Op naar het Nieuwe Abnormaal!

Als ik dit schrijf is het 14 april, de sterfdag van Rachel Carson, de vrouw die in 1964 een baanbrekend boek met de omineuze titel Silent Spring schreef. Wat als de lente zwijgt, wat als wij doorgaan met pesticiden die onze gewassen beschermen maar als collateral damage de insectenwereld, de wormen, de bijen, de kruidenrijkdom, de variëteit aan grassen en veldbloemen en de aarde zelf vernietigen? Het werken met allerlei vergiften is ons normaal geworden ondanks de protesten en dankzij uitgekiende lobby’s en beloften van hogere producties. Dat laatste is waar, maar het is een vreemde groei, een scheefgroei die ons duur komt te staan.

Hoe lang duurt het voordat er iets echt tot ons doordringt? Gisteren hoorden we dat alle maatregelen die ons moeten behoeden om besmet te worden door het Coronavirus zullen worden verlengd en daarbij komt iedere keer de vraag: ‘Wanneer kunnen we weer terug naar het oude normaal?’ Terug naar het oude normaal? 

Ik zie nog de beelden van vluchtende arbeiders uit miljoenensteden die naar hun dorpen vluchtten. Arbeiders die net als dieren worden opgehokt om in industrieën te werken die de menselijkheid tarten. Terug naar het normaal van markten waar levende en gevilde dieren worden verhandeld? Terug naar het normaal waar toeristen als een sprinkhanenplaag het leven in steden voor de bewoners zelf onmogelijk maken? Terug naar het normaal van de intensieve landbouw en veeteelt, het normaal van eindeloze niet noodzakelijke vliegreizen? Ach, ik hoef niet nog meer op te noemen. Iedereen weet het en bijna iedereen ondergaat de gevolgen. 

Normaal? Dank u feestelijk! Terug naar het oude normaal betekent dus dat we allen gevaccineerd en wel, een zelfde leven kunnen gaan leiden als voorheen. Een leven dat deels heeft geleid tot een onafgebroken reeks van o.a. klimaatrampen, epidemieën en nu pandemieën. 

Het enige normaal dat wat mij betreft kan blijven, zijn de cultuur en de kunst omdat die, voorzover zij niet ten prooi zijn gevallen aan investeerders of politiek, nooit zullen zwichten voor een oud normaal. Binnen het normale is het juist hun taak om te wrikken aan het vanzelfsprekende ervan. Zij zijn  per definitie de fine fleur van het abnormaal.

De mens is in al zijn grootsheid en verblindheid een gevaarlijk wezen dat de grenzen van het normaal zo ver heeft opgerekt dat elke terugkeer naar een leven van verantwoordelijkheid, zorg en welzijn voor de hele aarde een eindeloze strijd vergt. Die eindeloze strijd ken ik en herken ik door mijn feministische achtergrond. Ik weet ook hoe moeilijk het is om je hele leven en alle ideeën die je hebt meegekregen van ouders en opvoeders aan een onderzoek te onderwerpen. Om alles onderste te boven te gooien en vervolgens met verwondering en twijfel in het hart te gaan handelen om je leven een andere richting te geven. De inzichten die we in de jaren zestig en zeventig (van de vorige eeuw) verwierven, lijken nog steeds niet voldoende doorgedrongen maar brengen ieder keer weer meer mensen op de been zoals in het geval van #Metoo,  Black Lives Matter en protesten tegen de uitbuiting van mens, dier en natuur. Waarom duurt het zo lang? Omdat het onderdrukken van vrouwen en zwarten, de uitbuiting van mensen, dieren en de natuur het normaal was en we eraan gewend zijn geraakt en misschien ook wel gehecht en we bang zijn voor verandering en chaos. We denken dat we wat verliezen als we vrouwen en zwarten meer zeggenschap geven over hun eigen leven en dat we zonder uitbuiting niet overleven. Het oude normaal ligt hevig onder vuur en het nieuwe abnormaal is er nog niet. 

Dat doet me altijd denken aan Mozes die met zijn volk, net bevrijd uit de slavernij, 40 jaar door de woestijn moest trekken. Waarom zo lang? Een interpretatie is dat het zo lang duurde omdat het volk de tijd moest hebben om van zijn slavenmentaliteit af te komen. De mensen waren uiterlijk bevrijd, maar ìn hen maakten de heersers nog de dienst uit en als de tocht hen te zwaar viel dan verlangden zij terug naar de vleespotten van Egypte. Bevrijding van is in zekere zin makkelijker dan de volgende stap: de vrijheid tot. Dan haken de meesten af want dan wordt het echt moeilijk.

Hoe luid moeten de klokken luiden om een nieuw abnormaal te scheppen? Hoeveel meer slachtoffers van een mentaliteit die gewin, exploitatie en vernietiging stelt boven zorg, aandacht, verantwoord gebruik en verwondering, kunnen we nog verdragen? Terwijl de pandemie woedt, gaat de beurs door het plafond en valt het gruis ervan aan de onderkant van de samenleving. Terwijl de wolkenkrabbers verrijzen aan de Zuidas in Amsterdam, klimmen de huizenprijzen mee omhoog, wordt het verschil tussen arm en rijke groter en kunnen de voedselbanken die ons het schaamrood naar de kaken zouden moeten stijgen, de vraag nauwelijks aan.  

Wat ik wil is een goed leven, een fatsoenlijk leven, een verantwoordelijk leven dat niet ophoudt bij mijn eigen voordeur, een leven van zorg, aandacht, respect en verwondering. Dat is ook een leven met geploeter, vertwijfeling, strijd en uitwisseling met de buitenwereld, maar vooral ook met mijn eigen binnenwereld waar de ‘heerser’ een constante strijd voert met de ‘slaaf’ of omgekeerd de ‘slaaf’ met de ‘heerser’. Het is niet alleen ‘de Ander’ die ons iets aandoet. Wij zijn het ook zelf door weg te kijken, of voordeel denken te hebben bij een bestaande situatie. Wij zijn armzalige wezens die met moeite boven onszelf kunnen uitstijgen. Daarom moeten we zo lang door de woestijn trekken, om onszelf te kunnen zien als deel van het probleem èn als deel van de oplossing. Als wij, als mensen,  een puinhoop hebben gemaakt van ons leven en de omgeving, dan hebben we ook de mogelijkheid om het puin te ruimen of uit de puinhopen iets nieuws te laten verrijzen. 

Als we bevrijd zijn van het virus en de inzichten die we daardoor gekregen hebben toelaten, dan begint de echte tocht: het handelen naar de inzichten omdat we van binnen zijn veranderd. Dan ondernemen we acties om het nieuwe abnormaal te verwezenlijken. Vele pioniers, zoals onder andere Rachel Carson, hebben de eerste stappen gezet en nu bijna zestig jaar later volgen er meer en meer omdat we wreed zijn wakker geschud uit een droom die ons is voorgespiegeld en die we zelf mede in stand hebben gehouden. Maar overal duiken meer en meer pioniers op die de tocht met elkaar willen maken. Die zich verbinden met elkaar en plannen uitwisselen om een andere realiteit te scheppen. 

