Chronische voyeurs en zachte moordenaars: Susan Sontag over fotografie

Recycling

Deze week (maandag 16 september 2019) verschijnt van Benjamin Moser, Sontag – Haar leven en werk, bij de Arbeiderspers. Susan Sontag (1933-2004) is een Amerikaanse filosoof, politieke activist, essayist en schrijver van romans. Haar leven en werk komt dankzij de biografie van Moser opnieuw in de aandacht. In 1980 verschijnt haar essay Over fotografie in een Nederlandse vertaling en ik schreef er een uitgebreide recensie over in LOVER (driemaandelijks overzicht van de vrouwenbeweging. 7e jrg. Nr.1 1980). Hier een ingekorte versie ervan.

Over fotografie Sontag

Over fotografie

‘Niet degene die niet kan lezen en schrijven, maar degene die niets weet van fotografie’, zo is wel eens opgemerkt, ‘zal de analfabeet van de toekomst zijn.’

(Walter Benjamin, Kleine geschiedenis van de fotografie)

Er zijn boeken die je moet lezen omdat de opleiding die je volgt dat vereist. Andere lees je omdat ze passen in het gebied van je eigen interesses. Weer andere worden je aangeraden door mensen in je omgeving. Maar er zijn er altijd een paar die op het juiste moment en schijnbaar toevallig op je weg komen. Een van die laatste boeken was voor mij het boek van Susan Sontag, Over fotografie.

Mijn ervaringen met fotografie dateren van 1976, het jaar waarin ik besloot een belastingteruggaaf van 900 gulden te besteden aan een camera met toebehoren. Een gevolg van drie jaar ervaring met fotografie, is dat ik een bloedhekel heb gekregen aan negentig procent van de zich fotografen noemende aasgieren en chronische voyeurs. Maar tegelijkertijd is mijn interesse en alles wat er mee samenhangt alleen maar toegenomen, dankzij ervaringen en conflicten, maar vooral door inspirerende gesprekken en door lezen over fotografie. Mijn oorspronkelijke gefascineerdheid door elk beeld dat weer oprees uit de ontwikkelaar heeft zich drastisch uitgebreid naar de wereld buiten de donkere kamer en de betekenis die fotografie daar heeft. Over dit laatste gaat het boek van Susan Sontag vooral. In een interview in Vrij Nederland (december 1979) zegt Sontag: 

Ik ben gek op foto’s. Ik fotografeer zelf niet, maar ik houd van foto’s, ik heb een hele collectie, ze fascineren me … ik ben er al heel lang bezeten van. Maar ik wilde er pas over gaan schrijven toen ik besefte hoeveel verschillende kanten er aan zitten: de verwikkelingen, tegenstrijdigheden en dubbelzinnigheid waaruit onze maatschappij bestaat vind je allemaal in die ene activiteit: “fotograferen” terug.’

Ook binnen de vrouwenbeweging geniet fotografie een ongekende populariteit. Vrouwenbladen wijden aandacht aan verschenen fotoboeken (in LOVER 78/4 verscheen een overzicht van Hennie van der Zande over fotoboeken van vrouwen), uitgevers zien er een goede markt in en de vrouwenboekhandels bieden een keur van prachtige boeken met werk van beroemde damesfotografen zoals Margaret Freund, Imogen Cunningham, Diane Arbus, Gisèle Freund, Margaret Bourke-White en anderen, en soms een enkele heer als Lewis Carroll die schandelijk mooie, brutale en arrogante meisjes fotografeerde. In de roes van de herontdekking worden de damesfotografen zonder onderscheid op grond van sekse door de vrouwenbeweging in het zonnetje gezet, terwijl hun werk van zeer uiteenlopende aard is. Het zal mij een zorg zijn dat wij ons beperken tot éen sekse, want daarbinnen is sprake van evenveel variëteit als bij de mensheid in haar geheel. Maar wij moeten niet blijven steken in het prille stadium van keuze en waardering alleen op grond van sekse. Het is belangrijk de aandacht te richten op onderlinge verschillen en op de fotografie in haar algemeenheid. Ik beperk mij in deze bespreking tot de fotografie in haar algemeenheid, hoewel Sontag ook veel interessants te zeggen heeft over individuele fotografen, zoals onder andere Diane Arbus.

Fotografie en kunst

On Photography 1De uitvinding van de fotografie dateert van 1826. De uitvinder Nicéphore Niépce stak al zijn geld in onderzoekingen op het gebied van fotografie en stierf arm en roemloos. De Fransman Daguerre, die vaak ten onrecht als dè uitvinder wordt bestempeld, bouwde voort  op de resultaten van Niépce en maakte de uitvinding algemeen bruikbaar. Pas op 19 augustus 1839 werd de uitvinding in het openbaar gepresenteerd tijdens een zitting van de Académie des Sciences, waarbij de hele intellectuele elite van Parijs aanwezig was. 

 

Vrijwel onmiddellijk barstte het gekrakeel en gedabatteer los over de vraag of fotografie nu wel of niet tot de kunst behoort. Susan Sontag gaat uitgebreid op deze discussie in en wijst in dit verband op een aantal interessante aspecten. Fotografie verleent schoonheid en belangrijkheid aan onderwerpen die dat voorheen niet hadden: ‘Fotografisch kijken kwam gelijk te staan met een talent om schoonheid te ontdekken in de dingen die iedereen ziet, maar verontachtzaamt, omdat hij ze te gewoon vindt.’ 

De schoonheid van een afgebladderde deur, een damesschoen in de goot, een serie sigarettenpeukjes. De fotografie heeft veel gedaan om de kunst los te weken van haar ouderwetse relatie met verheven en schone onderwerpen, juist door het banale en alledaagse als onderwerp te nemen. Maar de ironie van deze democratiserende tendens is dat het esthetiserende effect niet is verdwenen maar zich heeft uitgebreid.

Ik heb onze wc-pot gefotografeerd, die glanzend geëmailleerde bak met zijn bijzondere schoonheid […] Iedere sensuele welving van de “goddelijke menselijke gestalte”  was hier aanwezig, maar zonder de onvolmaaktheden ervan. Nooit hebben de Grieken een belangrijker vervulling van hun cultuur beleefd: met zijn voorwaartse golving van subtiel voortschrijdende contouren deed het me op de een of andere manier denken aan de Nikè van Samothrake.’  (Edward Weston)

Maar ook op andere wijze heeft de fotografie invloed gehad op de kunst zegt Sontag:

Aangezien de meeste kunstwerken (foto’s incluis) thans bekend zijn van fotoreproducties, heeft de fotografie – met de kunstzinnige activiteiten die daarvan zijn afgeleid, en het soort smaak die van de fotografische smaak is afgeleid  – een ingrijpende verandering teweeggebracht in de traditionele normen van smaak, waartoe we ook het begrip “kunstwerk” moeten rekenen.’

Het criterium of het een uniek object is, een origineel, wint het in de musea van criteria als kwaliteit, originaliteit of schoonheid als het op publieke belangstelling aankomt. Deze belangstelling is van hetzelfde soort dat jaren geleden honderden Nederlanders naar het plaatsje Dongen dreef om daar een lelijke, kaalgevreten maar echte vale gier te aanschouwen.

Door de invloed van de fotografie worden we met onze criteria over kunst het bos ingestuurd. Enerzijds leent de fotografie zich voor de opvatting van kunst dat Kunst uit de tijd is, anderzijds bezit zij de merkwaardige eigenschap dat ze al haar onderwerpen tot kunst maakt, zegt Sontag. Het voordeel van de democratiserende invloed van de fotografie is dat kunst niet alleen toegankelijk is voor een bepaalde elite, maar een grote verspreiding heeft gekregen. Het nadeel, merkt Sontag op, dat de verschillen in betekenis worden verdoezeld. Kunst wordt dan een inhoudsloos begrip als criteria zoals originaliteit, kwaliteit en diepzinnigheid niet meer worden gehanteerd.

Fotografie als moderne religie

Fotografie wordt als vorm van recreatie bijna even universeel bedreven als seks en dansen, zegt Susan Sontag in haar eerste hoofdstuk. Fotografie wordt hoofdzakelijk beoefend als sociale ritus, als afweerreactie tegen angst en als machtsmiddel.

Wat bedoelt zij met deze uitspraken? Zij beschouwt fotografie als een nieuwe religie, een middel om de werkelijkheid te doorgronden door het verzamelen van beelden van die werkelijkheid. Het werkelijkheidsbesef dat steeds gecompliceerder wordt, schept zijn eigen compensatiedrang en vereenvoudigingen; de meest verslavende daarvan is het fotograferen.

Als voorbeeld hiervan noemt zij toeristen, die van verschillende nationaliteit kunnen zijn, maar éen ding gemeen hebben, namelijk het fototoestel. Met hun toestel veroveren zij de ruimte waarin zij zich onzeker voelen en bovendien verschaffen de foto’s hun een denkbeeldig bezit. Reizen wordt zo een strategie om foto’s te verzamelen en het kijken naar foto’s maken komt in plaats van de beleving. Susan Sontag noemt dit soort gedrag de chronische voyeursrelatie tot het leven waarin de betekenis van de gebeurtenissen vervlakt. Zoals de oude religies alles in een groot kosmisch verband proberen te brengen, zo probeert de fotograaf hetzelfde te doen door losse stukken te verzamelen. De eenheid die zij/hij nastreeft, is echter een oppervlakkige die alleen maar berust op de compleetheid van de verzameling.

