroemde en bekende mensen zijn niet populair en als je leest wat Jeroen Brouwers ooit over Mieke Vestdijk, de weduwe van de grote Vestdijk, schreef dan gaat er een put van seksisme en ronduit vunzige praat open. Als er iets is dat de benepenheid en kleinheid van een groot schrijver illustreert dan zijn het wel deze uitspraken.

Ondertussen is MiekeVestdijk wel in ere hersteld o.a. door Martin van Amerongen (De Groene 5 juli 1996) , maar toch blijft dit beeld nazinderen:

De kunstenaarsweduwe slaapt in en staat op met het rode potlood achter haar oortjes. Daarmee schrapt zij elke verwijzing naar mogelijke buitenechtelijke verhoudingen of vergelijkbaar wangedrag uit de biografieën. Wat waren zij lastig, de weduwe Orwell, de weduwe Tucholsky, de weduwe Vian, de weduwe Van Randwijk en de weduwe Achterberg!, schrijft Van Amerongen. Zij zaten met hun onbestorven achterwerk op de documenten en weerden zich vrouwmoedig tegen de boze buitenwereld. Jammer (dachten de biografen) dat zij met alle geweld hun echtgenoot wensten te overleven. ‘Kill the widow’, sprak Wam de Moor, sprekend over de biografische problemen, terwijl de weduwe Vestdijk op de eerste rij zat.

Ja, schrijft Van Amerongen, na Vestdijks overlijden bleek Mieke Vestdijk een lastig mens te zijn: voor de Vestdijkvlooien die geen grenzen kenden. Ondertussen stimuleerde zij de heruitgave van de romans, stelde zij een bundel poëzie samen, bezorgde zij een boek over de opera Merlijn en schreef zij een deelbiografie over Vestdijks laatste jaren. Haar credo staat op de laatste bladzijde: ‘Laat mij me maar bezighouden met een goede verzorging van de diverse uitgaven en de bevordering van de bekendheid van Simons werk.’
Dit zijn de woorden, zegt Van Amerongen van een vrouw die besloten heeft een artistieke erfenis zo gewetensvol mogelijk te beheren, niet meer en niet minder.

Van Amerongen had gelijk. Daar gaat het over: het gewetensvol beheren van een artistieke nalatenschap.

Leve de biograaf!

Waarde biograaf, lieve Elisabeth, de biografie die je hebt geschreven over Andreas is vers van de pers en jarenlang hebben wij met elkaar gesproken over alle aspecten van haar leven. Juist het spreken over iemand die er niet meer is, is een gewetensvolle aangelegenheid.

Als partner ging ik vervolgens zelf ook door proces van introspectie op het moment dat je mij je vragen stelde. Ik was betrokken bij een groot deel van Andreas’ leven. Dertig jaar waarvan ik twintig jaar met haar samen was.

Hoe vaak heb jij niet te horen gekregen: ‘als het maar geen hagiografie wordt’. Want schaduw moet er zijn, anders word je al voordat er een woord is geschreven niet serieus genomen. En dat is terecht. Er is geen mens die geen schaduw heeft, maar dat is niet het punt. Het punt is hoe je erover schrijft. Hoe beschrijf je pijnlijke en moeilijke periodes of karaktereigenschappen, de dynamiek tussen partners, ouders en kinderen. Hoe liefdevol en meedogend ben je als je je in het leven van iemand anders verdiept. Hoe oordelend, veroordelend, genadeloos, of sensatiebelust. Daarom is het schrijven van een biografie zo buitengewoon moeilijk. Als schrijver van fictie heb je de vrijheid om meedogenloos autobiografisch te zijn en je hele hebben en houwen op je romanpersonages te projecteren, maar een biograaf moet worstelen met het leven van haar onderwerp en met haar eigen leven. Zij bewandelt de dunne lijn van afstand en betrokkenheid.

De weduwe speelt een belangrijke rol, want zij zit inderdaad met haar onbestorven achterwerk op de documenten, en zij kan met het rode pennetje correcties aanbrengen. Wat opvalt in de verhalen over de weduwe (bestaan er eigenlijk wel weduwnaren behalve Ted Hughes?) dat er nooit gesproken wordt over het feit dat de weduwe ook de biograaf moet verdragen. Een publieke persoon heeft haar of zijn werk aan de wereld geschonken, maar een biograaf die meent recht te hebben op het hele leven van die persoon, of haar of zijn interpretaties van dat leven dwingend oplegt aan de lezers, gedraagt zich eigenlijk net zo als de door, meestal hem, verguisde weduwe. Kill the biographer als variant zou in het geval van Mieke Vestdijk misschien niet zo gek zijn geweest.

Lieve Elisabeth, ik hoop dat ik voor jou niet de persoon ben geweest die als een brok graniet voor het leven van Andreas ben gaan staan, maar iemand die zelfs in de schaduw het positieve kan zien, of in het positieve de schaduw. Zoals de zwarte en witte punt in het Yin-Yang teken. En ja, het is de taak van de weduwvrouw om lastig te zijn, daar is niets mis mee. Ik dank je dat je mijn heftigheid in het allerlaatste moment van het proces terwijl je zelf ook op je tandvlees liep, hebt kunnen verdragen.

Ik heb gedurende het hele proces gezien dat je met een kritische blik maar altijd met liefde en mededogen het leven van Andreas hebt beschreven. Dat je over toppen en door dalen bent gegaan. Dat je als een terriër hebt volgehouden deze toch eenzame arbeid (ondanks alle hulp) te volbrengen. Je was meer dan een te verdragen biograaf.

Dat je Andreas een leven na haar dood hebt gegeven in de vorm van deze prachtige biografie, daar ben ik je oneindig dankbaar voor.

Leve de biograaf!

Lechaim op Andreas in de Hemelse Academie!