Daar drinken we op! Op het leven en het nieuwe abnormaal. Dat wordt pas feesten!

Egmond a/d Hoef, 14 april 2021

Zog Maran in Judeo-Espagnol: Dime Marano

Sarajevo Hagadah

Binnenkort is het Pesach en dan zal aan veel jiddische seidertafels het lied Zog Maran klinken. Het is een lied, een tweespraak waarin aan een marano (eigenlijk een scheldwoord voor Joden in Spanje/Portugal die weliswaar gedoopt waren, maar toch in het geheim hun joodse tradities in ere hielden) wordt gevraagd hoe er Pesach wordt gevierd als het eigenlijk niet mag. Toen ik het lied Zog Maran voor de eerste keer hoorde was ik verrast dat het in het Yiddisch was geschreven en niet in het Judeo-Espagnol. 

Sinds het horen van het lied Morenika op de CD Moments of Jewish Life (een CD met hoofdzakelijk jiddische liederen) van Shura Lipovsky, halverwege de jaren negentig, kreeg ik een mateloze belangstelling voor de liederen in Judeo-Espagnol en de geschiedenis van de Joden in Spanje en Portugal en hoe zij zich na hun verbanning uit Spanje in 1492 en daarna uit Portugal verspreidden over  grote delen van de wereld. Met nauwelijks fysieke bagage maar wel de geestelijke bagage van de joodse traditie en cultuur begonnen zij overal waar zij zich vestigden een nieuw leven op te bouwen. Maar in de harten van veel van de gedwongen bekeerde joden (conversos) die in Spanje en Portugal bleven, leefde de joodse traditie voort. Meer dan 500 jaar lang waren het vooral de vrouwen in die gemeenschappen die in het geheim de traditie levend hielden. Daar gaat het lied Zog Maran over en dat ontroerde me en mijn wens was om dat lied in het Judeo-Espagnol te laten vertalen. 

In Parijs ben ik in contact gekomen met de sefardische gemeenschap en een groep mensen die zich inspant om het Judeo-Espagnol (ook wel Ladino genoemd) te doen herleven. L’Association Aki Estamos des amis de la Lettre Sepharade, organiseert congressen en geeft een tijdschrift Kaminando i Avlando uit onder de bezielende leiding van Jenny Laneurie – Fresco. Haar vroeg ik of zij Zog Maran wilde vertalen en vandaag, zes dagen voor Pesach, wil ik het lied in de vertaling van Jenny Laneurie-Fresco de wereld inzingen met begeleiding op gitaar van Shura Lipovsky.

Dime Marano

Dime Marano, ermano miyo

Ande tu seder fue preparado?

Debasho tierra, m’eskondi yo,

Para mi Seder adobado.

 

Dime Marano, en kuala kaza

Podras topar la blanka masa?

En un sotano ke guadra El Dyo

Mi mujer ya l’ amasó.

 

Dime Marano, en ke luguar

La hagada vas a topar ?

En una grieta muy secreta

Ay muncho ke’eskondida esta.

 

Dime Marano, ke vas azer

El enemigo si te va ver

Kuando mi boz van a oyir

Yo kantando me vo morir.

(Translation in Judeo-Espagnol by Jenny Laneurie-Fresco (Paris, 2018)

(Original lyrics in Yiddish: Avrom Reyzen (Abraham Reisen 1876-1953)

(Music: Shmuel Bugatch) 

English translation

Say Marrano, brother of mine

where will you prepare your seder?

In a deep cave, in a chamber

there I have prepared my seder

Say, Marrano, from where

will you get white matzohs?

In the chamber, In God’s care

my wife has kneeded the dough

Say, Marrano, how did you

manage to find a haggadah?

In the cave, in a deep fissure,

I have put it in hiding for a long time

Say, Marrano, how will you defend yourself

when your voice is heard

When the enemy seizes me

I will die singing

 

Kunstenaar aan zee – Renée Schouwenberg

‘Dit is mijn atelier’

Het is mottig grijs en koud weer als we naar de Oosterschelde rijden door vlak land met braakliggende velden. De wegen zijn bemodderd door de bietenoogst. We klimmen over een lage dijk en kijken uit over het water dat zich eindeloos lijkt uit te strekken. Het water is spiegelglad en de grijzen van lucht en water hebben een innig verbond gesloten. Alleen een flauwe lijn herinnert aan de scheiding. Het is het schimmige gebied tussen leven en dood. Op de staken zitten roerloze vogels en meeuwen dobberen werkeloos op het water. Het is stil, onnatuurlijk stil, als we over de drooggevallen oever lopen tussen brokken beton en basaltblokken. Tussen de staken ligt roerloos een rood bootje. Het onverdraaglijke grijs aangeraakt door een onbekende schilder. 

In de verte horen we, als een hartslag, het doffe geluid van onzichtbare schepen met zware dieselmotoren.

De rivier is een zee, er is geen overkant en wij zijn de enigen in deze grijze godverlaten wereld. Op de zwarte basaltblokken liggen de resten van vervaagde, vervormde en voortdurende veranderende bijenwas gestalten. Aangetast door de tijd, de vaste loop van de getijden die aan hen knaagt, streelt, hen masseert of op hen beukt net zolang dat zij verdwijnen. Maar nu liggen zij nog duidelijk en zichtbaar op het rondgestrooide basalt tussen zand, algen, wier, stenen, schelpen, en opengebroken oesterschelpen. 

We lopen voorzichtig door dit stille tafereel. Dan, een lichte golfslag en toenemende onrust op de zandplaten. Strandlopertjes trippelen zenuwachtig heen en weer. Af en toe krijst een meeuw. Het water komt, het water komt, en we zien het voor onze ogen stijgen. We zien het basalt langzaam onder water gaan en het lijkt of de gestalten bewegen. Zij bewegen onder de lichte golfslag om langzaam te verdwijnen. Meer meeuwen gaan krijsen en in de verte klinkt het aanzwellend gegak van ganzen. 

Het basalt, eens uitgespuugd door een heftig vuur en gestold tot een onverwoestbaar gesteente, draagt mensen uit het leven van de kunstenaar en geeft hen terug aan de tijd, laat ze langzaam uit de tijd vallen. Wij zitten nog in de tijd. Op de dijk rijden nu fietsers en lopen wandelaars voorbij. Zij zien niet wat wij zien.

‘Dit is mijn atelier’, zegt de kunstenaar terwijl we op een bankje in de motregen, gezeten op een vuilniszak, koffie drinken. 

Terwijl het water stijgt, spreken we over liefde en overgave. 

Daniel van Mourik

26 november 2020

Zie voor de kunstenaar aan het werk deel 2 van dit tweeluik op NPO2:

Moeders en Dochters

 Zondag 25 oktober 2020, ‘De boeddhistische blik’/KRO-NCRV. NPO 2 rond 15.20u Deel 1 (herhaling 28 okt rond 24.00 uur)

 Zondag 1 november 2020, ‘De boeddhistische blik’/KRO-NCRV. NPO2 rond 15.20u Deel 2 ( herhaling 4 nov rond 24.00 uur)

De Wespendoder en de Natuur

Onder het dak raast een geluid dat er voorheen niet was. Het gescharrel van muizen en vogels is verstomd en een onheilspellend gezoem is er voor in de plaats gekomen. Als ik mijn lichaam en hoofd uit het dakraampje wurm, zie ik dat er wespen in en uit een dakpan vliegen. Ook op een andere plek op het dak is het een vrolijk komen en gaan.