De zachte moordenaars

De fotograaf probeert de realiteit, die wordt gezien als iets weerspannigs en onbereikbaars, gevangen te zetten, in haar/zijn macht te krijgen. Daarom is elk fotograferen tevens een aggressieve daad, ook al is de fotograaf nog zo vervuld van goede bedoelingen. Sontag spreekt in dit verband niet voor niets over zachte moordenaars. Tegelijkertijd is het een daad van non-interventie, zegt Sontag, een manier om te bevorderen dat iets, dat bezig is te gebeuren, doorgang vindt. 

[…] Opeens viel er naast me een jongetje op de grond. Toen besefte ik dat de politie geen waarschuwingsschoten vuurde. Ze schoten rechtstreeks op de menigte. Er vielen meer kinderen […]. Ik begon foto’s te maken van het jongetje dat vlak naast me lag te sterven. Er stroomde bloed uit zijn mond en een paar kinderen knielden naast hem neer en probeerden de bloedstroom te stelpen. Toen begonnen een paar kinderen te schreeuwen dat ze me zouden vermoorden […] Ik smeekte hen om me met rust te laten. Ik zei dat ik een verslaggever was en daar was om verslag uit te brengen van wat er gebeurde. Een meisje raakte me aan het hoofd met een steen. Ik was duizelig, maar stond nog op beide benen. Toen werden ze redelijk en een paar leidden me weg. Al die tijd cirkelden er helikopters boven ons en klonk het geluid van schieten. Het was net een droom. Een droom die ik nooit zal vergeten.’

(Uit het verslag van Alf Khumalo, een zwarte reporter van de Johannesburg Sunday Times, over het uitbreken van relllen in Soweto, Zuid Afrika, gepubliceerd in The Observer (Londen), zondag 20 juni 1976).

Over fotografie

Persfotografen die snot in elkaars lenzen deponeren om een primeur te halen, paparazzi die met telelenzen beroemdheden in hun privéleven proberen te betrappen, daar hebben we al snel een oordeel over klaar. Maar dat het ‘gewone’ huis-, tuin- en keukengefotografeer evengoed agressief kan zijn, dat kwam pas later in mijn hoofd op. De twijfelachtige eer om gefotografeerd te worden is vaak ter meerdere eer en glorie van de fotograaf in kwestie. Wat dat betreft staat de huidige fotograaf niet ver van de magische activiteiten van zogenaamde primitieve samenlevingen. Susan Sontag zegt hier in haar hoofdstuk ‘De Beeldwereld’ behartenswaardige dingen over. De oorsprong van het maken van afbeeldingen is een magische activiteit om jezelf macht toe te eigenen. In primitieve samenlevingen waren ding en beeltenis eenvoudig twee verschillende, althans fysiek verschillende, manifestaties van eenzelfde geest. Hieruit kan de angst van bepaalde zogenaamde primitieven worden verklaard om gefotografeerd te worden. Maar ook nu nog kun je mensen horen zeggen dat zij het gevoel hebben dat er iets van hen wordt afgenomen, met name als zij zonder toestemming te geven, worden gefotografeerd. De fotografie heeft de primitiefste relatie waarbij beeld en object samenvallen in ere hersteld, zegt Susan Sontag. Maar er is wel verschil met het primitieve besef. Nù bestaat de neiging om aan werkelijke dingen de eigenschappen van de afbeelding toe te schrijven. ‘Het was net een film”, is een uitspraak die moet bevestigen hoe realistisch iets wel was. En als een zonsondergang niet die van een foto evenaart dan zij wij gemakkelijk teleurgesteld.

Het almachtige beeld

Het beeld, de fotografische afbeelding, heeft een ongekend ontzag in onze samenleving. Verbied de fotografie en bijna elke toerist zal krankzinnig worden, de pornobusiness zal kelderen, de meeste kranten en tijdschriften zullen verdwijnen, en we hebben een belangrijk politiek controle- en manipulatiemiddel minder. De invloed en de agressiviteit van de fotografie is enorm, maar wat betekenen die beelden nu eigenlijk? 

Susan Sontag: ‘De hoogste wijsheid die je over een fotobeeld kunt zeggen, is: Hier heb je de oppervlakte. […] Strikt genomen kun je via een foto nooit iets begrijpen. […] De beperktheid van een fotografische kennis van de wereld ligt hierin dat zij nooit ethisch of politiek kan worden, al is zij in staat het geweten te prikkelen. De kennis die via foto’s wordt vergaard, zal altijd een soort sentimentalisme zijn, of het nu cynisch is of humanistisch. Het zal kennis voor een koopje zijn, een schijnkennis, een schijnwijshied, zoals de daad van fotografie een schijnovermeestering, een schijnverkrachting is.’ 

Gisèle Freund, zelf fotografe, drukt zich in haar boek Photographie und Gesellschaft wat minder fel uit. De objectiviteit van een foto is een illusie, zegt zij. De macht van het beeld ligt in de directheid en daarin schuilt tevens het gevaar. Zij komt dan met het voorbeeld uit L’Express waarin éen fotoserie over de Hongaarse opstand twee keer, met verschillende onderschriften, werd afgedrukt om te laten zien hoe je een volslagen tegengesteld beeld kunt oproepen. Als je eenmaal oog voor dit soort manipulaties krijgt dan zie het gevaar en de nep overal.

Tegengif en ziekte

Maar deugt er dan werkelijk niets? Natuurlijk wel, maar fotografie blijft altijd iets dubbelzinnigs houden. Zij is tegelijkertijd tegengif en ziekte. Neem nu de geëngageerde fotografie en de reportagefotografie.

Susan Sontag: ‘Foto’s kunnen geen morele standpuntbepaling creëren, maar ze kunnen die wel versterken, en ze kunnen meehelpen een ontkiemende mening verder te ontwikkelen.’ Wat een foto je doet, staat of valt met de aanwezigheid van een relevant politiek bewustzijn, maar ook met de mate waarin je met die beelden vertrouwd bent. 

On photography

Met betrekking tot dit laatste wijst Susan Sontag op het immuniserende effect van foto’s.  Zij trekt dan ook de volgende conclusie waarmee de ellende-fotografie wel wat van haar humaniserende karakter moet inleveren: ‘In de laatste decennia heeft de geëngageerde fotografie minstens zoveel gedaan om het geweten af te stompen als om wakker te schudden.’  Maar niet alleen het immuniserende effect is daar schuldig aan maar ook het esthetiserende effect van foto’s, waar ik in het begin al op heb gewezen. ‘[…] de esthetiserende tendens van de fotografie is zo sterk dat hetzelfde medium dat verontrusting teweegbrengt, die ook weer neutraliseert.’

Susan Sontag geeft een tamelijk zwartgallige kijk op fotografie, in ieder geval op wat er in de loop van jaren met de fotografie is gebeurd. Zij wil laten zien dat een revolutionaire uitvinding die gevolgen had voor onze opvattingen over kunst en wijze van kijken en die nu door een gigantische industrie wordt opgeklopt, met het nodige voorbehoud moet worden bekeken. Met haar intelligente boek is zij erin geslaagd om in ieder geval bij mij dat nodige voorbehoud op te wekken.

(1980)

Lesbische geschiedenis: Pottengrot Nijmegen 1979

Recycling:

De Directrice van het Nachtheelal. Fragment uit: Ineke van Mourik, Tropenritme. Autobiografische fictie. Uitgeverij In de Knipscheer, Haarlem 1988

(Brief aan Eduard over het ontstaan van de vriendschap van de hoofdpersoon met het Grijze Kind. Vóor die vriendschap was een lange periode van zwijgen en elkaar negeren ontstaan vanwege een dwaze aanvaring in het Vrouwencafé) 

De Directrice van het Nachtheelal

1980-pottengrot-in-kelder-caf-de-plak_24641155926_o

Het verhaal speelt zich af in Nijmegen in de tweede helft van de jaren zeventig. Nijmegen was van een tamelijk burgerlijke, nette stad (een stad van burgers en van hen gescheiden studenten), via de studentenbeweging die zich actief met het stadsleven ging bemoeien (tegen de burgers en voor de arbeiders), geworden tot een vreemde smeltkroes van feministen, krakers, werklozen, ex-studenten die cafés en kleinschalige bedrijven openden of een ambachtelijk leven gingen leiden, milieu- en antikernenergie-activisten en homoseksuelen. Jij zat al jaren in Amsterdam en ik woonde nog steeds in die snel veranderende provinciestad. Ik werkte niet meer aan de universiteit maar in een feministische boekhandel in het centrum van de stad die wij met een groep vrouwen hadden opgezet. Wat voor bejaarde hippies, uitgedoofde marxistisch-leninistische revolutionairen, radeloze therapielopers en vermoeide polygamen jaren van luwte waren, waren voor feministen, krakers, homoseksuelen en andere randgroeperingen (en dit in alle mogelijke combinaties) jaren van bloei en acties en van felle reacties van de gevestigde orde.

In het uitgaanscentrum van de stad had een aantal politiek- actieve homoseksuele jongens, tot veler ergernis, een gewoon openbaar café, zonder bel en zonder luikje voor ho-inspectie, geopend. In de kelder van dit opzienbarende café dreef Hubertine X op zondagavond van tien tot vier uur in de nacht de zogenaamde Grot*, een bar voor lesbische vrouwen. Hubertine was de onbetwistbare Directrice van dit nachtheelal. Zij was bekend en berucht van demonstraties en oproer. Zo was zij het brein achter de veelbesproken en bekeken verstoring van de lezing van Van Agt in Nijmegen. ‘Gij zoudet het niet geloven maar er werden mij, excusez les mots, gebruikte maandverbanden toegeworpen,’ zou Van Agt later verklaren in het journaal dat uitvoerig aandacht aan het incident besteedde. Hetgeen de zaak goeddeed, maar de daders werden zo duidelijk in beeld gebracht dat een aantal van hen hun maandelijkse toelage van hun CDA-papa verloren zag gaan.

Hubertine combineerde haar journalistieke werk met onderzoek naar de handel en wandel van de kinderpornograaf Jopie van Oranje (dat het koninklijk huis hier niets aan doet!), een ghostwriterschap voor wetenschappelijke televisieprogramma’s en het wekelijkse barbeheer van de Grot, waar alles mogelijk was en niets verboden, behalve als het te keurig was. Bij haar thuis daarentegen stond altijd de thee op een lichtje, op het dressoir een schaal met taartjes van de beste bakker in de stad en links naast het zeegroene bankstel, op een bijzettafeltje, een Mariabeeld met daarnaast een rond zilveren dienblaadje met kristallen glaasjes waarin zij op hoogtijdagen, en die waren er vaak, exquise likeuren schonk. Op zondagen speelde zij op het harmonium in de gang. Er werd wel gefluisterd dat zij in haar slaapkamer een uitgebreide porno-bibliotheek had, maar die zou even goed voor haar research naar de praktijken van J. van O. kunnen dienen, als tot vermaak voor haar huurders. Haar flat was gelegen in een van de burgerlijkste wijken van de stad maar dat belette haar niet jonge dakloze nichten die zij op straat had gevonden jarenlang onderdak te bieden in haar kleine logeerkamertje. Of zij na al die jaren moe werd of te opgewonden van al het gehijg en gesteun uit haar nichtenalkoofje, dat weet niemand, maar op een dag stuurde zij de laatste nicht weg en bood het kamertje aan het Grijze Kind aan dat in een lekkend krot in de benedenstad woonde en daar romantische gedichten schreef die steevast bij elke thuiskomst waren verregend of door wilde katten aangevreten. Al gauw werd zij de minnares van de Directrice en tevens haar rechterhand en schandknaap achter de bar van de Grot.

De Grot

De Grot was een merkwaardig nachtlokaal met een duistere reputatie. Zij verhield zich tot het feminisme als een nachtclub tot de eengezinsdoorzonwoning. Het Vrouwencafé, bij voorbeeld, was feministisch en zeker in het begin ogenschijnlijk keurig heteroseksueel. Je moest als lesbienne oppassen niet de doelgroep huisvrouwen terug te jagen naar man en kinderen. Aan de andere kant waren er slechts besloten homobars die rood, warm, zinderend, zwoel en ook ruig waren, waar meisjes elkaar ongegeneerd mochten beloeren en aanraken en waar zij zich konden overgeven aan drankmisbruik onder de klanken van seksistische discomuziek. Ik bewoog mij zowel in de feministische cafés als in het broeierige homogetto. En ik was niet de enige. Terwijl wij onze verlangens en wensen verdeelden over de twee café-werelden, zat de ‘gewone’ heteroseksuele huisvrouw, de lieveling en favoriete klant van menig feministisch collectief, doorgaans fijn thuis bij de buis.

De Grot was het eerste café dat feminisme en lesbisch getto met elkaar verbond op een wijze die zowel radicaal als speels was. Door die ongebruikelijke combinatie bracht zij feminis­tische en niet-feministische lesbo’s als ook feministische heterovrouwen in verwarring, of zij streek hen tegen de haren in. Omdat dit café een van de weinige plekken was waar vrouwen ongestoord met elkaar konden dansen, zetten met name vele heterovrouwen hun politieke bezwaren tijdelijk opzij om op de klanken van de verboden muziek hun egodans uit te voeren. Tegen sluitingstijd uitten zij vervolgens hun verdrongen emoties door het kapot gooien van glazen, en door te zeuren om drank of nog een plaatje. De Directrice was streng en onverbiddelijk en veegde die meisjes met glas en al de kelder uit. Na zo’n incident nam zij altijd wraak, bij voorbeeld door de week daarop de klanten een solidariteitspetitie van homoseksuelen tegen het bezoek van de paus te laten tekenen. Of zij had de bar en tafeltjes opgesierd met dildo’s op fluwelen bedjes, of zij liet het butch-personeel cowboyholsters met pistolen dragen om de hetero-vrouwen uit hun tent te lokken of nog meer schrik aan te jagen. Alles was goed als het maar vooroordeelbevestigend was. De slechte naam en faam van de Grot breidde zich zelfs uit naar de hoofdstad en regelmatig kwamen er autoladingen uit het westen zich in de provincie vergapen, niet in het minst aan het knaapachtige meisje achter de bar. Ik was in die tijd een trouwe bezoekster en ontmoette het Grijze Kind weer, die mijn veelvuldige bestellingen beleefd maar immer zwijgend voor mij neerzette. Het contact harerzijds verliep hoofdzakelijk via gebaren en blikken die in uiterste gevallen werden uitgebreid met vragen en antwoorden via de Directrice. 

1979 Pottengrot bij Bobby

Na verloop van enkele maanden bevorderde de Directrice mij van gewone klant tot bijzondere klant, hetgeen betekende dat ik glazen mocht ophalen en na sluitingstijd de vloer aanvegen in ruil voor drank en nachtelijk nablijven met het personeel. Tot het gezelschap bijzondere klanten behoorde ook Cathy Camper, van oorsprong Engelse, die zich kleedde zoals voorheen haar landgenote M. Radclyffe Hall, een notoire lesbienne en auteur van het boek The Well of Loneliness, een boek dat in de geschiedenis van de censuur even beroemd is als in de lesbische subcultuur. In het shagrokende gezelschap van spijkerbroeken, tuinbroeken, legerbroeken en harembroeken was Cathy in haar dure Italiaanse mannenpak met hoed, haar Dupont-aansteker, haar Benson & Hedges-sigaretten, een opvallende verschijning. Zij had sociale psychologie gestudeerd en zich gespecialiseerd op het gebied van trainingen aan de medemens in seksuele nood, maar na het behalen van haar titel sloot zij zich aan bij ons vrouwencollectief om, zoals zij zelf zei, ‘het groepsproces te bewaken. ’ Zij deed dat door het organiseren van opwindende avonden en middagen zoals de beroemde moederdag ter bevordering van het moeder-dochter contact, die haar na afloop een geheel nieuw patiëntenbestand opleverde, of het uitnodigen van arbeidersmeisjes van de streekschool om de kloof tussen de sociale klassen te overbruggen. Deze meisje verlieten na de gezellige middag geheel gesterkt in hun vooroordelen (‘dat zijn geen vrouwen maar kerels’) het café.

De Erotische Avond

Het klapstuk en hoogtepunt in Cathy’s carrière was de Erotische Avond in de Grot. Toen het merendeel van de feministen alleen nog maar demonstreerde, theoretiseerde, actie voerde, bedrijven en tijdschriften oprichtte, de Melkweg in Amsterdam nog niet dacht aan een Festival van de Verleiding, een aantal vrouwelijke journalisten over de ruggen van diezelfde feministen een carrière bij linkse kranten en weekbladen opbouwde, repeteerde Cathy samen met het Grijze Kind wekenlang in haar kamer haar avondvullende erotische programma. Zij had om in de juiste stemming te komen haar kamer herschapen in een soort damesbordeel: langs de wanden en van het plafond hingen lange stroken rood crêpepapier, op de vloer en op haar bed lagen dikke bontvachten, overal stonden spiegels, er hing een zware geur van dure parfum en de kamer was, ook overdag, verlicht door fluorescerende en rode lampen.

Cathy had mij gevraagd de diverse onderdelen van de Erotische Avond aan te kondigen en omdat ik nu dichter dan ooit in de nabijheid van het Grijze Kind was, begon haar doventaal mij steeds meer op de zenuwen te werken. Ik wist niet hoe haar zwijgen moest worden doorbroken. Zij zou niet het initiatief nemen omdat zij haar belofte wilde houden en ik was te koppig om alsnog ongelijk te bekennen. Zeker nu wij samenwerkten, werd het spel onverdraaglijk en de omgeving kreeg steeds meer de functie van intermediair toebedeeld. 