Lees verder De Wespendoder en de Natuur

Opgehokt, uitgeteld en van de troon gestoten

Corona in 2020

Dit is een tijd waarin de sluiers die nog over onze resterende dromen lagen, worden weggerukt. Een onthullende tijd: er is een nieuwe mondiale oorlog zonder menselijke vijand, maar tegen een virus dat ons bedreigt. Een voor het gewone menselijke oog onzichtbare vijand. De leiders van diverse landen, zoals Macron, Trump en Orbán bezigen oorlogstaal en in de straten lopen militairen. ‘Ik ben een oorlogspresident’ zei de zelfverklaarde ‘dappere’ Trump die eerst het gevaar ontkende, daarna China beschuldigde, en nu al bij voorbaat een heldenrol claimt. 

Dit is een interessante tijd want al het wapengekletter, alle echte oorlogen, alle uitpuilende wapendepots, alle bewapende survivalists, jihadisten en rebellengroepen in landen waar het volk nauwelijks voldoende te eten heeft maar waar altijd geld is voor wapentuig, halen niets uit tegen de onzichtbare vijand met de mooie naam Corona. Het virus, een bolletje met stekels als een kroon, vertoont een treffende gelijkenis met het uiterlijk van een strijdvlegel, een martelwerktuig, een knuppel met aan het uiteinde een metalen bol met scherpe punten. 

Strijdvlegel

Dit is een tijd van de grote omkeer en herwaardering. Een tijd die het heldendom met zijn ego’s en narcistische eigenwaan doet ontploffen en verpulveren want de ware helden staan niet op pleinen in hun wapenrusting, maar zijn degenen die altijd al in oorlogen een rol op de achtergrond hadden, en die nu op de voorgrond treden. Zij zijn degenen die het leven in stand houden: de mensen in de zorg die de dood buiten de deur proberen te houden, leraren die kinderen blijven onderwijzen, de mensen die ondanks alles blijven schoonmaken en onze rotsooi opruimen, mensen die voor onze voedselvoorziening zorgen. Het is een tijd waarin we het onderscheid kunnen leren tussen wat gedegen wetenschappelijk onderbouwd is en goed gedocumenteerde journalistieke berichtgeving, en wat leugens en online hoaxes zijn.

Een tijd van nieuwe waardering voor creativiteit, kunst, ethiek en technologie. Voor al degenen die ons nu laten zien dat in elke beperking nieuwe mogelijkheden schuilen en die andere visies proberen te ontwikkelen. Want zíj zijn het die voortbouwen op de ideeën en initiatieven die er al decennialang zijn maar nog niet voldoende in de samenleving zijn doorgedrongen: over onze aarde en het kostbare ecosysteem, over onze omgang met ouderen en zwakken in de samenleving, over een meer gelijke verdeling van geld en goederen, over onze onstilbare machtswens en controlehonger en hoe die om te buigen, over het waanzinnige gesleep van mensen en goederen over de aardbol en over verspilling, vernietiging en vergiftiging van de aarde, over een andere manier van reizen en toerist zijn, over hoe een patriarchale cultuur van geweld en oorlog te transformeren in een cultuur van leven, over hoe technologie ons kan dienen, hoe de verziekte verhouding tussen de seksen kan veranderen in een inspirerende bron van hoe we met elkaar omgaan, over kunst als essentiële uiting van onze menselijkheid en niet een hobby, of luxe.  

Maar vooral hoop ik dat het een tijd van grote omkeer in het verafgoden van de Grote God Geld wordt. We zijn helaas teveel van die Grote God gaan houden en hebben hem zoveel eer bewezen dat we er nu bijna aan onderdoor gaan. Terwijl de aandeelhouders en CEO’s van gigantische multinationals zich als Oom Dagobert wentelen in hun goudbergen, bezwijkt een groot deel van de mensheid onder de last van armoede en honger. Omwille van het geld hebben we de aarde vergiftigd, hebben we kippen, varkens en runderen opgehokt en daarna massaal geslacht voor ons gewin of massaal afgeslacht en uitgeroeid uit angst voor vogelgriep, gekke koeienziekte, de varkenspest of andere enge ziektes die oversprongen naar de mens. We hebben ze opgehokt met een beetje meer ruimte, met een randje menselijkheid, om de gemoederen en ons geweten te sussen, en nu zitten we zelf opgehokt terwijl buiten al weken de lentezon schijnt en de natuur zich baadt en wentelt in een ongekende weelde omdat zij eindelijk bevrijd is van het virus mens.

Nee, we zijn niet in oorlog. We zijn aan het einde van de Grote Uitbuiting en het daardoor offeren van alles wat ons lief zou moeten zijn, de aarde en alles wat erop leeft. Wij, de mensen zouden een echte kroon moeten zijn, maar in plaats daarvan hebben we onze kroon misbruikt en zijn we met harde hand van de troon gestoten. Door Corona, een voor ons onzichtbaar virus, een vijand die geen vijand is in de traditionele zin van het woord, maar een vijand die uit onszelf voortkomt. 

Nee, we zijn niet in oorlog, maar we worden wakker geschud en als we het goed overleven dan hoop ik dat we wakker blijven, dat we onze longen weer kunnen volzuigen met lucht en ruimte, dat we onze naasten kunnen omarmen, dat we onze wapens zullen omsmeden tot ploegscharen en ons onstilbaar verlangen kunnen inzetten voor zorg, onderwijs en een gezonde aarde, en dat het enige waarmee we elkaar van harte willen besmetten onze liefde en passie voor het goede leven zal zijn.  

Daniel van Mourik

Amsterdam, 14 april 2020 

OORLOG

Recycling:

Oorlog

Inleiding bij het themanummer ‘Oorlog’ Lust & Gratie nummer 45, lente 1995

Ineke van Mourik

De ware soldaat liegt zichzelf voor als hij zegt dat hij de oorlog haat. Hij houdt hartgrondig van de oorlog. Niet omdat hij een bijzonder slecht, bloeddorstig mens is, maar omdat hij van vitaliteit houdt die (hoe paradoxaal het ook mag lijken) de oorlog in zich draagt. […] Je ogen zijn oplettender in de oorlog, je zintuigen wakkerder, je gedachten helderder. Je ziet ieder detail, neemt iedere geur, ieder geluid, iedere smaak waar. En als je hersens hebt, kun je in de oorlog het bestaan bestuderen zoals geen enkele filosoof dat ooit zal kunnen bestuderen: je kunt er de mensen analyseren zoals geen enkele psycholoog hen ooit zal kunnen analyseren, hen begrijpen zoals je hen nooit zult kunnen begrijpen in een tijd en plaats waar vrede heerst. Alsje dan bovendien een jager bent, een kansspeler, vermaak je je in de oorlog zoals je je nooit in het bos of in de toendra of aan de roulettetafel vermaakt hebt of zult vermaken. Want het wrede spel van de oorlog is de jacht der jachten, de uitdaging der uitdagingen, de weddenschap der weddenschappen.