Voor de Erotische Avond had heel potteus en feministisch Nijmegen, van getto tot universiteit, een deftige uitnodiging ontvangen. De Directrice serveerde in een oversized herencolbert met stropdas bij binnenkomst zoutjes in de vorm van borsten en andere vrouwelijke delen die bij elke bakker te krijgen zijn, maar die nu, in deze erotische context bij menigeen ineens diepe verontwaardiging (bah, seksistisch!) wekten. Hetzelfde lot viel ten deel aan de schalen waarin op artistieke wijze fel gekleurde zuurstokken en rode zuurballen waren geschikt. Een enkeling verliet de kelder al voordat het programma was begonnen. De beide artiesten lazen erotische gedichten en verhalen voor, zongen zwoele liederen in avondjurk, lagen naakt in bontjassen, hielden een kuise striptease, aten op wellustige wijze een fruitschaal leeg, streelden het publiek met boa’s en veren. Naarmate de avond vorderde en hun acts steeds vrijmoediger werden, verlieten meer vrouwen de zaal. Als eerste verliet na de pauze het overkoepelende orgaan van academische vrouwen (O-VARIA ) het café. De dames lardeerden hun pauzevertoog met voor het merendeel van het publiek onbegrijpelijke termen uit de boeken van de heren Lacan, Foucault en Derrida, overgoten deze met de cerebraal-erotische damessaus van Irigary, en besloten hun discours met het revolutionaire voorstel Wina Born** op te nemen in de feministisch-erotisch verantwoorde literatuur. Daama begon de groep Vrouwen tegen Sexueel Geweld en Pornografie – waarin het anti-virus zich ongemerkt had uitgebreid tot een anti-houding ten opzichte van alle vormen van seksualiteit door de voortdurende confrontatie met de perversiteiten van de heteroseksuele cultuur – zich te roeren. Midden onder de voorstelling liep de groep, met medeneming van het belastende materiaal, de zoutjes en het kermissnoepgoed, en onder het uitroepen van hun collectieve kreet: ‘Nou, dat vind ik wel moeilijk hoor’ (hun eufemisme voor een diepe afkeer en veroordeling van het gebodene), luid stampend de trap op naar boven.

Zelfs de vrouwenbreibrigade die haar agressie altijd in toom hield door waar dan ook, in vergaderingen, demonstraties, etcetera, te breien, liet rechts achter in de zaal een driftiger getik van haar naalden horen.

De Directrice klapte opgetogen in haar handen. De avond was nu echt geslaagd en het handjevol dat overbleef mocht het historische moment beleven dat een van de aanwezigen, geheel overstuur van drank en emoties, zich uitkleedde en zich tot diep in de nacht liet beschilderen waarna zij naakt en onder luid gezang in triomf naar huis werd gedragen.

Ik bleef, zoals gewoonlijk, achter om samen met anderen de kelder in oorspronkelijke staat te herstellen en de avond nog eens haarfijn door te spreken. Door de drank, de verhitte avond, de ruzies, het liederlijke plezier hadden wij onze normale controle verloren en het Grijze Kind en ik waren elkaar, van ondraaglijke spanning, bijna in de haren gevlogen als de Directrice niet had ingegrepen. Zij schonk vier glaasjes jenever in, sommeerde ons naar een hoekje, gaf ons elk een glaasje, zei: ‘Opdrinken en vlug een beetje’, gaf ons het andere glaasje en zei op nog beslistere toon: ‘En nou praten, verdomme.’ Van schrik begonnen wij tegelijk te praten. We praatten tot het ochtendgloren, praatten op weg naar de Directrice haar flat en bezegelden deze nieuwe ontwikkeling met de harmoniumklanken van de Directrice en een urenlang driestemmig gezang van een complete liederenbundel de H. Maagd toegewijd.

Na deze gedenkwaardige avond – jaren later zullen wij velen van de toen verontwaardigde vrouwen flirtations zien aangaan met de SM-scene – trok Cathy zich uit het openbare lesbische leven terug. Zij liet haar hoofd kaalscheren, haalde haar jurken uit de kast en vertrok uit heimwee naar een van de Waddeneilanden waar zij als serveerster ging werken. Na enige tijd ‘trouwde’ zij daar met een heteroseksuele vrouw, moeder van vier kinderen, die zij aanvankelijk therapeutische hulp had geboden. Jaren later keerde zij, weer alleen, terug naar Nij­megen. Via het Arbeidsbureau probeerde zij, zoals vele andere afgestudeerden, een baan als schaapherder te krijgen maar belandde uiteindelijk met een oude geliefde in een eengezinsdoorzonflat waar zij zich begon voor te bereiden op een come­ back als directeur in het bedrijfsleven via een onafzienbare reeks cursussen en trainingen in management en marketing. Those were the days, Eduard. Zoals voor Cathy Camper de Erotische Avond een hoogtepunt en eindpunt was van haar opzienbarende optreden in de feministische cultuur, zo was deze avond voor het Grijze Kind en mij het begin van een vriendschap die nu al jaren duurt. Nu weet je wat ik deed

in dat saaie, en volgens onze ouders nette, Nijmegen terwijl jij in het opwindende Amsterdam, volgens onze ouders het Sodom en Gomorrah van Nederland, op je zolderkamer Scho­penhauer en Nietzsche bestudeerde en Céline herlas.

* Dit fragment is gebaseerd op ervaringen in De Pottengrot, de lesbische zondagavonden in de kelder van café De Plak te Nijmegen. De Pottengrot werd in 1979 geïnitieerd door Ineke Zijlmans (Huntin’ Hubertine) en Jonne Linschoten (Bobby). Later werd ik ook een van de bardames/jongens (Daniel).

** Wina Born (1920-2001), de moeder van de Nederlandse gastronomie.

De Notre Dame en de Misérables

Het is dinsdag 16 april. Gisteren om 19.00 kwamen de berichten binnen over de brand van de Notre Dame in Parijs. Ik sta op het Gare du Nord en loop naar buiten richting de bus. Op straat het gewone drukke gedoe van auto’s en bussen die af en aan rijden, wat duistere types die voor de ingang van het station hangen, en zwervers met tandeloze monden die om geld vragen. In een zijstraat ligt in een portiek onderuit gezakt een man in zijn eigen pis met rondom zich heen een kartonnen beker, plastic afval en lege papieren zakken. Ik voel me beroerd omdat ik er zo langs loop.

Even later kijk ik op de computer naar beelden van gisteren. In de straten en op de kades rond de Notre Dame wordt gehuild, gebeden, verbijsterend, gefascineerd gekeken, er wordt woede geuit. De hele stad is uitgelopen en ook alle hoogwaardigheidsbekleders (o.a. Macron en Hidalgo, de burgemeester van Parijs)  bevinden zich op straat om de Notre Dame die in brand staat met eigen ogen te zien. Met eigen ogen te zien of zij blijft staan, zeker nadat de spitse toren is ingestort, of nog zal staan nadat de brandweerlieden het vuur hebben bedwongen. Een groot deel van de kathedraal heeft het overleefd, o.a. de twee karakteristieke klokkentorens. 

De Notre Dame is het symbool en het hart van Parijs, de 800-jarige Oude Dame, symbool van het onverwoestbare christendom, zij behoort tot het werelderfgoed en miljoenen touristen bezoeken haar. Schrijvers en kunstenaars brachten haar in beeld en geschrift onder onze aandacht en zij is deel van de Europese geschiedenis. 

Maar zij is meer. Zij is ook gevoel, emotie. In Le Parisien van vandaag (17 april) komt een deskundige op het gebied van emoties aan het woord: ‘Dit wordt ervaren als een intiem drama, het is niet zomaar een gebouw dat in brand staat. De Notre Dame wordt als onverwoestbaar ervaren. Als de Notre Dame zou verdwijnen, dan kan alles verdwijnen. Deze brand confronteert ons met onze kwetsbaarheid.’ 

Maar dat willen we niet, is blijkbaar onverteerbaar, dus komt er binnen 24 uur een bedrag van 750 miljoen op tafel om de Notre Dame te redden. Liever gezegd er komt 750 miljoen op tafel om onze eigen kwetsbaarheid toe te dekken. Het is prachtig om te zien hoe eensgezind mensen in actie kunnen komen en hoe deze brand ons met elkaar verbindt. Wij zijn op ons opperbest in, maar vooral na rampen. Maar de schaduw volgt ons of zoals de Franse Olivier Pourriol twitterde: (vertaling) Victor Hugo bedankt alle vrijgevige donateurs die bereid zijn de Notre-Dame de Paris (Franse titel van Hugo’s boek) te redden, en stelt hen voor hetzelfde te doen voor Les Misérables (ander boek van Hugo). 8,8 miljoen armen in Frankrijk. Zie ook de tijdlijn op FaceBook van Virginie Sanders voor commentaar op deze giften (het grootste deel van miljardairs) en verwijzing naar Le Monde. Ik denk aan die honderden mensen in de portieken en in kartonnen behuizingen langs de ring van de stad.

Zelf ben ik helemaal niet dol op kathedralen maar toch ben ik er binnen geweest en ben ik onder de indruk van die enorme kolos en vooral van de invloed op gelovigen die zich uit in de talloze kaarsen die worden aangestoken bij de diverse heiligen. Zelf doe ik dat ook in naam van mijn moeder bij de Heilige Antonius van Padua, de heilige van de gevonden voorwerpen (H. Antonius, beste vrind, zorg dat ik mijn sleutels vind) voor wie mijn moeder een hartstochtelijke liefde koesterde. Vaak loop ik over het plein aan de voorkant om op de linkeroever naar de historische boekhandel Shakespeare & Company te gaan. Als ik dan in gezelschap ben, sta ik stil bij het westelijk voorportaal en wijs op het beeld van Synagoga en daarnaast het beeld van Ecclesia. De twee vrouwenfiguren symboliseren het jodendom en de kerk. Synagoga’s ogen zijn geblinddoekt door een slang, haar staf is gebroken en haar kroon ligt op de grond. Ecclesia is majestueus met een kroon op haar hoofd, staf en een kelk in haar hand. De kerk als triomfator over het vertrapte en door de kerk vernederde en vervolgde jodendom.  

Ecclesia_et_synagoga_RTL-640x400

De tijd van de jodenvervolgingen zijn voorbij en de Notre Dame mag wat mij betreft eeuwig blijven bestaan mede als getuige van een geschiedenis die haar enorme schaduwzijden heeft. Maar ik vrees dat de meeste mensen die de kathedraal bewonderen daar geen boodschap aan hebben. Die zijn liever blind dan ziende. Dat geldt ook voor de grote gulle gevers die hun naam op een plaquette zullen zien staan in de gerestaureerde Notre Dame, en die zich ongetwijfeld per taxi of privé-chauffeur door hun mooie stad laten vervoeren terwijl ondertussen de Misérables in hun eigen pis in de portieken liggen. 

Als we ons door deze brand realiseren dat niets eeuwig bestaat, dat we altijd kwetsbaar zijn, dat we onze blinddoeken moeten afgooien, dat schoonheid tijdelijk is, en we ook als er geen ramp is we iets kunnen doen aan de wereld om die voor zoveel mogelijk mensen een betere plek te maken, dan heeft de brand werkelijk zin gehad. 

  

Nashville Verklaring: een gevaarlijk manifest

Nashville was voor mij altijd de stad en de plek die ik associeerde met de super heteroster Dolly Parton met haar onvergetelijke muziek, hoog kapsel en royale boezem en de potteuze K.D. Lang die de country-muziekwereld op stelten zette door met kortgeknipt haar en stevige laarzen onder haar countrystyle-rok over het podium van de Grand Ol Opry te banjeren. 

nashville statement

Maar nu is er een nieuwe, minder fijne associatie bijgekomen: The Nashville Statement. Het een verklaring die in 2017 in Nashville is opgesteld door evangelische christenen en die in Nederland recent is vertaald en is ondertekend door 250 personen (meest dominees) en ook door Kees van der Staay, lijsttrekker van de SGP en lid van de Tweede Kamer. 

De commotie die deze week over deze verklaring is losgebarsten wordt door bijbelgetrouwe christenen naar alle waarschijnlijkheid gezien als bewijs voor alles wat zij beweren in hun verklaring. Er wordt gesproken over de ‘homolobby’ (hier gaat al een belletje rinkelen) die ons allen in het verderf zou storten. In onze wereld van vrije meningsuiting mag ieder zeggen wat zij of hij wil, dus waarom zouden de bijbelgetrouwe christenen dat niet mogen? Dat mag maar dan moeten de opstellers van die verklaring niet verbaasd zijn als ze van alle kanten op hun falie krijgen. Zij krijgen niet alleen op hun falie van vele medechristenen maar ook van andersoortige gelovigen en seculieren (zij die geloven dat zij niet geloven). Vanuit een menselijk oogpunt is de verklaring een voorbeeld van uitsluiting en het veroordelen van een deel van de mensheid. Binnen de eigen christelijke gelederen waar door de jaren heen langzamerhand begrip en discussie is ontstaan over homoseksualiteit, transgender, feminisme en gender, wordt nu de klok teruggedraaid met alle rampzalige gevolgen van dien. De groep die de verklaring omarmt mag dan marginaal zijn zoals Margriet van der Linden opmerkt in een interview, zij merkt daarbij meteen op, en zij spreekt uit ervaring, dat de impact van deze verklaring op het leven van een mens, zeker van een kind in die kringen, enorm is en in de meeste gevallen verwoestend. 

Terug naar de tekst van de verklaring. In het voorwoord wordt geconstateerd dat we in een historische overgangssituatie zitten. De westerse cultuur is postchristelijk geworden en is bezig om op ingrijpende wijze een nieuwe invulling te geven aan wat het betekent mens te zijn. Ja, dat is een rake constatering maar dan komt het: ‘Over het geheel genomen ziet de geest van onze eeuw niet langer de schoonheid van Gods bedoeling met het mensenleven en verblijdt zij zich daar ook niet meer in.’ Het is nu juist opmerkelijk dat de geest van onze eeuw juist meer schoonheden is gaan zien dan voorheen. Persoonlijk ben ik als feministe en lesbo meer vreugde en schoonheid gaan zien in het leven en verblijd ik me dat ik geboren ben in deze opwindende historische overgangstijd. ‘Menigeen ontkent dat God mensen heeft geschapen tot Zijn eer en dat Zijn goede  doeleinden voor ons ook betrekking hebben op ons persoonlijke en lichamelijke ontwerp als mannelijke en vrouwelijk.’ Het menselijk zelfverstaan als mannelijk en vrouwelijk zou geen deel meer vormen van Gods mooie plan, maar is een uiting van iemands eigen autonome voorkeur. Met dat laatste lijkt me niets mis, maar dan komt het: ‘Op deze wijze wordt de weg tot volle en blijvende vreugde middels Gods goede ontwerp voor zijn schepselen vervangen door het pad van kortzichtige alternatieven die vroeg of laat het menselijke leven ruïneren en God onteren.’

father i am a lesbian

Laten we het concreet houden: ik zou dus met mijn levenswijze (en daar hoort ook mijn feminisme bij) Gods ontwerp bezoedelen en bovendien het menselijk leven ruïneren. Dat is een uiterst kwalijke beschuldiging die zich bovendien beroept op een God die de mijne niet is. Mijn God heeft de mens geschapen in al zijn variaties en kleuren, een mens altijd in beweging. De bekrompenheid om je te beroepen op een bijbels Godsbeeld dat al lang uitbreiding heeft gekregen van andere Godsbeelden is in mijn ogen gedateerd. Het even verderop in de verklaring nog eens benadrukken dat in deze verklaring getuigenis wordt gegeven voor het ware verhaal, is van een ongehoorde arrogantie. Kortom alle verhalen van andere geloofstradities of andere interpretaties van christelijke verhalen zijn niet-waar. 

Na het voorwoord volgende de verschillende Artikelen die voorspelbaar voortvloeien uit het voorwoord: o.a. het huwelijk als alleen een levenslange verbondsrelatie tussen éen man en éen vrouw, geen seks buiten het huwelijk, man en vrouw zijn verschillend maar als personen gelijkwaardig, seksuele gelijkgeslachtelijke aantrekkingskracht is geen onderdeel van Gods oorspronkelijke schepping, homoseksuelen kunnen een vruchtbaar leven leiden mits rein (dus afzien van seksualiteit), het is zondig om homoseksuele onreinheid of transgenderisme goed te keuren, de genade van God in Christus geeft zowel vergeving en kracht om zondige verlangens te doden. 

Het lijkt of de historische overgangssituatie met al zijn nieuwe bevindingen op religieus (o.a. nieuwe interpretaties van Bijbelpassages), natuurwetenschappelijk en sociaal wetenschappelijk gebied (o.a. over het verschil tussen sekse en gender) geheel zijn voorbijgegaan aan de evangelische christenen in de USA en hun christelijke sympathisanten in de diverse landen. Dat zouden we makkelijk kunnen afdoen door hen af te schilderen als een stel malloten, maar dat is te makkelijk. Als er ook maar éen christelijke LGBTQ-persoon hierdoor in de moeilijkheden komt en haar of zijn leven wordt geruïneerd, is dat de grootste zonde die een mens kan begaan. Daarom alleen al zou je de verklaring moeten afwijzen. Juist omdat zo’n verklaring/statement/declaration in steen gebeitelde uitspraken bevat.