Insjallah

Deze passage is te vinden in de dikke oorlogsroman van Oriana Fallaci, Insjallah over de oorlog in Libanon. Zij verwoordt een wrange waarheid die recht tegenover een ander gevoel staat: dat van een welgemeende afschuw en afgrijzen van oorlog en een hevig verlangen naar vrede. Tussen het liefkozen van je wapen en erover spreken als ware het je minnares, zoals ik een Servische soldaat zag doen in een televisiedocumentaire, en het al te bevlogen pacifisme van degenen die zelfs ter verdediging geen wapen zouden willen aanraken of leveren, schommelt de gemiddelde mens die zowel de ene waarheid als de andere in zich draagt. Het hele leven wordt getekend door deze polariteit in onze psychologische make-up: enerzijds de behoefte aan spanning via gewelddadige films, sm, survivaltochten, bungy-springen, het beoefenen van gevaarlijke sporten; anderzijds behoefte aan rust, meditatie, vakantie, lui liggen aan het strand, cocooning, saunabezoek

Wie een oorlog heeft meegemaakt, kan er blijkbaar ook door besmet raken. In een interview in Opzij (januari 1993) zegt Fallaci over haar gefascineerd zijn door oorlogen:

Dood, angst, honger, ik ben er mee opgegroeid. Toen het vrede werd verdwaalde ik. Ik was helemaal niet klaar voor vrede. Ik had als kind zo goed geleerd om de oorlog te overleven, om bij bombardementen op het juiste moment te vluchten. Ik wist waar ik moest schuilen, hoe ik eten kon stelen. Je raakt dus gewend aan oorlog en langzaam vergeet je de oorlog, of denk je hem te vergeten. Maar het blijft in je onderwustzijn zitten en als je 30 jaar bent of 35 jaar, wil je terug naar de oorlog, om het te begrijpen, om je jeugd te hervinden.

Zij gaat naar een nieuwe oorlog, de oorlog in Libanon en op basis van haar ervaringen daar schrijft zij Insjallah, een rauw, aangrijpend boek. Zij maakt gebruik van haar schrijverschap door met woorden verslag te doen van een oorlog, zonder zelf aan die oorlog deel te nemen. Zij stelt zich boven de partijen en hoeft zich niet bezig te houden met de keuze voor vrede of oorlog, voor goed of kwaad. Haar boek is een, zij het fictionele, betrouwbare bron van informatie over oorlog. Een tegengestelde reactie, die niets met gefascineerd zijn door oorlog maar alles met afschuw en afkeer heeft te maken, vinden wij bij de schrijfster Dubravka Ugrešić, een Kroatische die vanwege haar kritische woorden over de oorlog in het voormalige Joegoslavië, door de nieuwe Kroatische republiek als verraadster wordt gebrandmerkt. In een oorlog wordt alles zwart-wit, goed en kwaad, vriend en vijand zijn duidelijk van elkaar onderscheiden, en wie nuances aanbrengt, wordt zowel door vriend als vijand gehaat en uitgestoten. Zo ook Ugrešić die nu in Berlijn woont. In haar boek Nationaliteit: geen en haar nieuwste boek De cultuur van de leugens, schrijft zij vooral over woorden als leugens.

Ugresic

Wat in die boeken schrijnend duidelijk wordt, is hoe oorlogen niet alleen met wapens worden gevoerd, maar worden voorbereid en gevoed door woorden. Woorden die worden geschreven door schrijvers die de haat en het vijanddenken aanwakkeren voordat nog maar een soldaat zijn hartstochtelijke oorlog gaat voeren. Hier wordt de schaduwkant van de vrijheid van meningsuiting zichtbaar. Zij roept op den duur zelf weer censuur op.

Maar stel dat de oorlog ophoudt, dat de doden voor zover mogelijk zijn begraven, de lintjes zijn opgespeld, dan begint de volgende oorlog: die van de herinnering en de waarheid. De Kroatische en Servische geschiedenis wordt nu al officieel herschreven en de waarheid zal moeten komen van dissidenten en onafhankelijke denkers en schrijvers als Ugrešić. Sinds de oorlog in voormalig Joegoslavië is ‘oorlog’ voor een groot deel van de naoorlogse Nederlanders pas echt in hun bewustzijn doorgedrongen. Ik zeg hier met opzet een groot deel, want onder andere voor naoorlogse joodse kinderen, kinderen van overlevenden van de Japanse kampen en kinderen van mensen die in de oorlog hadden gecollaboreerd, is deze oorlog altijd aanwezig gebleven. Zij zijn in zekere zin nooit bevrijd geweest. De bevrijde generatie voelt sinds het begin van de jaren negentig ook de adem van de oorlog in de nek en dit was de reden voor Lust & Gratie om een oorlogsnummer te maken. Dat dit nummer uitkomt in het vijftigste bevrijdingsjaar, is meer een samenloop van omstandigheden dan een geplande activiteit.

(Alle afleveringen van Lust & Gratie, lesbisch cultureel tijdschrift,  zijn raadpleegbaar in de bibliotheek van Atria, Kennisinstituut voor emancipatie en vrouwengeschiedenis te Amsterdam.) 

 

Ischa Meijer en Andreas Burnier

Herinnering

Het is begin jaren tachtig als ik vanuit Nijmegen verhuis naar Amsterdam. Ik heb net een souterrain in onderhuur betrokken op de Weesperzijde en mijn verhouding met Andreas is nog zeer pril. Op een van de eerste ochtenden loop ik over de Nieuwe Amstelbrug richting de Pijp. Ik wil mijn nieuwe stad leren kennen en ik voel me opgewekt en nieuwsgierig. Een man loopt mij tegemoet en als vanzelfsprekend groet ik hem en hij groet vanzelfsprekend terug. Als ik verder loop, realiseer ik me dat ik die man alleen van een foto ken. Ik heb hem begroet zoals ik onbekende klanten, die ik alleen van gezicht kende uit de vrouwenboekhandel in Nijmegen waar ik jaren werkte en die ik op straat tegenkwam, begroette. Dat soort groeten kende ik al vanuit mijn jeugd. In de kleine plaats waar ik opgroeide, zei je iedereen gedag en ook met onbekenden knoopte je als je zin had een praatje aan. Amsterdam is een grote stad en ik liep daar die ochtend alsof elk mij tegemoet lopend persoon een halve bekende was. Die halve bekende bleek Ischa Meijer te zijn en pas veel later zou ik hem via Andreas en zijn boeken en programma’s leren kennen. Wat heet leren kennen? 

Iedereen die in Amsterdam op straat liep, kwam hem wel eens tegen. Carmiggelt was de melancholieke chroniqueur van de Amsterdamse kroegen en de gesprekken die daar plaatsvonden, maar Ischa was de brutale en onbeschaamde Joodse straatslijper die iedereen aansprak, overal naar binnen liep en daar dan vervolgens ook weer over schreef. Nee, je leerde hem nooit helemaal kennen want hij was als kwikzilver. Ik heb een keer met hem een half uur door de stad gelopen en in die korte tijd zag hij alles, becommentarieerde alles, dronken we koffie in een rare kroeg, vroeg hij mij de hemd van het lijf, sprak iedereen aan die we tegen kwamen en nodigde me genereus uit om eens soep bij hem te komen eten en als ik kwam dat ik dan niet moest schrikken want dat bereiden van soep deed hij altijd slechts gekleed in een onderbroek. Hij was voor mij degene die van Amsterdam een dorp maakte, de beste straatslijper en flaneur die ik ooit heb ontmoet. Onvermoeibaar rondstruinend alsof hij in zijn eentje de stad wilde terugveroveren op de gruwelijke geschiedenis van zijn vermoorde Joden. 

Op zijn begrafenis was de hele stad met al zijn verschillende bewoners uitgelopen en zaten wij na in het koffiehuis bij hem op de hoek. Ik herinner me dat de begrafenis op zaterdag was en dat Andreas en ik de dag erna met een aantal Joden terug zijn gegaan naar Zorgvlied om kaddisj te zeggen. Ischa heeft in zijn leven Andreas een aantal keren geïnterviewd en de laatste keer was in 1991. Nu 25 jaar na zijn dood in 1995 is dat interview te beluisteren in de serie podcasts over Ischa van de VPRO. Vandaag heb ik ernaar geluisterd en werd er door ontroerd. Ik ken het interview want we hebben het in geschreven vorm in 2003 (een jaar na Andreas’ overlijden) opgenomen in een bundeling van haar essays, brieven en interviews Een gevaar dat de ziel in wil. Andreas en Ischa mochten elkaar en dat is te horen in het interview. Hun beider toon is overwegend zacht, weloverwogen, soms bijna voorzichtig. Ronit Palache spreekt in het geval van Ischa over lieve brutaliteit. Van hun beider felheid, die van Ischa vooral verbaal en van Andreas in haar polemische geschriften, hun reputaties van ‘bad boy’ en ‘rebel’, krijgen we in dit interview de andere zijde te zien. Zij zijn zich in dit interview duidelijk bewust van hun beider kwetsbaarheid over de onderwerpen die ter sprake komen: oorlog, kampen, onderduik, jodendom, homoseksualiteit.  

In het OBA Live programma van 14 februari maakte Ronit Palache, die een bundel met teksten van Ischa samenstelde, een interessante opmerking. Zij zei: ‘Kun je iets voelen zonder taal?’ Wat zowel voor Ischa als Andreas geldt, is dat zij via de taal gevoelens die niet werden benoemd, werden verzwegen of waarover werd gelogen, benoemden en de wortels ervan blootlegden en taboes doorbraken. Zij gingen ver daarin, zij het op verschillende manieren, en daarin zit ook hun beider verwantschap en waardering voor elkaar. Voor Andreas was het praten en schrijven over met name Joodse onderwerpen lang met angst en onderdrukte woede omgeven. In haar werk heeft dat een hele geschiedenis, van Het Jongensuur (1969), haar boek over de onderduik en daarna zwijgen tot 1986 als zij in De trein naar Tarascon opnieuw het thema aanroert. Eind jaren tachtig keert zij terug naar het (liberale) jodendom, haar harnas valt, en dan volgt een stroom van publicaties (essays, krantenstukken en een roman De wereld is van glas) over Joodse thema’s. Ik denk dat zij Ischa vooral bewonderde om zijn ogenschijnlijke angstloze onbeschaamdheid en om aandacht krijsende uitspraken en teksten. Iets wat zij op die manier niet durfde.   

Andreas die bijna nooit iemand thuis uitnodigde, had Ischa en Connie in 1991 genood om te komen eten. Halverwege de maaltijd vroeg Ischa half verontschuldigend of Connie en hij een sigaret konden roken. Andreas en ik leefden rookvrij maar Andreas zag dat Ischa en Connie wel moesten roken wilden zij de avond redelijk doorkomen en stemde ermee in. De stemming steeg meteen, ook door het overvloedige wijngebruik van ons allen. Bij het afscheid was de asbak boordevol en heeft het huis nog wekenlang gestonken. Bij het afscheid kregen we ieder een bundel met Dikke Man columns cadeau met voor elk een mooie opdracht. 

IMG_1746IMG_1747

 

In de podcast vraagt Anton de Goede aan het einde van het interview aan Ronit Palache of het interview nog relevantie heeft voor nu. Zij benadrukt het historische karakter maar ook dat we uit het gesprek van Ischa en Andreas kunnen leren waartoe uitsluiting kan leiden en hoe angst en ellende veel naoorlogse levens heeft getekend. Zij roept ook uit: ‘De stem van die vrouw, zo beschaafd, zo intelligent, zo schrijnend!’ Ja, die stem is uniek en warm en zeker als de aangever en vragensteller Ischa Meijer is. Het is bijzonder dat we dit gesprek weer kunnen beluisteren. Een mooie keuze van Ronit Palache en met dank aan de VPRO!

Podcast ook te beluisteren online via VPRO site: https://www.vpro.nl/programmas/ischa-meijer/een-dik-uur-ischa-op-de-radio/aflevering-1.html

 

Chronische voyeurs en zachte moordenaars: Susan Sontag over fotografie

Deze week (maandag 16 september 2019) verschijnt van Benjamin Moser, Sontag – Haar leven en werk, bij de Arbeiderspers. Susan Sontag (1933-2004) is een Amerikaanse filosoof, politieke activist, essayist en schrijver van romans. Haar leven en werk komt dankzij de biografie van Moser opnieuw in de aandacht. In 1980 verschijnt haar essay Over fotografie in een Nederlandse vertaling en ik schreef er een uitgebreide recensie over in LOVER (driemaandelijks overzicht van de vrouwenbeweging. 7e jrg. Nr.1 1980). Hier een ingekorte versie ervan.

Lees verder Chronische voyeurs en zachte moordenaars: Susan Sontag over fotografie

Lesbische geschiedenis: Pottengrot Nijmegen 1979

Recycling:

De Directrice van het Nachtheelal. Fragment uit: Ineke van Mourik, Tropenritme. Autobiografische fictie. Uitgeverij In de Knipscheer, Haarlem 1988

(Brief aan Eduard over het ontstaan van de vriendschap van de hoofdpersoon met het Grijze Kind. Vóor die vriendschap was een lange periode van zwijgen en elkaar negeren ontstaan vanwege een dwaze aanvaring in het Vrouwencafé) 

De Directrice van het Nachtheelal

1980-pottengrot-in-kelder-caf-de-plak_24641155926_o

Het verhaal speelt zich af in Nijmegen in de tweede helft van de jaren zeventig. Nijmegen was van een tamelijk burgerlijke, nette stad (een stad van burgers en van hen gescheiden studenten), via de studentenbeweging die zich actief met het stadsleven ging bemoeien (tegen de burgers en voor de arbeiders), geworden tot een vreemde smeltkroes van feministen, krakers, werklozen, ex-studenten die cafés en kleinschalige bedrijven openden of een ambachtelijk leven gingen leiden, milieu- en antikernenergie-activisten en homoseksuelen. Jij zat al jaren in Amsterdam en ik woonde nog steeds in die snel veranderende provinciestad. Ik werkte niet meer aan de universiteit maar in een feministische boekhandel in het centrum van de stad die wij met een groep vrouwen hadden opgezet. Wat voor bejaarde hippies, uitgedoofde marxistisch-leninistische revolutionairen, radeloze therapielopers en vermoeide polygamen jaren van luwte waren, waren voor feministen, krakers, homoseksuelen en andere randgroeperingen (en dit in alle mogelijke combinaties) jaren van bloei en acties en van felle reacties van de gevestigde orde.