Kees van der Staay beweert dat de Verklaring geen anti-homo manifest is. In het nawoord van de Verklaring lezen we: ‘Zij die bij zichzelf een homoseksuele gerichtheid herkennen of worstelen met hun geslachtelijkheid, mogen weten in de christelijke gemeente een volwaardige plaats te hebben.’  De zonde (zijn wij niet allen zondaars?) kan door zelfverloochening (onthouding) en Gods genade worden overwonnen. Onze identiteit ligt niet in onze seksualiteit maar in onze verhouding tot Christus. Kees van der Staay en alle anderen die achter de Nashville verklaring staan laveren handig tussen schijnmededogen (een volwaardige plaats), zalvend erbarmen (alsof homo’s een enge ziekte hebben) en de ontering van God door zonde en verderf. Maar als je verder in de wereld rondkijkt dan zie je dat deze verklaring wel degelijk tot anti-homo beleid en discriminerende praktijken en geweld kunnen leiden. In 2013 publiceerde Amnesty International een rapport over de verontrustende opmars van homofobie in 37 van de 54 Afrikaanse landen. Dat komt mede door de groeiende invloed van evangelische christenen en de pinksterbewegingen. Jaarlijks gaan er duizenden gesponsorde Amerikaanse zendelingen naar Afrika om het anti-homo-woord van God te verkondigen en het woord ‘homolobby’ (vanuit het Westen komend) te gebruiken om daarmee ook in te spelen op anti-koloniale tendensen. De anti-homo activiteiten zijn dus al fors gaande en de Verklaring uit 2017 zal alleen maar meer olie op het vuur gooien. 

loesje homo

Ja, iedereen mag zeggen wat hij wil, maar het is naïef te denken dat alles wat je zegt en zeker als je dat in een gezaghebbend stuk schrijft geen desastreuze gevolgen kan hebben zoals in het geval van de Nashville Verklaring. Met deze Verklaring zullen ook andere fundamentalisten die anti-homo, anti-trans en anti-feministisch zijn, op de loop gaan. Het definiëren van je eigen identiteit (in dit geval de christelijke) door het discrimineren van anderen en dit ondersteunen met de bijbel of het evangelie is een krachtig middel. De christenen hebben in dit opzicht een kwalijke historie m.b.t. joden, zwarten en afvalligen (ketters) en die dreigt zich te herhalen maar nu met andere groeperingen. Het is daarom ook zo verbijsterend om de opmerkingen te lezen van de iniatiefnemer van de vertaalde Nashville Verklaring, Piet de Vries (o.a. werkzaam aan de VU te Amsterdam): ‘We moeten een geluid laten horen. Toen de nazi-ideologie zich opdrong, zwegen de kerken. Nu dringt de genderideologie zich op en zwijgen de kerken weer te vaak.’ 

Wel wel, hoe dapper en moedig kun je zijn na de oorlog en wat een foute vergelijking! Mijn God gruwt van het zwijgen tijdens de nazi-jaren, maar zal zeker ook gruwen van wat mijn medemensen wordt aangedaan in naam van de Nashville Verklaring.

Feministische archeologie: Maurycy Gottlieb en de Grote Verdwijntruc

Het leven van voorlopers gaat niet altijd over rozen. Zo bracht Rachel Carson al in de jaren zestig het onverantwoorde gebruik van pesticiden in haar boek Silent Spring onder de aandacht. Het boek kreeg veel lezers maar het duurde nog lang voordat haar gelijk doordrong tot in de vezels van de samenleving. We zijn meer dan vijftig jaar  verder en ondertussen is de schade niet te overzien en wordt er krachtig actie gevoerd om het tij van vernietiging, snel gewin en de macht van de farmaceutische gifboeren te keren. Zo gaat het altijd. Er bestaan geen uit het niets komende revoluties, alles wordt al lang ervoor voorbereid zoals ook de status quo ooit is begonnen als revolutie. Pesticiden die grotere oogsten beloofden en dat waarmaakten maar zonder dat wij de echte prijs wilden/willen betalen en waarover de Cassandra’s de mond werd gesnoerd .  

Terecht klaagt Karin Spaink in haar column van 10 oktober over de stelling dat #metoo een recente openbaring zou zijn. Veertig jaar geleden was Spaink betrokken bij het mee ontwikkelen van beleid tegen seksueel geweld. De PSP vroeg de regering toendertijd  een samenhangend beleid te ontwikkelen, en dat tot prioriteit te verheffen. Die motie werd met grote meerderheid aangenomen. Nee, niet alleen veertig jaar geleden, je kunt rustig zeggen meer dan bijna vijftig jaar geleden was seksueel geweld al een van de speerpunten in de Tweede Golf. Vrouwen spraken onder elkaar over wat zij hadden ervaren, er werden belangrijke onderzoeken gedaan, er werd gestudeerd en geanalyseerd en er werden artikelen geschreven over dit verzwegen gigantische probleem. 

We waren voorlopers en nu is dan eindelijk de bom gebarsten en is er een wereldwijde gifbelt opgegraven. Zo gaat het altijd en daar kun je zoals Spaink moe van worden (ik zelf heb er ook wel eens last van), maar het is ook verheugend dat wij nog meemaken dat er zo’n enorme golf van bewustzijn over dit onderwerp gaande is en dat ook meer mannen dan voorheen zich op een goede manier in de strijd werpen.  

Vrouwen een rol toekennen of in het gunstigste geval drie: moeder, maagd of hoer, lijkt in onze samenleving niet meer van toepassing, maar wie wat nauwkeuriger kijkt en zeker elders in de wereld, ziet dit drietal nog overal, ook al werkt een vrouw. De hardnekkige beelden zijn in ons collectief geheugen opgeslagen en door middel van cultuur, politiek en religie worden die beelden meestal in stand gehouden. Die beelden zijn soms mooi, inspirerend maar nog vaker normerend. Zij geven weer hoe wij (vrouwen en mannen) naar vrouwen kijken en behoren te kijken. Door de eeuwen heen is die blik vrijwel exclusief een mannelijke geweest. Daarom zit alles zo diep, zowel bij vrouwen als mannen, en is er een gestage revolutie van voorlopers en feministische archeologen nodig om uiteindelijk iets te veranderen. 

Een mooi voorbeeld van hoe stuitend en ingewikkeld het blootleggen van de mannelijke blik kan zijn, vond ik in een artikel uit 2006 van Pnina Lahav, ‘A Chandelier for Women. A tale about the Diaspora Museum and Maurycy Gottlieb’s ‘Day of Atonement’ – Jews praying on Yom Kippoer’ dat ik van een vriendin kreeg. 

Maurycy_Gottlieb_-_Jews_Praying_in_the_Synagogue_on_Yom_Kippur

Ah, ik zie het al, zal de oplettende beschouwer opmerken, vrouwen op het balkon in de synagoge. Maar dat laten we even rusten want er is meer te vertellen. 

Dit schilderij is heel bekend in de Joodse wereld. Het geeft een blik in de Joodse wereld in Polen in de late negentiende eeuw. Mannen, vrouwen en kinderen in de synagoge op Grote Verzoendag. Zo modern zag die joodse wereld van de 19e eeuw er toen ook uit en vrouwen nemen op dit schilderij een prominente plaats in zoals zij dat  deden in die gemeenschappen. We weten zelfs enkele namen van de vrouwen die model stonden. O.a. de toenmalige verloofde van Gottlieb (Laura Rosenfeld) en haar moeder (rechtsboven). Ook al zitten de vrouwen op het balkon, zij maken substantieel deel uit van het schilderij. Zij zien er voor die tijd modern uit en hebben het gebedenboek in de hand. 

Wat Gottlieb niet kon bevroeden is hoe zijn schilderij onderwerp zou worden van een heftige controverse tussen het Diaspora Museum van Tel-Aviv en een aantal feministen onder wie Dafna Izraeli, professor in de sociologie aan de Bar-Ilan Universiteit. Izraeli is gestorven maar Pnina Lahav heeft het hele verhaal in een uitgebreid artikel beschreven.* 

We spreken over de jaren tachtig en negentig en in de Israëlische maatschappij is de gelijkheid van vrouwen ook een onderwerp waarover wordt gesproken. Het Diaspora Museum stelde in die tijd een collectie samen rond zes thema’s en Izraeli constateerde dat het Museum in zijn presentaties de rol van vrouwen in de cultuur en geschiedenis marginaliseerde. Het meest bijzondere was de creatie van een bijzondere audio-visuele ervaring in een donkere ruimte die uiting moest geven aan het gevoel van de ‘Days of Awe’, de Hoge Feestdagen, waaronder Yom Kippoer. Op een van de muren was een reproductie te zien, een grisaille (schildering in grauwtinten), van Gottlieb’s beroemde schilderij. Tot verbijstering van Izraeli waren de vrouwen op het balkon verdwenen en in plaats daarvan hing er een kroonluchter. Het artikel van Pnina Lahav over de strijd die er vervolgens werd gevoerd en de argumenten die ter verdediging werden aangedragen door de verantwoordelijke personen en het museum zijn even verbijsterend als de verdwijning van de vrouwen zelf. 

Een kleine greep uit de argumenten: 

‘We hadden nog geen kennis en bewustzijn van feministische ontwikkelingen.’  Dat lijkt me sterk en alsof dat je vrij pleit van zomaar een kunstwerk verminken. 

‘We hebben een nieuw kunstwerk gemaakt met de grisaille.’ Alsof je zomaar een kunstwerk mag veranderen. 

‘We wilden de personen op de voorgrond vanwege hun kavana (vroomheid en de heiligheid van het gebed) beter laten uitkomen.’ Dus daarvoor mag je een kunstwerk verminken en de vrouwen die ongetwijfeld ook kavana bezitten verwijderen. 