In het uitgaanscentrum van de stad had een aantal politiek- actieve homoseksuele jongens, tot veler ergernis, een gewoon openbaar café, zonder bel en zonder luikje voor ho-inspectie, geopend. In de kelder van dit opzienbarende café dreef Hubertine X op zondagavond van tien tot vier uur in de nacht de zogenaamde Grot*, een bar voor lesbische vrouwen. Hubertine was de onbetwistbare Directrice van dit nachtheelal. Zij was bekend en berucht van demonstraties en oproer. Zo was zij het brein achter de veelbesproken en bekeken verstoring van de lezing van Van Agt in Nijmegen. ‘Gij zoudet het niet geloven maar er werden mij, excusez les mots, gebruikte maandverbanden toegeworpen,’ zou Van Agt later verklaren in het journaal dat uitvoerig aandacht aan het incident besteedde. Hetgeen de zaak goeddeed, maar de daders werden zo duidelijk in beeld gebracht dat een aantal van hen hun maandelijkse toelage van hun CDA-papa verloren zag gaan.

Hubertine combineerde haar journalistieke werk met onderzoek naar de handel en wandel van de kinderpornograaf Jopie van Oranje (dat het koninklijk huis hier niets aan doet!), een ghostwriterschap voor wetenschappelijke televisieprogramma’s en het wekelijkse barbeheer van de Grot, waar alles mogelijk was en niets verboden, behalve als het te keurig was. Bij haar thuis daarentegen stond altijd de thee op een lichtje, op het dressoir een schaal met taartjes van de beste bakker in de stad en links naast het zeegroene bankstel, op een bijzettafeltje, een Mariabeeld met daarnaast een rond zilveren dienblaadje met kristallen glaasjes waarin zij op hoogtijdagen, en die waren er vaak, exquise likeuren schonk. Op zondagen speelde zij op het harmonium in de gang. Er werd wel gefluisterd dat zij in haar slaapkamer een uitgebreide porno-bibliotheek had, maar die zou even goed voor haar research naar de praktijken van J. van O. kunnen dienen, als tot vermaak voor haar huurders. Haar flat was gelegen in een van de burgerlijkste wijken van de stad maar dat belette haar niet jonge dakloze nichten die zij op straat had gevonden jarenlang onderdak te bieden in haar kleine logeerkamertje. Of zij na al die jaren moe werd of te opgewonden van al het gehijg en gesteun uit haar nichtenalkoofje, dat weet niemand, maar op een dag stuurde zij de laatste nicht weg en bood het kamertje aan het Grijze Kind aan dat in een lekkend krot in de benedenstad woonde en daar romantische gedichten schreef die steevast bij elke thuiskomst waren verregend of door wilde katten aangevreten. Al gauw werd zij de minnares van de Directrice en tevens haar rechterhand en schandknaap achter de bar van de Grot.

De Grot

De Grot was een merkwaardig nachtlokaal met een duistere reputatie. Zij verhield zich tot het feminisme als een nachtclub tot de eengezinsdoorzonwoning. Het Vrouwencafé, bij voorbeeld, was feministisch en zeker in het begin ogenschijnlijk keurig heteroseksueel. Je moest als lesbienne oppassen niet de doelgroep huisvrouwen terug te jagen naar man en kinderen. Aan de andere kant waren er slechts besloten homobars die rood, warm, zinderend, zwoel en ook ruig waren, waar meisjes elkaar ongegeneerd mochten beloeren en aanraken en waar zij zich konden overgeven aan drankmisbruik onder de klanken van seksistische discomuziek. Ik bewoog mij zowel in de feministische cafés als in het broeierige homogetto. En ik was niet de enige. Terwijl wij onze verlangens en wensen verdeelden over de twee café-werelden, zat de ‘gewone’ heteroseksuele huisvrouw, de lieveling en favoriete klant van menig feministisch collectief, doorgaans fijn thuis bij de buis.

De Grot was het eerste café dat feminisme en lesbisch getto met elkaar verbond op een wijze die zowel radicaal als speels was. Door die ongebruikelijke combinatie bracht zij feminis­tische en niet-feministische lesbo’s als ook feministische heterovrouwen in verwarring, of zij streek hen tegen de haren in. Omdat dit café een van de weinige plekken was waar vrouwen ongestoord met elkaar konden dansen, zetten met name vele heterovrouwen hun politieke bezwaren tijdelijk opzij om op de klanken van de verboden muziek hun egodans uit te voeren. Tegen sluitingstijd uitten zij vervolgens hun verdrongen emoties door het kapot gooien van glazen, en door te zeuren om drank of nog een plaatje. De Directrice was streng en onverbiddelijk en veegde die meisjes met glas en al de kelder uit. Na zo’n incident nam zij altijd wraak, bij voorbeeld door de week daarop de klanten een solidariteitspetitie van homoseksuelen tegen het bezoek van de paus te laten tekenen. Of zij had de bar en tafeltjes opgesierd met dildo’s op fluwelen bedjes, of zij liet het butch-personeel cowboyholsters met pistolen dragen om de hetero-vrouwen uit hun tent te lokken of nog meer schrik aan te jagen. Alles was goed als het maar vooroordeelbevestigend was. De slechte naam en faam van de Grot breidde zich zelfs uit naar de hoofdstad en regelmatig kwamen er autoladingen uit het westen zich in de provincie vergapen, niet in het minst aan het knaapachtige meisje achter de bar. Ik was in die tijd een trouwe bezoekster en ontmoette het Grijze Kind weer, die mijn veelvuldige bestellingen beleefd maar immer zwijgend voor mij neerzette. Het contact harerzijds verliep hoofdzakelijk via gebaren en blikken die in uiterste gevallen werden uitgebreid met vragen en antwoorden via de Directrice. 

1979 Pottengrot bij Bobby

Na verloop van enkele maanden bevorderde de Directrice mij van gewone klant tot bijzondere klant, hetgeen betekende dat ik glazen mocht ophalen en na sluitingstijd de vloer aanvegen in ruil voor drank en nachtelijk nablijven met het personeel. Tot het gezelschap bijzondere klanten behoorde ook Cathy Camper, van oorsprong Engelse, die zich kleedde zoals voorheen haar landgenote M. Radclyffe Hall, een notoire lesbienne en auteur van het boek The Well of Loneliness, een boek dat in de geschiedenis van de censuur even beroemd is als in de lesbische subcultuur. In het shagrokende gezelschap van spijkerbroeken, tuinbroeken, legerbroeken en harembroeken was Cathy in haar dure Italiaanse mannenpak met hoed, haar Dupont-aansteker, haar Benson & Hedges-sigaretten, een opvallende verschijning. Zij had sociale psychologie gestudeerd en zich gespecialiseerd op het gebied van trainingen aan de medemens in seksuele nood, maar na het behalen van haar titel sloot zij zich aan bij ons vrouwencollectief om, zoals zij zelf zei, ‘het groepsproces te bewaken. ’ Zij deed dat door het organiseren van opwindende avonden en middagen zoals de beroemde moederdag ter bevordering van het moeder-dochter contact, die haar na afloop een geheel nieuw patiëntenbestand opleverde, of het uitnodigen van arbeidersmeisjes van de streekschool om de kloof tussen de sociale klassen te overbruggen. Deze meisje verlieten na de gezellige middag geheel gesterkt in hun vooroordelen (‘dat zijn geen vrouwen maar kerels’) het café.

De Erotische Avond

Het klapstuk en hoogtepunt in Cathy’s carrière was de Erotische Avond in de Grot. Toen het merendeel van de feministen alleen nog maar demonstreerde, theoretiseerde, actie voerde, bedrijven en tijdschriften oprichtte, de Melkweg in Amsterdam nog niet dacht aan een Festival van de Verleiding, een aantal vrouwelijke journalisten over de ruggen van diezelfde feministen een carrière bij linkse kranten en weekbladen opbouwde, repeteerde Cathy samen met het Grijze Kind wekenlang in haar kamer haar avondvullende erotische programma. Zij had om in de juiste stemming te komen haar kamer herschapen in een soort damesbordeel: langs de wanden en van het plafond hingen lange stroken rood crêpepapier, op de vloer en op haar bed lagen dikke bontvachten, overal stonden spiegels, er hing een zware geur van dure parfum en de kamer was, ook overdag, verlicht door fluorescerende en rode lampen.

Cathy had mij gevraagd de diverse onderdelen van de Erotische Avond aan te kondigen en omdat ik nu dichter dan ooit in de nabijheid van het Grijze Kind was, begon haar doventaal mij steeds meer op de zenuwen te werken. Ik wist niet hoe haar zwijgen moest worden doorbroken. Zij zou niet het initiatief nemen omdat zij haar belofte wilde houden en ik was te koppig om alsnog ongelijk te bekennen. Zeker nu wij samenwerkten, werd het spel onverdraaglijk en de omgeving kreeg steeds meer de functie van intermediair toebedeeld. 

Voor de Erotische Avond had heel potteus en feministisch Nijmegen, van getto tot universiteit, een deftige uitnodiging ontvangen. De Directrice serveerde in een oversized herencolbert met stropdas bij binnenkomst zoutjes in de vorm van borsten en andere vrouwelijke delen die bij elke bakker te krijgen zijn, maar die nu, in deze erotische context bij menigeen ineens diepe verontwaardiging (bah, seksistisch!) wekten. Hetzelfde lot viel ten deel aan de schalen waarin op artistieke wijze fel gekleurde zuurstokken en rode zuurballen waren geschikt. Een enkeling verliet de kelder al voordat het programma was begonnen. De beide artiesten lazen erotische gedichten en verhalen voor, zongen zwoele liederen in avondjurk, lagen naakt in bontjassen, hielden een kuise striptease, aten op wellustige wijze een fruitschaal leeg, streelden het publiek met boa’s en veren. Naarmate de avond vorderde en hun acts steeds vrijmoediger werden, verlieten meer vrouwen de zaal. Als eerste verliet na de pauze het overkoepelende orgaan van academische vrouwen (O-VARIA ) het café. De dames lardeerden hun pauzevertoog met voor het merendeel van het publiek onbegrijpelijke termen uit de boeken van de heren Lacan, Foucault en Derrida, overgoten deze met de cerebraal-erotische damessaus van Irigary, en besloten hun discours met het revolutionaire voorstel Wina Born** op te nemen in de feministisch-erotisch verantwoorde literatuur. Daama begon de groep Vrouwen tegen Sexueel Geweld en Pornografie – waarin het anti-virus zich ongemerkt had uitgebreid tot een anti-houding ten opzichte van alle vormen van seksualiteit door de voortdurende confrontatie met de perversiteiten van de heteroseksuele cultuur – zich te roeren. Midden onder de voorstelling liep de groep, met medeneming van het belastende materiaal, de zoutjes en het kermissnoepgoed, en onder het uitroepen van hun collectieve kreet: ‘Nou, dat vind ik wel moeilijk hoor’ (hun eufemisme voor een diepe afkeer en veroordeling van het gebodene), luid stampend de trap op naar boven.

Zelfs de vrouwenbreibrigade die haar agressie altijd in toom hield door waar dan ook, in vergaderingen, demonstraties, etcetera, te breien, liet rechts achter in de zaal een driftiger getik van haar naalden horen.

De Directrice klapte opgetogen in haar handen. De avond was nu echt geslaagd en het handjevol dat overbleef mocht het historische moment beleven dat een van de aanwezigen, geheel overstuur van drank en emoties, zich uitkleedde en zich tot diep in de nacht liet beschilderen waarna zij naakt en onder luid gezang in triomf naar huis werd gedragen.

Ik bleef, zoals gewoonlijk, achter om samen met anderen de kelder in oorspronkelijke staat te herstellen en de avond nog eens haarfijn door te spreken. Door de drank, de verhitte avond, de ruzies, het liederlijke plezier hadden wij onze normale controle verloren en het Grijze Kind en ik waren elkaar, van ondraaglijke spanning, bijna in de haren gevlogen als de Directrice niet had ingegrepen. Zij schonk vier glaasjes jenever in, sommeerde ons naar een hoekje, gaf ons elk een glaasje, zei: ‘Opdrinken en vlug een beetje’, gaf ons het andere glaasje en zei op nog beslistere toon: ‘En nou praten, verdomme.’ Van schrik begonnen wij tegelijk te praten. We praatten tot het ochtendgloren, praatten op weg naar de Directrice haar flat en bezegelden deze nieuwe ontwikkeling met de harmoniumklanken van de Directrice en een urenlang driestemmig gezang van een complete liederenbundel de H. Maagd toegewijd.