‘Het schilderij was niet representatief genoeg.’ Lees: voor een nostalgische shtetl visie. Gottlieb zou niet de realiteit hebben geschilderd. Dus passen wij het aan aan onze realiteit. Daarom mag je een modern schilderij gebruiken en de ongewenste elementen verwijderen. Dat heet citeren in het artistieke jargon. 

O ja, en nog wat: ‘die vrouwen zitten waarschijnlijk te roddelen. Er kijkt er maar een in het gebedenboek.’ Zij zijn bezig met onspirituele zaken terwijl de mannen met het hogere bezig zijn. Het is dus niet meer dan normaal dat die lage wezens worden  verwijderd.

Diverse belangrijke feministen worden ingeschakeld om hun visie te geven, maar in 1993 hangt het vermaledijde werk er nog steeds. Er worden zelfs vragen in het parlement gesteld en de conclusie was dat het museum een sectie van de tentoonstelling, waar de grisaille te zien was, sloot en uiteindelijk werd de grisaille verwijderd. Natuurlijk had het museum in een groots gebaar het origineel kunnen ophangen (eventueel naast de grisaille) maar dat zou niet stroken met hun visie en er was waarschijnlijk ook onwil om te buigen voor de ijzersterke argumenten van de feministen. 

De verontwaardiging bij het grote publiek betrof vooral de verminking van een kunstwerk en minder de verwijdering en marginalisering van de vrouwen. Maar dat was wel de essentie voor de feministen die dit onderzoek verrichten, en zij kunnen alleen maar geprezen worden in hun volharden om de waarheid boven tafel te krijgen en alle schijnargumenten (zowel van betrokken mannen en vrouwen van het Museum) in een grondige analyse te weerleggen. De kroonluchter die hoort te verlichten, heeft in dit geval vooral veel verduisterd.

De gerechtvaardigde conclusie kan alleen maar zijn dat het weglaten van de vrouwen in het schilderij van Gottlieb een aggressieve en gewelddadige handeling was en bovenal een uiting van verzet tegen verandering en modernisering. 

Op de vrouwengalerij van het schilderij speelt zich nog een ander verhaal af. Want wie zijn die 19e eeuwse vrouwen? In ieder geval zit er mevrouw Gottlieb, Maurycy’s moeder en Laura Rosenfeld en haar moeder.

Laura Rosenfeld heeft uiteindelijk haar verloving met Gottlieb verbroken en zijn hart gebroken. Hij stierf op 23 jarige leeftijd. Laura trouwde met de rijke bankier Henschel. Na zijn dood (zij was dertig jaar met hem getrouwd en had vier dochters) heeft zij een geheel eigen carrière opgebouwd. Zij ging in de zorg voor armen en had contact met de feministen van haar tijd en hield zich bezig met de opvoeding van jonge meisjes. Weliswaar om hen krachtig, bewust en dienstbaar te maken voor het gezinsleven, maar in ieder geval niet om hen tot huissloof en huisslavin op te voeden. Zij werd bekend onder de naam Mutter Henschel. Zij is de overgrootmoeder van moederszijde van Christine Cornelius (haar achterkleinkind), die mij het artikel over Gottlieb’s schilderij gaf. Haar ouders boden Andreas Burnier in Eindhoven haar eerste onderduikadres. Een cultureel en intellectueel geïnteresseerd gezin (de vader, Peter Cornelius zat in het verzet) waarin zij zich als een vis in het water voelde en waarin zij helaas maar kort kon verkeren. In 1951 zal de echtgenoot van Andreas Burnier, Emanuel Zeylmans van Emmichoven, lid van Castrum en uitgever van het tijdschrift Castrum Peregrini* een nummer wijden aan Mutter Henschel. Hoe wonderlijk zijn de wegen van de geschiedenis!

Het opgraven van verborgen schoonheid en ellende en alles in het licht brengen is een taak die zich eindeloos zal herhalen en die we onvermoeibaar moeten voortzetten omdat het scheppen van een nieuwe cultuur niet kan zonder feministische archeologie. Je kunt niet voortbouwen zonder fundament. Een fundament dat is gelegd door diverse vrouwenbewegingen maar ook door veel individuele vrouwen als Rachel Carson, elke vrouw die haar mond opent voor #metoo, Els Kloek met haar twee monumentale werken 1001 vrouwen en de individuele 2002 vrouwen die zij heeft opgegraven uit de Nederlandse geschiedenis*, Karin Spaink die samen met anderen in de PSP beleid heeft ontwikkeld tegen seksueel geweld. Pnina Lahav en Dafna Izraeli die zo veel tijd en energie hebben gestoken in het analyseren van wat ook afgedaan had kunnen worden als een onbeduidend incident, of in het geheel niet zou zijn opgemerkt in een andere tijd. Maar ook werk verricht door minder voor de hand liggende vrouwen als Mutter Henschel, die de vrouwen in haar familie en daarbuiten, weliswaar in de geest van de tijd, krachtig en zelfbewust heeft gemaakt, en zo iemand als Maurycy Gottlieb die de wereld heeft weergegeven zoals hij die heeft gezien, een voorbode van moderniteit. 

Vele stappen, het gestaag doorploegen maakt de grond rijp voor nieuwe ontwikkelingen en voor een rechtvaardigere wereld. Onze argumenten en analyses kunnen het denken beïnvloeden maar de meeste mensen worden gedreven door emoties en daar kan de rede vaak niet tegenop. We zullen ook de harten moeten winnen en daar is veel tijd en uithoudingsvermogen voor nodig. 

  • De historische mannenclub van Castrum Peregrini en hun leermeeester Wolfgang Frommel worden, na vele getuigenissen die er niet om liegen, in een kwalijk daglicht gesteld wegens seksueel misbruik door met name Frommel onder het mom van ‘pedagogische eros’. Destijds was Castrum een gerespecteerd cultureel gezelschap met een eigen tijdschrift waarvan Emanuel Zeylmans van Emmichoven de uitgever was.
  • Pnina Lahav, ‘A Chandelier for Women. A Tale About the Diaspora Museum and Maurycy Gottlieb’s ‘Day of Atonement’ – Jews Praying on Yom Kippur.’ Project Muse. Israel Studies 11,1 (2006) 108-142.
  • Recent verscheen het tweede deel en naar aanleiding van deze publicatie is er een tentoonstelling in het Amsterdam Museum die vorige week werd geopend door Koning Willem Alexander. Dat onderstreept het belang van deze uitgave.

Aretha Franklin (1942-2018) en James Baldwin (1924-1987)

 

Amazing grace

Vandaag (16 augustus) hoorde ik het bericht dat Aretha Franklin is overleden. Haar stem kennen we van gospels, inauguraties van Amerikaanse presidenten en haar stem hoorden we bij de begrafenis van Martin Luther King. Aretha Franklin zong Amazing Grace, Respect, Think and Natural Woman met een goddelijke stem maar waarin ook het politieke doorklonk. Wie vergeet dat haar stem ook een uiting was van de pijn die de zwarten, voormalige tot slaaf gemaakten al eeuwen ervaren, vergeet een belangrijk deel van de geschiedenis, die ook de onze is. 

Op zondag 5 augustus 2018 luisterde ik naar het VPRO programma OVT op NPO1 waar in het boek van James Baldwin, The Fire Next Time (Vertaling: Niet door water maar door vuur) werd besproken door Xandra Schutte, Stephan Sanders en Henriëtte Duurvoort. De twee essays in het boek dateren uit de jaren zestig en zijn opgenomen in de serie ’18 klassiekers om het heden te begrijpen’, een reeks uitgekozen door De Groene.

In 1863 wordt de slavenij officieel afgeschaft in de Verenigde Staten en meer dan honderd jaar later is er nog steeds een grimmige strijd gaande en is het goed dat Baldwin en zijn scherpzinnige werk opnieuw in de aandacht komen. Als we denken dat het hier in Nederland nogal meevalt in vergelijking met de VS heeft men deels gelijk, maar wie de discussies over Alledaags racisme (Philomena Essed), White Innocence (Gloria Wekker), het Slavernij Monument en Slavernij Museum, en zwarte piet heeft gevolgd, weet wel beter. Officieel werd ook in Nederland de slavernij in 1863 afgeschaft, maar die slavernij onttrekt zich nog steeds aan ons oog. Net zoals ons koloniale verleden in de Oost en de West een voetnoot in de geschiedenis dreigt te worden als we er geen aandacht aan besteden in het onderwijs.

Fire Next Time cover

Het boek van Baldwin heet The Fire Next Time en slaat op een passage uit Tenach/Het Eerste Testament (denigrerend wel het Oude Testament genoemd) en het Nieuwe Testament. In Genesis (het eerste boek van Tenach) hebben Noach en zijn Ark de grote watervloed overleefd en God sluit een nieuw verbond met alle overlevenden, mensen en dieren (elk levend wezen) en het teken van dit verbond is de regenboog die tussen de wolken verschijnt. God belooft dat er nooit meer een watervloed zal komen om de mensheid te vernietigen. Maar in het Nieuwe Testament wordt daarop verder geborduurd en lezen we in de Tweede brief van Petrus: weliswaar beloofde God niet meer de mensheid te straffen met een watervloed, maar hij beloofde niets over een eventueel vuur dat de totale vernietiging zou kunnen brengen. Vervolgens profeteert Petrus dat op de Dag des Oordeels de goddelozen ten onder zullen gaan aan een alles verzengend vuur. 