Na deze gedenkwaardige avond – jaren later zullen wij velen van de toen verontwaardigde vrouwen flirtations zien aangaan met de SM-scene – trok Cathy zich uit het openbare lesbische leven terug. Zij liet haar hoofd kaalscheren, haalde haar jurken uit de kast en vertrok uit heimwee naar een van de Waddeneilanden waar zij als serveerster ging werken. Na enige tijd ‘trouwde’ zij daar met een heteroseksuele vrouw, moeder van vier kinderen, die zij aanvankelijk therapeutische hulp had geboden. Jaren later keerde zij, weer alleen, terug naar Nij­megen. Via het Arbeidsbureau probeerde zij, zoals vele andere afgestudeerden, een baan als schaapherder te krijgen maar belandde uiteindelijk met een oude geliefde in een eengezinsdoorzonflat waar zij zich begon voor te bereiden op een come­ back als directeur in het bedrijfsleven via een onafzienbare reeks cursussen en trainingen in management en marketing. Those were the days, Eduard. Zoals voor Cathy Camper de Erotische Avond een hoogtepunt en eindpunt was van haar opzienbarende optreden in de feministische cultuur, zo was deze avond voor het Grijze Kind en mij het begin van een vriendschap die nu al jaren duurt. Nu weet je wat ik deed

in dat saaie, en volgens onze ouders nette, Nijmegen terwijl jij in het opwindende Amsterdam, volgens onze ouders het Sodom en Gomorrah van Nederland, op je zolderkamer Scho­penhauer en Nietzsche bestudeerde en Céline herlas.

* Dit fragment is gebaseerd op ervaringen in De Pottengrot, de lesbische zondagavonden in de kelder van café De Plak te Nijmegen. De Pottengrot werd in 1979 geïnitieerd door Ineke Zijlmans (Huntin’ Hubertine) en Jonne Linschoten (Bobby). Later werd ik ook een van de bardames/jongens (Daniel).

** Wina Born (1920-2001), de moeder van de Nederlandse gastronomie.

De Notre Dame en de Misérables

Het is dinsdag 16 april. Gisteren om 19.00 kwamen de berichten binnen over de brand van de Notre Dame in Parijs. Ik sta op het Gare du Nord en loop naar buiten richting de bus. Op straat het gewone drukke gedoe van auto’s en bussen die af en aan rijden, wat duistere types die voor de ingang van het station hangen, en zwervers met tandeloze monden die om geld vragen. In een zijstraat ligt in een portiek onderuit gezakt een man in zijn eigen pis met rondom zich heen een kartonnen beker, plastic afval en lege papieren zakken. Ik voel me beroerd omdat ik er zo langs loop.

Even later kijk ik op de computer naar beelden van gisteren. In de straten en op de kades rond de Notre Dame wordt gehuild, gebeden, verbijsterend, gefascineerd gekeken, er wordt woede geuit. De hele stad is uitgelopen en ook alle hoogwaardigheidsbekleders (o.a. Macron en Hidalgo, de burgemeester van Parijs)  bevinden zich op straat om de Notre Dame die in brand staat met eigen ogen te zien. Met eigen ogen te zien of zij blijft staan, zeker nadat de spitse toren is ingestort, of nog zal staan nadat de brandweerlieden het vuur hebben bedwongen. Een groot deel van de kathedraal heeft het overleefd, o.a. de twee karakteristieke klokkentorens. 

De Notre Dame is het symbool en het hart van Parijs, de 800-jarige Oude Dame, symbool van het onverwoestbare christendom, zij behoort tot het werelderfgoed en miljoenen touristen bezoeken haar. Schrijvers en kunstenaars brachten haar in beeld en geschrift onder onze aandacht en zij is deel van de Europese geschiedenis. 

Maar zij is meer. Zij is ook gevoel, emotie. In Le Parisien van vandaag (17 april) komt een deskundige op het gebied van emoties aan het woord: ‘Dit wordt ervaren als een intiem drama, het is niet zomaar een gebouw dat in brand staat. De Notre Dame wordt als onverwoestbaar ervaren. Als de Notre Dame zou verdwijnen, dan kan alles verdwijnen. Deze brand confronteert ons met onze kwetsbaarheid.’ 

Maar dat willen we niet, is blijkbaar onverteerbaar, dus komt er binnen 24 uur een bedrag van 750 miljoen op tafel om de Notre Dame te redden. Liever gezegd er komt 750 miljoen op tafel om onze eigen kwetsbaarheid toe te dekken. Het is prachtig om te zien hoe eensgezind mensen in actie kunnen komen en hoe deze brand ons met elkaar verbindt. Wij zijn op ons opperbest in, maar vooral na rampen. Maar de schaduw volgt ons of zoals de Franse Olivier Pourriol twitterde: (vertaling) Victor Hugo bedankt alle vrijgevige donateurs die bereid zijn de Notre-Dame de Paris (Franse titel van Hugo’s boek) te redden, en stelt hen voor hetzelfde te doen voor Les Misérables (ander boek van Hugo). 8,8 miljoen armen in Frankrijk. Zie ook de tijdlijn op FaceBook van Virginie Sanders voor commentaar op deze giften (het grootste deel van miljardairs) en verwijzing naar Le Monde. Ik denk aan die honderden mensen in de portieken en in kartonnen behuizingen langs de ring van de stad.

Zelf ben ik helemaal niet dol op kathedralen maar toch ben ik er binnen geweest en ben ik onder de indruk van die enorme kolos en vooral van de invloed op gelovigen die zich uit in de talloze kaarsen die worden aangestoken bij de diverse heiligen. Zelf doe ik dat ook in naam van mijn moeder bij de Heilige Antonius van Padua, de heilige van de gevonden voorwerpen (H. Antonius, beste vrind, zorg dat ik mijn sleutels vind) voor wie mijn moeder een hartstochtelijke liefde koesterde. Vaak loop ik over het plein aan de voorkant om op de linkeroever naar de historische boekhandel Shakespeare & Company te gaan. Als ik dan in gezelschap ben, sta ik stil bij het westelijk voorportaal en wijs op het beeld van Synagoga en daarnaast het beeld van Ecclesia. De twee vrouwenfiguren symboliseren het jodendom en de kerk. Synagoga’s ogen zijn geblinddoekt door een slang, haar staf is gebroken en haar kroon ligt op de grond. Ecclesia is majestueus met een kroon op haar hoofd, staf en een kelk in haar hand. De kerk als triomfator over het vertrapte en door de kerk vernederde en vervolgde jodendom.  

Ecclesia_et_synagoga_RTL-640x400

De tijd van de jodenvervolgingen zijn voorbij en de Notre Dame mag wat mij betreft eeuwig blijven bestaan mede als getuige van een geschiedenis die haar enorme schaduwzijden heeft. Maar ik vrees dat de meeste mensen die de kathedraal bewonderen daar geen boodschap aan hebben. Die zijn liever blind dan ziende. Dat geldt ook voor de grote gulle gevers die hun naam op een plaquette zullen zien staan in de gerestaureerde Notre Dame, en die zich ongetwijfeld per taxi of privé-chauffeur door hun mooie stad laten vervoeren terwijl ondertussen de Misérables in hun eigen pis in de portieken liggen. 

Als we ons door deze brand realiseren dat niets eeuwig bestaat, dat we altijd kwetsbaar zijn, dat we onze blinddoeken moeten afgooien, dat schoonheid tijdelijk is, en we ook als er geen ramp is we iets kunnen doen aan de wereld om die voor zoveel mogelijk mensen een betere plek te maken, dan heeft de brand werkelijk zin gehad.