In de wat voorheen een spiritual slave song werd genoemd maar nu African-American gospel ‘Mary Don’t You Weep’* komen de twee bronnen samen: ‘God gave Noah the rainbow sign,/No more water, the fire next time.’  

Na de uitzending van OVT luisterde ik via youtube (zie mijn FB pagina) naar het lied vertolkt door Aretha Franklin. Het is de vraag of de witte Amerikanen de boodschap die verborgen ligt in dit lied hebben begrepen. Baldwin (zoon van een predikant) waarschuwt met zijn titel The Fire Next Time wat er zou kunnen gebeuren als aan de raciale strijd (hij schreef zijn boek in de jaren zestig) geen einde zou komen. 

De jazz, de blues, de gospels, wij genieten van die vitale muziek maar dreigen de pijn van de geschiedenis te vergeten waaruit deze muziek is voortgekomen.

De gevolgen zijn nog steeds zichtbaar en inzicht in de verhalen, de ideeën, die de bron zijn van het discrimineren van mensen, en het luisteren naar de persoonlijke verhalen, kan onze onwetendheid opheffen en ons hoop geven voor nieuwe verhalen. 

Lees de essays van Baldwin en luister naar het lied ‘Mary Don’t You Weep’ van Aretha Franklin. 

And weep because the Queen of Soul has departed, may her legacy remain.


 

*Tekst van het lied:

Oh Mary, don’t you weep

Oh Mary, don’t you weep, don’t you mourn

Oh Mary, don’t you weep, don’t you mourn

Pharoah’s army got drowned

Oh Mary don’t you weep

 

If I could I surely would

Stand on the rock where Moses stood

Pharoah’s army got drowned

Oh Mary don’t you weep

 

Mary wore three links of chain

Every link was Jesus’ name

Pharoah’s army got drowned

Oh Mary don’t you weep

 

One of these nights about 12 o’ clock

This old worlds going to reel and rock

Pharoah’s army got drowned

Oh Mary don’t you weep

 

God told Moses what to do

To lead the Hebrew children through

Pharoah’s army got drowned

Oh Mary don’t you weep

 

Moses stood on the red sea shore

Smotin’ the water with a two by four

Pharoah’s army got drowned

Oh Mary don’t you weep

 

God gave Moses the rainbow sign

No more water, but fire next time

Pharoah’s army got drowned

Oh Mary don’t you weep

 

Mary wore three links of chain

Every link was freedoms name

Pharoah’s army got drowned

Oh Mary don’t you weep

 

The very moment I thought I was lost

The dungeon shook and the chains fell off

Pharoah’s army got drowned

Oh Mary don’t you weep

 

I may be right and I may be wrong

I know you’re gonna miss me when I am gone

Pharoah’s army got drowned

Oh Mary don’t you weep

 

Berthe Morisot (1841 – 1895) schilder van licht

In het najaar van 2017 breng ik een bezoek aan Musée Marmottan Monet in Parijs. Een niet al te groot sfeervol museum met veel werken van Monet. Maar wat velen niet weten, is dat daar ook een grote collectie schilderijen en tekeningen hangt van Berthe Morisot, een van de weinige vrouwelijke impressionisten*. Na afloop lopen we het winkeltje binnen en daar bevindt zich een schat aan boeken over Monet. Grote, kleine, dikke, dunne, het kan niet op. En alsof dat nog niet genoeg is, op een grote hoeveelheid mokken, schriften, potloden, kaarten en andere prullaria teisteren de waterlelies je ogen. Maar niets over Morisot en zelfs als ik vraag naar documentatie over haar kijkt de vrouw achter de toonbank mij wazig aan. Het is om gek van te worden. Als er al aandacht is voor het werk van een vrouw dan is het risico groot dat er een vloedgolf van heren overheen gaat. Monet is een product geworden en Morisot blijft in de schaduw ondanks dat er aardig wat over haar is geschreven. De ervaring leert dat het meestal vrouwen zijn (biografen, kunsthistorici) die het werk van hun seksegenoten aan de vergetelheid ontrukken.*

Zelportret Morisot

Zelfportret

Tot mijn grote vreugde zag ik, terug in Amsterdam, een documentaire over haar aangekondigd: Berthe Morisot: Moed, Storm en Liefde. De regisseur Klaas Bense kocht een aantal jaren geleden online een schilderij, een portret van een vrouw. Thuis ontdekte Bense een naam op de achterkant van het schilderij: ‘Berthe Morisot, 1871’. Hij kende wel haar naam, maar wie was Berthe Morisot? En hoe kwam het dat hij zo weinig van haar wist? Met het schilderij onder zijn arm trekt hij naar Parijs om meer te weten te komen over Morisot. Mooie opzet voor een documentaire maar uiteindelijk toch teleurstellend zoals ook Joke de Wolf in haar Atria-blog* beschrijft: ‘Het lijkt alsof Bense zo vol is van zijn eigen Morisot-schilderij dat hij vergeet naar Morisots andere werk te kijken.’

Verder ontdekte ik nog een film over Morisot uit 2012 waarvan de recensies in ieder geval niet juichend waren. Maar beter iets dan niets. Als het helpt om haar werk onder de aandacht brengen, moet je soms niet al te kritisch zijn. Als Morisot’s naam in je gaat rondzingen dan ga je vanzelf op zoek naar plekken waar haar schilderijen en tekeningen hangen en naar deskundige publicaties over haar (o.a. van de kunstcriticus Linda Lochlin, die al in 1988 aandacht besteedde aan haar werk). In het onvolprezen Atria vond ik een uitgebreide catalogus van haar werk uit 2012. Notabene mede uitgegeven door het Musée Marmottan Monet, maar blijkbaar niet meer in druk. Maar het zal beter gaan: in 2019 komt er een grote tentoonstelling van haar werk in het Musée D’Orsay in Parijs.

berthe-morisot-4

Ik word wakker in een huisje in Egmond en kijk uit over de tuin en het daarachterliggende landschap: weiden en in de verte enkele boerderijen. Het is nog vroeg en er is een vage oranje gloed in de lucht. Wat later hangt er een voile van glanzende mist over de tuin en het landschap. Het zijn momenten in de ochtend die heel snel veranderen en die ik zou willen vasthouden. Het zijn ervaringen van pregeboortelijke schoonheid. Van een ontroerende puurheid voordat het leven eroverheen raast. Zo stel ik me voor dat Morisot schilderde: zij wilde die visuele ervaringen vastleggen en daarin is zij vaak wonderwel geslaagd.

Tuin in Bougival

In de inleiding van Jean-Marie Rouart (Berthe Morisot: from Wound to Light) in de catalogus vond ik hierover een interessante opmerking. Haar schilderijen ademen een sfeer van rust, elegantie, harmonie en paradijselijk geluk maar: ‘The paradox of this work that comes across as spontaneous, cheerful, gentle and harmonious is that it was born of suffering, of a doggedness and despair that would be difficult to imagine were they not attested by so many pages in the notebooks and letters written by this artist who was always dissatisfied by herself .’

Nu lijden de meeste kunstenaars onder een gevoel van ontevredenheid (bijna nooit lukt het om precies vast te leggen wat je wilt uitdrukken) maar ongetwijfeld speelde haar vrouw-zijn daarbij een rol. Ook al werd zij gesteund door haar familie en haar vrienden onder de impressionisten, zij moest vechten tegen de conventies van haar tijd. Haar zus Edma met wie zij tien jaar lang samen schilderde gaf haar schilderen op toen zij trouwde. Berthe trouwde met Eugène Manet, ook een schilder, maar bleef doorwerken en werd door haar echtgenoot gesteund. Een zeldzaamheid.

berthe-morisot-eugene-manet-and-his-daughter-in-the-garden

Eugène Manet en dochter Julie

Ik ben benieuwd naar haar dagboeken die nog in familiebezit zijn om meer inzicht te krijgen in haar hele leven. Het is ondenkbaar dat de Frans-Duitse oorlog en de maandenlange bezetting van Parijs in 1870/’71 niet tevens een rol in haar leven hebben gespeeld.

Waar dagboeken vaak de worstelingen en schaduwkanten van het bestaan vastleggen, wilde Morisot juist in haar kunst de vluchtige lichte momenten vastleggen en dat getuigt van een gezond realisme. Jean-Marie Rouart spreekt over de ‘happiness of the sad’. Dat is ook wat troost is. Dat betekent dat zolang je die vluchtige momenten kunt zien, ze kunt vastleggen en ervan kunt genieten, de wereld van lijden, negativiteit, je niet zal vergiftigen en zieldood maken.

Berthe Morisot’s werk is een ode aan de schoonheid van het leven.